Collatie en Devotie. Dirc van Herxen en zijn Eerste Collatieboek

Leken trekken tot Gods woord

Krijn Pansters - Lydeke van Beek, Leken trekken tot Gods woord. Dirc van Herxen (1381-1457) en zijn ‘Eerste Collatieboek’. Hilversum, Verloren, 2009. Middeleeuwse studies en bronnen 120. Dissertatie Universiteit Leiden, ISBN 9789087041151, €29,00.

Aan het hier te bespreken boek, Leken trekken tot Gods woord, gaan tien jaar hoogconjunctuur van bijzonder intensief en productief onderzoek op het gebied van de Moderne Devotie vooraf. Daaraan wil ik hier eerst kort aandacht besteden, te beginnen met de resultaten van het onderzoek in Duitsland.

Hoe een laatmiddeleeuwse ‘devote tekstgemeenschap’ (N. Staubach) een nieuwe moderne ‘tekstgemeenschap’ in het leven kan roepen, toont ons namelijk het onderzoeksproject ‘Pragmatische Schriftlichkeit im Bereich der Devotio moderna’ van de universiteit van Münster, uitgevoerd onder leiding van Nikolaus Staubach. Uit dit project komen een aantal belangwekkende studies voort die ons, vanuit een gedeeld literair-historisch perspectief, nieuwe inzichten verschaffen in het fenomeen ‘Moderne Devotie’: T. Kock, Die Buchkultur der Devotio moderna (2002); T. Klausmann, Consuetudo consuetudine vincitur. Die Hausordnungen der Brüder vom gemeinsamen Leben (2003); N. Staubach (red.), Kirchenreform von unten. Gerhard Zerbolt von Zutphen und die Brüder vom gemeinsamen Leben (2004); en B. Lesser, Johannes Busch: Chronist der Devotio moderna (2005). Niet alleen gezien de thematiek van de Moderne Devotie als laatmiddeleeuwse spiritueel-ascetische en bibliofiele beweging, maar ook gezien de grondigheid en kwaliteit van studie, sluit het laatste werk van dit project hier naadloos bij aan: U. Bodemann & N. Staubach (red.), Aus dem Winkel in die Welt: die Bücher des Thomas von Kempen und ihre Schicksale (2006).

Ook buiten Münster verschenen de afgelopen jaren in Duitsland belangrijke publicaties op het gebied van de Moderne Devotie. Een goed voorbeeld is M. Derwich & M. Staub (red.), Die ‘Neue Frömmigkeit’ in Europa im Spätmittelalter (2004), waarin de auteurs ervan uitgaan dat een verschuiving van perspectief op de ‘nieuwe spiritualiteit’ van de late middeleeuwen, vanuit de ‘Nederlandse’ devotio moderna naar de ‘Boheemse’ devotio moderna, en van daaruit naar de spiritualiteit van Midden-, Oost- en Zuid-Europa, nieuwe inzichten in de ‘gesamteuropäische’ dimensie van de Moderne Devotie kan opleveren. Een ander voorbeeld is M. Klug, Armut und Arbeit in der Devotio moderna: Studien zum Leben der Schwestern in niederrheinischen Gemeinschaften (2005), een studie waarin het dagelijks leven van de devote zusters centraal staat.

In Nederland ontstond een even belangrijke en productieve devote ‘tekstgemeenschap’ als die van Münster, nu aan de Vrije Universiteit Amsterdam onder leiding van Koen Goudriaan. Diverse belangwekkende publicaties op het gebied van de Moderne Devotie zagen hier het levenslicht, te beginnen met de programmatische inaugurale rede van K. Goudriaan, Volmaakte levens: modellen van christelijk leven en de laatmiddeleeuwse maatschappij (2002), gevolgd door het themanummer van Trajecta getiteld De derde orde op orde (onder redactie van S. Corbellini & H. van Engen; 2005), en de degelijke proefschriften van M. van Luijk, Bruiden van Christus: de tweede religieuze vrouwenbeweging in Leiden en Zwolle 1380-1580 (2003) en H. van Engen, De derde orde van Sint-Franciscus in het middeleeuwse bisdom Utrecht (2006). Een ‘laat’ product van deze Amsterdamse ‘school’ zou men H. van Engen & G. Verhoeven (red.), Monastiek observantisme en Moderne Devotie in de Noordelijke Nederlanden (2008) kunnen noemen, een bundel waarin de diverse auteurs op zoek gaan naar de wisselwerking tussen het vijftiende-eeuwse streven naar hervormingen en de terugkeer naar de oorspronkelijke beginselen van monastieke orden enerzijds, en de beweging van de Moderne Devotie anderzijds.

Deze en andere ‘Amsterdamse’ publicaties zijn echter niet de enige die de Moderne Devotie in Nederland definitief op de kaart hebben gezet: ook uit Nijmeegse en Groningse hoek kwamen onmisbare bijdragen aan het fundamentele onderzoek naar deze laatmiddeleeuwse religieuze beweging. ‘Nijmegen’ verzorgt sinds jaar en dag de uitgave van de werken van de voorman van de beweging, Geert Grote (uitgevoerd door R. van Dijk en R. Hofman), en kent een grote voorkeur voor de Moderne Devotie vanuit de studie van de spiritualiteit en moraliteit, blijkens publicaties als H. Blommestijn e.a. (red.), Spirituality Renewed: Studies on Significant Representatives of the Modern Devotion (2003) en A. Weiler, Het morele veld van de Moderne Devotie, weerspiegeld in de ‘Gnotosolitos parvus’ van Arnoldus Gheyloven van Rotterdam, 1423 (2006). Een onderscheidende kunsthistorische bijdrage betreft K. Veelenturf (red.), Geen povere schoonheid: laat-middeleeuwse kunst in verband met de moderne devotie (2000); en een codicologische bijdrage op het veelbelovende gebied van de Soeterbeeck-collectie H. Kienhorst, Verbruikt verleden: handschriftfragmenten in en uit boeken van klooster Soeterbeeck (2009). Een andere publicatie (i.c. editie) met Nijmeegse wortels is M. van den Berg (red.), Het Gaesdonckse-traktatenhandschrift (2005), en ook R. van Dijk & M. Vonk (red), Moderne devoten in monnikspij: klooster en colligatie van Sibculo, 1406-1580 (2007) moet in Nijmeegs verband genoemd worden, hoewel de meeste auteurs uit de streek van de vroege Moderne Devotie zelf afkomstig zijn. Belangrijke Groningse bijdragen aan het onderzoek zijn onder meer A. Bollmann, Frauenleben und Frauenliteratur in der Devotio moderna: volkssprachige Schwesternbücher in literaturhistorischer Perspektive (2004), en A. Jostes, Die Historisierung der Devotio moderna im 15. und 16. Jahrhundert: Verbandsbewußtsein und Selbstverständnis in der Windesheimer Kongregation (2008). Na de vele publicaties uit met name Münsterse, Amsterdamse, Nijmeegse en Groningse hoek, was het in 2008 de beurt aan Notre Dame (Indiana) en Deventer, de ontstaansplek van de Moderne Devotie. John van Engen (Notre Dame) publiceerde zijn handboek Sisters and Brothers of the Common Life (2008), een waardige opvolger voor A. Hyma, The Christian Renaissance. A History of the ‘Devotio Moderna’ (1924/1965) en R. Post, The Modern Devotion (1968), terwijl ‘Deventer’ (met Deventer, Groningse, Amsterdamse, Utrechtse en Leidse auteurs) Vernieuwde innigheid: over de Moderne Devotie, Geert Grote en Deventer (onder redactie van K. Goudriaan e.a.; 2008) op de markt bracht, een kleurrijk boek met wetenschappelijke wortels en populaire pretenties. Beide boeken willen een nieuwe synthese bieden waarin hoofdlijnen van recent onderzoek terug te vinden zijn, maar waar Sisters and Brothers substantieel onderzoek combineert met een aantal nieuwe thesen, probeert Vernieuwde innigheid toch met name inzichten uit recent (gepubliceerd) onderzoek van de zes auteurs zelf in een nieuwe configuratie, in een Deventer verband, te plaatsen. Laatstgenoemde publicatie vindt overigens een (puur) wetenschappelijke pendant in S. Krauß, Die ‘Devotio moderna’ in Deventer: Anatomie eines Zentrums der Reformbewegung (2007).

Mijn historiografische overzicht is verre van volledig, al was het maar omdat ik de tientallen recente artikelen op het gebied van de Moderne Devotie van de hand van auteurs als Th. Mertens (Antwerpen), C. Caspers (Nijmegen) en M. van Dijk (Groningen) hier buiten beschouwing heb gelaten. Waarschijnlijk heb ik hier nog wel een of andere cruciale publicatie vergeten, waarvoor bij deze welgemeende excuses aan de auteur. Andere hiaten in bovenstaande overzichtje betreffen in ieder geval de publicaties van wetenschappers in de Utrechtse en Leidse traditie, zoals U. Hascher-Burger (Singen für die Seligkeit: Studien zu einer Liedersammlung der Devotio moderna, 2007) en P. van Geest (Thomas a Kempis. Mystagoog op de breuklijn tussen de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd, 2008), respectievelijk W. Scheepsma (Medieval Religious Women in the Low Countries: the ‘Modern Devotion’, the Canonesses of Windesheim and Their Writings, 2004).

Laatstgenoemde studie staat in de goede Leidse letterkundige traditie, evenals het werk dat ik nu hier bespreek: L. van Beek, Leken trekken tot Gods woord. Dirc van Herxen (1381-1457) en zijn ‘Eerste Collatieboek’(2009). In dit proefschrift staat het volkstalige Eerste Collatieboek centraal, waarin de productieve Zwolse modern devoot Dirc van Herxen ‘leken die meer verlangden dan de traditionele diensten die de Kerk bood, wilde onderwijzen en toerusten in zaken van geloof en leven’. Letterkundige Van Beek analyseert het Collatieboek ‘tegen de achtergrond van de laatmiddeleeuwse religieuze en stedelijke cultuur’. Aan de orde komen leven en werken van Dirc van Herxen; het vijftiende-eeuwse Zwolle en de broeders van het gemene leven; de praktijk van ‘collatie’ (spirituele gesprekken) binnen de Moderne Devotie; de overlevering van het Collatieboek; de opbouw en ordening ervan; de selectie- en vertaalstrategie erin; en het functioneren ervan in de gebruikerscontexten in Zwolle, Gaesdonck en Amersfoort. Van Beek verbindt zo de inhoud van de twee overgeleverde handschriften met enerzijds de devote collatiepraktijk, anderzijds het leven en werk van Dirc.

Op de cover lezen we dat deze studie ‘zich beweegt op het snijvlak van letterkunde, geschiedenis en theologie’, waarmee het boek aansluit bij veel van voorgenoemde publicaties. Op letterkundig gebied heeft het zonder meer grote verdiensten: Van Beek onderzoekt bijvoorbeeld nauwkeurig de handschriften en handschrift-fragmenten; de opbouw van het boek op macro- en op micro-niveau; de verhouding van het Latijnse voorbeeld (Collationale) tot andere devote teksten, met name het Libellus van Florens Radewijns; de relatie tussen het Latijnse, voor de broeders bedoelde voorbeeld en de (strakker georganiseerde, uitgebreidere en meer specifieke) Middelnederlandse tekst voor leken; en de receptie van het boek in de verschillende historische contexten (Zwolle, Gaesdonk, Amersfoort). Maar ondanks de behandeling van leven en werk van Dirc en de aandacht voor de inhoud van het Collatieboek, schiet dit proefschrift toch enigszins tekort op historisch en theologisch gebied.

Historisch gezien mis ik een bevredigende inkijk in het leven en denken van de auteur, zoals bijvoorbeeld geboden in de genoemde studie van B. Lesser over Johannes Busch. Natuurlijk zijn de bronnen schaars, maar een beter ‘beeld’ van deze persoon achter de hagiografie, als man van zijn tijd, had er mijns inziens wel ingezeten. Waar is Dirc bijvoorbeeld overal geweest, welke intellectuele invloeden heeft hij daarbij ondergaan, en wat zeggen zijn eigen geschriften over zijn herkomst, zijn karakter, of zijn ‘zelf-positionering’ (B. Lesser)? In dit verband constateer ik ook dat de inhoud van de eerste hoofdstukken zwaar leunt op de belangrijke dissertatie (1926) van P. Knierim over het leven van Dirc van Herxen, maar dat deze studie in het verdere verloop en aan het einde van het boek niet of nauwelijks nog ter sprake komt. Hiermee hangt samen een bevreemdend selectieve of in ieder geval beknopte status quaestionis (p. 25-26), evenals het ontbreken van een echte conclusie (hoewel de afsluitende woorden op p. 186-187 veel goedmaken).

Ook in theologisch opzicht mis ik de voor het juiste begrip van het Collatieboek noodzakelijke verdieping. Wat bijvoorbeeld ontbreekt is een systematische uitleg van Dircs zonden- en deugdenleer, toch een essentieel onderdeel van zijn ‘zonden- en deugdenboeken’ (de collatieboeken bestaan uit een zonden- en een deugdendeel) en van het devote bestaan in het algemeen. Verder contrasteren de haperende stijl en vreemde aanvang van Van Beeks eerste hoofdstuk sterk met de veel soepeler stijl en overtuigender redeneringen in de volgende hoofdstukken. Leken trekken tot Gods woord is echter helder (i.e. klassiek) van opbouw; bevat treffende analyses van zaken als de aard van de devote ‘collatie’ en de basisstructuur van de hoofdtekst, evenals een aantal ‘top’-bijlagen; wordt nauwelijks ontsierd door schrijf- of andere schoonheidsfouten (een zeldzaam voorbeeld hiervan is het feit dat de liturgische begrippen temporale en sanctorale pas na meerdere keren gebruikt te zijn ook toegelicht worden, p. 122); en is mooi uitgegeven, naar goede gewoonte van uitgeverij Verloren. Maar er zijn meer redenen te bedenken om dit boek niet alleen zonder voorbehoud maar ook met enthousiasme aan de ‘canon’ van de Moderne Devotie toe te voegen.