Kunstschatten uit middeleeuwse abdijen op de Brusselse Hofberg

Kunstschatten uit Wallonië

Janick Appelmans - Laurent Busine, (red.), Kunstschatten uit Wallonië van vroeger en nu. Dat verrassende land. Bozar Books (Antwerpen/Brussel: Mercatorfonds/Paleis voor Schone Kunsten, 2008) 247 p. ISBN 978-90-615-3809-7; Marcus De Schepper, Ann Kelders en Jan Pauwels (red.), In de ban van boeken. Grote verzamelaars uit de negentiende eeuw in de Koninklijke Bibliotheek van België. Bozar Books (Brussel: Koninklijke Bibliotheek van België, 2008) 217 p. ISBN 978-90-615-3809-7 40,00€

Hedendaagse kunst in dialoog brengen met oude schatten is het credo van Laurent Busine, de directeur van het Musée des Arts Contemporains van Le Grand Hornu in Henegouwen.

Voor de tentoonstelling Besloten wereld, open boeken in het kader Brugge 2002 pakte hij uit met Middeleeuwse handschriften in dialoog met actuele kunst. In de lente van 2008 paste hij dit beproefde concept opnieuw toe in de Bozar, het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. Voor de tentoonstelling Kunstschatten uit Wallonië van vroeger en nu, dat verrassende land verlieten een aantal unieke middeleeuwse kunstschatten uitzonderlijk de muren van hun rustieke musea in ingedommelde Waalse provinciestadjes. Elders op de Hofberg, in de Nassaukapel, pakte de Koninklijke Bibliotheek uit met een tentoonstelling die terugging naar de ontstaansperiode van de eigen instelling. Toen de deuren van de bibliotheek in 1839 voor het eerst openzwaaiden, was de instelling één van de oogappels van het jonge Koninkrijk België. Als het er op aan kwam om de nieuwe staat een geschiedenis te geven spaarden de nieuwe bewindvoerders kosten noch moeite. De verzamelingen van de Gentse conservator Karel van Hulthem, de Gentse professor geschiedenis en letterkunde Constant Philippe Serrure en de Brusselse catalograaf Félix-Victor Goethals werden (bijna) integraal verworven. Onder de noemer In de ban van boeken stelden Marcus De Schepper, Ann Kelders en Jan Pauwels tijdens de lente en de zomer 2008 in een wisselende samenstelling topstukken en representatieve werken uit de collecties van de twintig grootste boekenverzamelaars van de negentiende eeuw aan het publiek voor. In het kader van deze bespreking zal vooral ingegaan worden op de middeleeuwse kunstwerken, handschriften en vroege drukken afkomstig uit religieuze instellingen.

Voor Kunstschatten uit Wallonië van vroeger en nu haalde curator Laurent Busine niet alleen zijn mosterd in de gekende musea van Bergen, Brussel, Doornik, Hoei, Luik of Namen, maar evenzeer in kerken en musea van bijvoorbeeld Amay, Andenne, Boussu, Bouvignes, Lessen, Verviers en Zinnik. Binnen de tentoonstelling namen middeleeuwse en renaissance kunstwerken met een godsdienstige thematiek een prominente plaats in. Busine bracht pareltjes van de dertiende-eeuwse religieuze kunst uit de zuidelijkste landsheerlijkheden van de Lage Landen bij elkaar, zoals de Beau Dieu van Hoei en het reliekschrijn van de heilige Oda en de heilige Joris uit Amay. Uit dezelfde periode stammen de verschillende reliekhouders vervaardigd door Hugo van Oignies en zijn atelier. Daartoe behoort bijvoorbeeld de armvormige reliekhouder van de heilige Adrianus, afkomstig uit de premonstratenzenabdij van Floreffe. Wat schilderijen en schetsen betreft waren naast een werk van de onvermijdelijke Robert Campin, alias de Meester van Flémalle, vooral Jan Gossart, Henri met de Bles en Lambert Lombard goed vertegenwoordigd. Lombard, een Luiks renaissance schilder, verdiende zijn sporen onder meer in de cisterciënzerinnenabdij van Herkenrode. Van zijn tijdgenoot, de architect en beeldhouwer Jacques Du Broeucq, resten vooral de krachtige sculpturen uit de grafkapel van de heren van Boussu en de Bergense Sint-Waldetrudiskapittelkerk.

Ter gelegenheid van de tentoonstelling werd een rijkelijk geïllustreerd boek uitgegeven, waarvoor het Mercatorfonds instond. De teksten van Eugène Savitzkaya, Claude Lorent en Laurent Busine getuigen van een artistieke bevlogenheid en hebben dan ook geen wetenschappelijke pretenties. Daarna volgen een achttal korte thematische opstellen. Voor de kunsthistorische inbreng zorgen onder anderen Bernard Bousmanne over de getijdenboeken, Jacques Jeanmart over edelsmid Hugo van Oignies, Albert Lemeunier over de Maaslandse edelsmeedkunst, Catheline Périer-D’Ieteren over Jan Gossart en Jacques Toussaint over Henri met de Bles. De onderschriften in het uitgebreide catalogusgedeelte beperken zich tot de essentie: naam van het kunstwerk, kunstenaar, datering, huidige bewaarplaats en signatuur. Het moge duidelijk wezen dat wie zich Kunstschatten uit Wallonië aanschaft, dat vooral doet om een prachtig kijkboek in huis te halen.

Veel meer dan de Nederlandstalige titel In de ban van boeken typeert de Franse noemer Les seigneurs du livre de leefwereld van de negentiende-eeuwse verzamelaars. In opeenvolgende golven hieven de Oostenrijkse en Franse overheden zowat alle religieuze instellingen op. In beslag genomen kloosterbibliotheken werden in centrale depots ondergebracht. Aangezien ook het Koninkrijk der Nederlanden een antiklerikale politiek voerde, maakten steeds meer wanhopige religieuze gemeenschappen hun bibliotheken te gelde. Het boekenbezit van de opgeheven kloosters en abdijen raakte op korte tijd verspreid. Het massale boekenaanbod dat zo op de markt kwam, bood de negentiende-eeuwse bibliofielen de kans bij uitnemendheid om prachtige privéverzamelingen uit te bouwen. De Gentse bibliothecaris Pierre Philippe Constant Lammens wist van het vertrouwen dat de opeenvolgende overheden hem schonken, handig gebruik te maken om tegen geen prijs een mooie eigen collectie uit te bouwen. Zo kon hij de hand leggen op veel boeken en handschriften van de Gentse benedictijnenabdijen van Sint-Baafs en Sint-Pieters, de Drongense norbertijnen, de cisterciënzers van Cambron en de benedictijnse Sint-Maartensabdij van Doornik. Op de geruchtmakende verkoop van de bibliotheek van de premonstratenzer Parkabdij bij Leuven wist hij minstens 38 handschriften aan te schaffen, waaronder vier vijftiende-eeuwse manuscripten met traktaten van Pierre d’Ailly (nr. 14, Hs. 21.198-204). Sommige verzamelaars, zoals Jan Frans Willems en Constant Philippe Serrure, putten uit de eigen bibliotheek voor wetenschappelijk werk of tekstedities. Net als de meeste andere collectioneurs richtten zij zich op enkele vakgebieden. De Leuvense theoloog en bibliothecaris Jan Frans van de Velde specialiseerde zich voornamelijk in theologische en kerkhistorische werken, terwijl de Antwerpse notabele Charles-Pierre-Joseph le Candele de Ghyseghem geschiedkundige handschriften en incunabelen verzamelde. Het overlijden, of, bij uitzondering, de financiële perikelen, van de verzamelaars bood de Koninklijke Bibliotheek en, in mindere mate, de Gentse en Luikse universiteitsbibliotheken, de gelegenheid om via veilingen en onderhandelingen delen van of zelfs hele collecties aan te kopen.

In de ban van boeken brengt het verhaal van deze collectioneurs tot leven in een mooi uitgegeven boek, dat verrassend enkele kleine kantjes van onze grote negentiende-eeuwse filologen blootlegt. Zowel voor de redactie van de biografische en bibliografische portretten van de verzamelaars als voor de beschrijving en geschiedenis van de handschriften en drukken zochten de samenstellers telkens de Belgische autoriteiten in hun vakgebied aan. De beschrijvingen die de leden van de contactgroep thematisch het meest zullen aanspreken, zijn van de hand van prof. Albert Derolez, Michèle Henry en van de Signumleden Ann Kelders en Herman Mulder.

Alle grote kloosterorden en abdijen uit de Zuidelijke Nederlanden waren de in negentiende-eeuwse collecties ruim vertegenwoordigd. Van benedictijnse oorsprong zijn een handschrift uit de Sint-Maartensabdij van omstreeks 1300 met heiligenlevens, bestiaria en een filosofisch werk (nr. 12, Hs. 18.421-29), een twaalfde-eeuwse Super psalmos van Augustinus die in diezelfde Doornikse abdij vervaardigd en tot het einde van de achttiende eeuw bewaard werd (nr. 30, Hs. 21.574) en een handschrift van de Chronodronum van Johannes Brando, cisterciënzer in Ten Duinen (nr. 13, Hs. 18.180). Dit manuscript werd vervaardigd op vraag van Filips Conrault de Polignac, abt van de Gentse Sint-Pietersabdij. Deze benedictijnse beschermeling van de Bourgondische hertogen was in het derde kwart van de vijftiende eeuw een bibliofiel van betekenis. Tot de middeleeuwse bibliotheken van cisterciënzerabdijen behoorden een handschrift van Maerlants Rijmbijbel, dat samen met twee andere uiterst waardevolle Middelnederlandse handschriften van omstreeks 1325 aan de Sint-Bernardsabdij te Hemiksem toebehoorde (nr. 26, Hs. 19.545), de Aurora van Petrus Riga in een handschrift uit de eerste helft van de dertiende eeuw van Cambron (nr. 45, Hs. 21.846) en een verzamelhandschrift uit Aulne met onder meer De viris illustribus en werk van Johannes Chrysostomus en Hugo van Fouilloy (nr. 61, Hs. II 1.076). Naast de eerder al vernoemde traktaten van Pierre d’Ailly was ook een handschrift uit de tweede helft van de twaalfde eeuw met de Explanationes in V ultimos Prophetas Minores (nr. 44, Hs. 21.837) van de spraakmakende boekenveiling van de norbertijnse Parkabdij in 1829 afkomstig. Aan het einde van de middeleeuwen ontplooiden de reguliere kanunniken van de windesheimer congregatie een intense kopieer- en bewaaractiviteit. Hiervan getuigen een manuscript met vooral Latijnse, maar ook enkele Middelnederlandse teksten van de hand van broeder Rochus Heyme, een vroeg zestiende-eeuws kopiist uit Sint-Maartensdal te Leuven (nr. 19, Hs. 11.915-19) en een Utrechtse historiebijbel, die putte uit de bijbelvertalingen van de Hernse Bijbelvertaler van 1360 en Johan Scutken, kanunnik te Windesheim (nr. 21, Hs. 12.001-02).

De religieuze instellingen uit het noorden waren minder sterk vertegenwoordigd in het boekenbezit van de collectioneurs. Uit de extreem grote boekenverzameling van de Engelsman Richard Heber verwierf de Koninklijke Bibliotheek twee manuscripten uit de Noordelijke Nederlanden: een tiende-eeuws handschrift met heiligenlevens uit het bisdom Luik, dat aan de Friese cisterciënzerabdij van Aduard toebehoorde (nr. 6, Hs. 14.650-59) en een convoluut met twee vijftiende-eeuwse martyrologia, afkomstig uit Leidse kloosters van reguliere kanunnikessen (Sint-Cecilia en Mariënpoel) (nr. 7, Hs. 14.938-39).

In de ban van boeken bespreekt nog drie wiegdrukken met een monastieke context: Het Fasiculus temporum, een universele kroniek van de Keulse kartuizer Werner Rolevinck, die in 1480 te Utrecht door Johan Veldener werd gedrukt (nr. 17; Inc. B 1.568), de editio princeps uit 1480 van een evangeliecommentaar van Johannes de Sancto Laurentio, een publicatie uit de eerste Brusselse drukkerij, die de broeders van het gemene leven uitbaatten (nr. 31, Inc. B 1.394), en een Goudse incunabel van boekdrukker Gheraert Leeu uit 1483-1484 met Marco Polo’s De consuetudinibus et conditionibus orientalium regionum. Dit boek behoorde nog in de vijftiende eeuw aan de windesheimer kanunniken van Rooklooster toe (nr. 84, Inc. A 1.792).

De onderdelen van de catalogus bieden inzichten op het boekengebruik en boekenbezit in vroegere periodes, zoals de individuele lectuur van zestiende-eeuwse Groenendaalse kanunniken (nr. 18, Hs. 21.889), en geven hints voor mogelijk vervolgonderzoek. Sommige notities bezorgen informatie over de schenking van boeken aan kloostergemeenschappen. De Leuvense theologieprofessor Maarten van Dorp (Dorpius), die in 1525 overleed, legateerde zijn boeken aan de Leuvense kartuis. Daaronder bevond zich een De summo bono van Isidorus van Sevilla, die in 1485 bij Jan van Westfalen gedrukt was (nr. 9, Inc. A 2.122).

Zonder afbreuk te willen doen aan het zeer gedegen werk van de redacteurs kunnen twee bedenkingen geformuleerd worden. De catalogus sluit af met een register dat zich evenwel beperkt tot de verwijzing van persoonsnamen naar de hoofdstukken en de catalogusnummers. Meer nog dan een overzicht van de handschriften laat het ontbreken van een toegang op de scriptoria en de vroegere bewaarplaatsen zich voelen. Als ander minpunt dient de prijs van de catalogus aangestipt te worden. De Koninklijke Bibliotheek heeft een traditie van goedkope publicaties voor een breed publiek. In de ban van boeken is weliswaar een verzorgd uitgegeven boek met prachtige zwart-wit afbeeldingen en kleurenillustraties, doch gelet op de zachte cover en het aantal pagina’s (217) is 40,00 euro wel een stevige prijs. Ter vergoelijking kan ingebracht worden dat de uitvoerige bezoekersgids gratis aangeboden werd. In een vijfenzeventigtal pagina’s brengt kunsthistorica Annemie Van den Eynden een volledig overzicht van alle tentoongestelde handschriften en gedrukte boeken. De biografische gegevens van de collectioneurs zijn dan weer erg summier.