Virtual Pilgrimages in the Convent

Virtual pilgrimages

Marianne Ritsema van Eck - Kathryn M. Rudy, Virtual Pilgrimages in the Convent: Imagining Jerusalem in the Late Middle Ages. Turnhout: Brepols, 2011, 475 p., ill ISBN 978-2-503-54103-7

In de Christelijke traditie had de praktijk van pelgrimeren oorspronkelijk als doel de heilzame virtus van een heilige plaats of reliek te genieten.1 De huidige monografie van Kathryn Rudy laat onder andere zien hoe pelgrimage in sommige gevallen los kon komen te staan van de fysieke locatie van het bedevaartsoord.

In deze omvangrijke studie neemt zij het gebruik van geestelijk of wel ‘virtueel’ pelgrimeren onder laatmiddeleeuwse vrouwelijke religieuzen in de Nederlanden onder de loep, op basis van een corpus van 17 Middelnederlandse teksten. Edities en vertalingen (in het Engels) van deze teksten zijn te vinden in de appendix van haar boek. Ondanks dit tekstuele fundament benadrukt de auteur dat het hier toch om een in essentie kunsthistorische studie gaat. Door de bril van deze teksten wil Rudy, van huis uit kunsthistorica, tot een beter begrip komen van een aantal visuele bronnen en uiteindelijk de vraag beantwoorden wat pelgrimage betekende voor nonnen en andere vrouwelijke regulieren in de Nederlanden, die door de restricties van het kloosterleven niet konden reizen. Virtual Pilgrimages is over het algemeen goed ontvangen, onder meer vanwege het ontegenzeggelijk interdisciplinaire en veelomvattende karakter van het de publicatie. Hieronder zal ik proberen aspecten die eerdere besprekingen minder aan de orde kwamen onder het voetlicht te brengen.

Het eerste hoofdstuk lijkt erop gericht om aan te geven dat conventen in het bezit konden zijn van pelgrimsliteratuur. Rudy bespreekt twee pelgrimsverslagen die in het bezit waren van Augustijner koorvrouwen en een Franciscaanse lijst met aflaten te verdienen in het heilige land in het bezit van tertiarissen. De inhoudelijke beschrijving van deze drie niet ongebruikelijke teksten is wellicht erg uitvoerig, aangezien het geen handleidingen ‘virtuele pelgrimage’ betreft.

Na te hebben vastgesteld dat deze religieuze vrouwen dit soort teksten bezaten, richt Rudy zich vervolgens op de praktijk van het ‘recontextualiseren’ van pelgrims souvenirs. Eerst gaat ze in op de aandacht voor precieze afstanden en afmetingen in pelgrimsverslagen en het fenomeen van metrische relieken die meegebracht werden uit Jerusalem: bijvoorbeeld stukken touw met dezelfde lengte als bijvoorbeeld het Heilig Graf. Naar aanleiding hiervan worden de afmetingen van graven van Christus en Maria in het cisterciënzer mannenklooster van Bebenhausen vergeleken met devotionele afbeeldingen 'naar ware grootte' van de passiewerktuigen en wonden van Christus in handschriften van en door vrouwelijke religieuzen. Naast metrische relieken, worden ook ‘earth relics’ besproken: aarde en stenen die als souvenir werden meegenomen naar huis door Jerusalempelgrims. Naar aanleiding hiervan worden de besloten hofjes, vervaardigd door gasthuiszusters en begijnen, die soms dit soort souvenirs bevatten, besproken.

Al met al, geeft dit eerste hoofdstuk rond het thema van het recontextualiseren van pelgrimssouvenirs de indruk van een ietwat losse, associatieve verzameling van verschillende bronnen. Bovendien wordt met betrekking tot de pelgrimsverslagen in het begin van het hoofdstuk nog niet concreet gemaakt hoe deze werden gerecontextualiseerd.

Dit wordt echter wel duidelijk in het zeer overtuigende en goed gedocumenteerde tweede hoofdstuk. Hier wordt aannemelijk gemaakt dat de praktijk van het geestelijk pelgrimeren voor een groot deel uit de invloedsfeer van de Devotio Moderna komt. Daarbij gaat het om een geestelijke pelgrimage naar de zeven kerken van Rome die, voor leden van het kapittel van Windesheim, in 1442 door paus Eugenius IV werd voorzien van de zelfde aflaten die pelgrims normaal gesproken terplekke konden verdienen.

De origine van één bepaalde groep teksten voor virtuele pelgrimage naar Jerusalem, in de vorm gebedsoefeningen langs wat de staties van de kruisweg worden genoemd, herleidt Rudy naar het Sint-Agnes klooster in Maaseik. Door herbewerking van het type pelgrimsverslag dat in het vorige hoofdstuk aan bod kwam, creëerden de koorvrouwen van Maaseik een ersatz pelgrimage, waarbij zij dezelfde aflaten konden verdienen als in het Heilige land. Op dit punt komt de grote verdienste van Rudy’s werk naar voren: met veel aandacht en geduld heeft zij heel secuur een type tekst opgespoord en bestudeerd die tot nog toe “merkwaardig” werd genoemd,2 dan wel genegeerd door (literatuur-)historici. In het geval van de ontwikkeling van de gebedstekst uit Maaseik traceert zij nauwgezet de ontwikkeling van de tekst, die is overgeleverd in zeven verschillende handschriften. Het type van visuele devotie waartoe deze ongeïllustreerde teksten oproepen, weet Rudy overtuigend te relateren aan houtsneden met passiescènes.

Aan de hand van een pelgrimsverslag dat deel uitmaakt van wat de ‘Windesheim compilatie voor virtuele pelgrimage’ wordt genoemd, wordt de sterke samenhang tussen tekstueel en visueel erfgoed nog zichtbaarder gemaakt. Het pelgrimsverslag in kwestie, dat moet hebben gefunctioneerd als tekst voor meditatie, schetst een vergezicht met alle heilige plekken in - en rondom Jerusalem. Aan de hand van deze tekst komt Rudy tot een verhelderende analyse van twee laatmiddeleeuwse schilderijen met episodische passie landschappen: de Lissabon Passie en de Leuvense Passie. In dit hoofdstuk wordt de belofte van deze monografie om op basis van teksten visuele bronnen dieper te doorgronden zeker waar gemaakt.

Na de visueel georiënteerde gebedsoefeningen van hoofdstuk twee gaat het derde hoofdstuk over somatische devoties: wandelen door een ingebeeld Jerusalem. De teksten van verschillende herkomst die in dit hoofdstuk behandeld worden vragen de lezer om - naast een visueel - ook een fysiek aspect op te nemen in haar devoties. In een handschrift met teksten voor geestelijk pelgrimeren gericht op Birgittinessen bevindt zich een meditatie op het gehele leven van Christus die in totaal zeven dagen in beslag neemt. Bij elke maaltijd wordt de zuster gevraagd een specifieke episode uit het leven van Christus te overdenken. In andere gevallen wordt de kloosterarchitectuur benut om een ruimte te bieden aan een geëxternaliseerde gebedsoefening. Dit wordt treffend geïllustreerd op basis van aantekeningen van gebruiksters in een exemplaar van de zeer populaire gedrukte bewerking van de tekst voor geestelijke Jerusalem pelgrimage uit het Sint-Agnes klooster in Maaseik: ‘Heer Bethlem’s Gids’. Voor verschillende onderdelen van deze passiedevotie worden verschillende locaties in het klooster aangemerkt. Tenslotte komt er een gebedstekst voor virtueel pelgrimeren naar het Heilig Graf in Jerusalem aan bod. Deze tekst, die is overgeleverd in vier verschillende handschriften, geeft expliciete instructies voor interactie met een model van het heilig graf aanwezig in de lokale kerk. In een zeer verhelderende analyse laat Rudy deze gebedstekst echt tot leven komen door een reconstructie van hoe de devotie uit zou pakken voor het Paasgraf dat bewaard is in Zoutleeuw.

Ter afsluiting van al het voorgaande wordt het Middelnederlandse materiaal in een bredere Europese context geplaatst, en de implicaties voor lekendevotie en wijdere verspreiding van teksten door de opkomende boekdrukkunst overwogen. Ook dit wordt geïllustreerd door middel van een grote hoeveelheid gerelateerde teksten, afbeeldingen, en materieel erfgoed. Verder komt Rudy op basis van de besproken teksten tot de belangwekkende conclusie dat geestelijke pelgrimeren zeker geen metaforische aangelegenheid was voor vrouwelijke religieuzen in de Nederlanden in deze periode. Een Middelnederlandse vertaling van de metaforische pelgrimsinstructie Le Pélerinage de la Vie Humaine van Guillaume Digulleville werd slecht eenmaal aangetroffen bij Victorinnen, terwijl de veel populairdere besproken gebedsteksten overweldigend letterlijke pelgrimages naar Jerusalem behelzen.

Al met al is Virtual Pilgrimages een zeer indrukwekkende publicatie, ook in termen van omvang en de buitengewoon interdisciplinaire benadering. Omvangrijke thema’s zoals laatmiddeleeuwse devotie, visuele cultuur en pelgrimage worden heel grondig en inzichtelijk met elkaar geïntegreerd. Rudy bespreekt uitgebreid voorlopers, voorbeelden, en parallellen van het type teksten dat ter discussie staat, en dit alles wordt zeer goed gedocumenteerd met relevante secondaire literatuur en geïllustreerd met goed gekozen afbeeldingen. De belofte om materieel erfgoed te bezien door de ogen van de gekozen Middelnederlandse teksten wordt zeker ingelost, en levert ook zeer interessante inzichten op.

Juist omdat Virtual Pilgrimages een zeer omvangrijke studie is, zal het niet moeilijk om een paar aspecten te benoemen die de lezer, ook afhankelijk van zijn/haar achtergrond, graag verder uitgewerkt had gezien. De door mij waargenomen lacune ligt vooral op het gebied van solide definities en kwalificaties. Rudy suggereert een devotioneel genre te hebben ontdekt met deze virtuele pelgrimages, iets wat in principe vraagt om duidelijke omschrijvingen. Zij geeft aan dat de teksten aanzienlijk verschillen in vorm en inhoud en dat ze zijn verzameld en gekozen op basis van wat Rudy een ‘categorie van functie’ noemt: ze vragen om een bepaald soort visualisatie. Nu zijn er legio andere laatmiddeleeuwse teksten voor passiedevotie aan te merken die om eenzelfde soort visualisatie vragen.3 Wat de teksten besproken in Virtual Pilgrimages eerder direct lijkt te verenigen is het feit dat het specifiek gaat om pelgrimage naar Jerusalem c.q. het Heilige land. Een ander argument dat door Rudy wordt aangedragen om te verdedigen dat deze teksten voor pelgrimage een ‘erkende categorie van functie’ waren, is dat er handschrift compilaties van dit soort teksten bestaan. Echter de teksten voor bijvoorbeeld pelgrimage naar Rome maakten hier ook deel van uit, maar die krijgen alleen zijdelings aandacht in het boek, terwijl de keuze om voornamelijk teksten voor Jerusalem pelgrimage te bespreken niet wordt toegelicht. Tenslotte is de provisorische term ‘categorie van functie’ niet heel duidelijk omschreven; een minimale overweging op het gebied van genre theorie zou hier op zijn plaats zijn geweest.

In het algemeen valt op te merken dat theoretische onderbouwing geen deel uitmaakt van deze monografie. Dat hoeft op zich geen bezwaar te zijn, zolang er toch in elk geval duidelijke kaders worden getrokken. Het veelvuldig gebruik van ongekwalificeerde begrippen kan daarentegen leiden tot vaagheid. Zo gebruikt Rudy veelvuldig de termen via crucis en ‘staties van de kruisweg’ zonder te omschrijven wat zij daaronder precies verstaat, terwijl zij tegelijkertijd expliciet (en terecht) aangeeft dat de via crucis zijn huidige herkenbare vorm pas aan begon te nemen in de zeventiende eeuw. Waar het dan precies om gaat in laatmiddeleeuwse context blijft een beetje in het midden.

Ondanks deze kanttekeningen blijven de indrukwekkende kwaliteiten van Virtual Pilgrimages overeind. Het is een zeer academische studie, die ook voor de geïnteresseerde leek ook interessant zal zijn door grote hoeveelheid voorbeelden van gerelateerde materiële cultuur die worden aangedragen. Ook in termen van het toegankelijk maken van dit tekstuele materiaal levert het een bijdrage, niet alleen omdat de publicatie in het Engels is, maar veel meer ook vanwege de edities met vertaling van de besproken teksten. Deze edities maken Virtual Pilgrimages een concreet verhaal, de lezer krijgt werkelijk een duidelijk beeld van wat geestelijk pelgrimeren betekende voor laatmiddeleeuwse vrouwelijke religieuzen in de late middeleeuwen in de Nederlanden. Tenslotte is de zeer geïntegreerde interdisciplinaire aanpak voor het inzichtelijk maken van visuele – en tekstuele bronnen is een voorbeeld wat zeker navolging verdient.

  • 1. Angenendt, Arnold. Heilige und Reliquien: Die Geschichte ihres Kultes vom frühen Christentum bis zur Gegenwart. München: Beck, 1994.
  • 2. Vanden Wyngaert, A. “Een merkwaardige Kruiswegoefening uit de XVe eeuw”. Ons geestelijk erf 31 (1957): 422-6.
  • 3. Kirkland-Ives, Mitzi. “Alternative Routes: Variation in Early Modern Stational Devotions.” Viator 40 no. 1 (2009): 249-70.