De Utrechtse Domtoren. Trots van de stad

De Utrechtse Domtoren

Dirk Van de Perre - René de Kam, Frans Kipp en Daan Claessen, De Utrechtse Domtoren. Trots van de stad (Utrecht: Matrijs 2014), 544 pp., ISBN 978-90-5345-467-1. € 49,95.

Dit magistrale boek met ontelbare kleurenillustraties beoogt, luidens de Inleiding, drie doelstellingen: de geschiedenis brengen van de toren over alle historische periodes heen, toegankelijkheid voor een groot publiek en het opentrekken van de bouwgeschiedenis naar het brede sociaal-culturele verhaal.

De eindredactie van het werk was in handen van historicus René de Kam, coördinator publieksbereik bij de Afdeling Erfgoed van de gemeente Utrecht. Coauteurs zijn Frans Kipp, die als bouwhistoricus werkzaam is bij dezelfde Afdeling Erfgoed en Daan Claessen, eveneens verbonden aan de genoemde Afdeling, die zorgde voor de talrijke 3D-reconstructies. De drie auteurs zijn dus uitstekend geplaatst om én de toren goed te kennen, én de archivalische bronnen, én al wat ooit over de toren gepubliceerd is. Aan de uitgave van het boek is negen jaar studie en voorbereiding vooraf gegaan. De liefde voor en de trots op de toren spreken uit elke bladzijde van het boek, dat is uitgegeven met de steun van de Gemeente Utrecht op initiatief van Stichting Toerisme Utrecht.
Het boek is chronologisch opgebouwd en omvat zestien hoofdstukken, die in drie delen gegroepeerd zijn. Daaraan zijn nog een reeks bijlagen toegevoegd. Niet alleen de toren wordt behandeld, maar ook de geschiedenis van de dom, de stedenbouwkundige ontwikkeling van de omgeving rond de dom, de geschiedenis van het bisdom Utrecht en zijn bisschoppen, het domkapittel, de bouwvakkers, de bewoners en bezoekers van de domtoren, de rol van de Nederlandse staat en de gemeente Utrecht in het onderhoud en de restauratie van de toren, de lotgevallen van het torenuurwerk, het klokkenspel, etc. Vooreerst een beknopt overzicht.

Deel 1: Bouwen aan de Domkerk (pp. 10-93) is het kortste en brengt de voorgeschiedenis in vier hoofdstukken. Hoofdstuk één: De komst van de kerk begint bij het Romeinse castellum Traiectum, plaats waar einde zevende, begin achtste eeuw Willibrord een Martinuskerk en Salvatorkerk liet bouwen. De eerste kerk werd vanaf het midden van de achtste eeuw de bisschopskerk. De bisschop bestuurde niet alleen zijn bisdom, dat ook Holland, Zeeland en Friesland omvatte, maar werd tevens landsheer, toen de Duitse keizers hem in de loop van de tiende en elfde met het Sticht en Oversticht beleenden. Na de Noormannentijd installeerde bisschop Balderik (917-975) in beide kerken een kapittel.
Hoofdstuk twee: De romaanse domkerk brengt de geschiedenis van de bouw van de romaanse domkerk, die gebouwd werd van 1015 tot 1023 door bisschop Adelbold II (1010-1026). Bij de dom werden ook het bisschoppelijke paleis en de keizerlijke Palts gebouwd. De kapittels van beide kerken verkregen een eigen immuniteit (Dom en Oudmunster). Het grondgebied van beide immuniteiten en het grondplan van de romaanse kerk zullen later bepalend zijn voor de plaats waar de gotische kathedraal en de domtoren zullen worden gebouwd. Het gebied van het kerken-en paleizencomplex dat lag binnen de grenzen van het oude castellum werd vervolgens naar buiten uitgebreid met kanunnikenhuizen en met vier kerken, die met het castellum als centrum een kerkenkruis vormden. Dit indrukwekkende romaanse kerkencomplex geraakte in de 13de eeuw met de opkomst van de gotiek als de nieuwe Europese architectuurstijl gedemodeerd.
Hoofdstuk drie: De gotische domkerk gaat hierop in. Niet de bisschop, maar het domkapittel besliste in 1254 om aan de bouw van een gotische kathedraal te beginnen. Die zou komen op de plaats van de oude dom, die fasegewijze zou worden afgebroken naar gelang de werkzaamheden aan de gotische kathedraal vorderden. Van een eerste plan en gewijzigd tweede plan werd aanvankelijk alleen het koor met de straalkapellen aangevat. Dat werk vorderde langzaam. De vorm van de westpartij in deze eerste plannen blijft duister, maar vermoedelijk voorzag men in een westfront met twee torens, zoals bij de Franse kathedralen. De auteurs situeren de Utrechtse kathedraalbouw in de ontwikkeling van de Europese gotiek en wijzen vooral op verwantschap met de dom van Keulen. Ook op de financiering wordt ingegaan. Er zijn twee grote geldstromen. Gelovigen die giften overmaakten bij een bede van de bisschop (Sint-Maartensbede) werden beloond met een aflaat. En instellingen die met een reliekschrijn een bedeltocht (queste) wensten te houden in het bisdom Utrecht, dienden hiervoor een hoge vergoeding te betalen.
Met hoofdstuk vier: Het bouwbedrijf wordt de chronologische opbouw van het boek even opzij geschoven. In dit hoofdstuk wordt het bouwbedrijf beschreven, zoals het gedurende de ganse middeleeuwen te Utrecht gefunctioneerd heeft. De werken werden uitgevoerd in eigen beheer onder leiding van de kerkfabriek (fabrica ecclesie), een door het domkapittel in het leven geroepen instelling, geleid door de fabriekmeester, dit is een daartoe tijdelijk aangestelde kanunnik. De werf zelf werd geleid door de bouwmeester (archilathomus), die een vast salaris ontving en voor het leven benoemd werd. Hij was verantwoordelijk voor het ontwerp en de uitvoering ervan en voor de controle op de materialen. De daaronder fungerende tijdelijke werklieden ontvingen een dagloon. Uitvoerig wordt ingegaan op het gebruikte materiaal, de kranen, de stellingen, het vervoer, kortom op alle aspecten van het bouwbedrijf.

In het uitgebreidere Deel 2: De kathedrale toren (pp. 94-237) wordt in zes hoofdstukken de eigenlijke bouw van de toren verhaald vanaf de eerste steenlegging in 1321 tot 1580 toen de calvinisten te Utrecht de macht overnamen en de dom haar statuut van bisschopskerk verloor. Hoofdstuk 5: De toren als machtssymbool schetst de politieke en ideologische context die leidde tot de beslissing om de toren te bouwen. De graven van Holland poogden hun invloed te Utrecht te vergroten door Hollandsgezinde bisschoppen aan de macht te helpen, dit tot ongenoegen van het domkapittel, dat op zijn onafhankelijkheid stond en op zijn recht om zelf de bisschop te verkiezen. De eerste steen werd gelegd in 1321 door de anti-Hollandse domdeken Jacob van Oudshoorn, die het jaar daarop tot bisschop werd verkozen, maar na enkele jaren stierf. Hij werd opgevolgd door Jan van Diest, een pion van de Hollandse graaf. In die machtsstrijd tussen graaf en kapittel moet de beslissing tot de bouw van de grootse toren gezien worden als een statement van de kanunniken tegen de aanspraken van de Hollandse graaf en van zijn door hem opgedrongen bisschoppen. De macht van het onafhankelijke Utrecht en Sticht kreeg hiermee een niet te miskennen symbool. Want het is uitzonderlijk dat voorrang werd gegeven aan de bouw van een westtoren, terwijl het koor nog niet was afgewerkt. Tussen de toren en het koor bevond zich nog gedurende decennia het schip en het transept van de oude romaanse domkerk. Niet alle kanunniken waren gelukkig met die prestigieuze bouw. Een van hen was Geert Grote die rond 1374 een niet verspreid pamflet Contra turrim Traiectensem schreef, waarin hij de toren omwille van zijn hoogte een onnuttig bouwwerk vond, getuigend van hoogmoed en slechts dienend om de bewondering en verbazing van de toeschouwers te wekken. Dat de toren bij de tijdgenoten inderdaad opzien baarde, blijkt uit de verrassende hoeveelheid middeleeuwse schilderijen waarop de toren is afgebeeld, onder meer bij Jan van Eyck op Het Lam Gods en De madonna met kanselier Rollin.
In hoofdstuk zes: Ruimte voor een nieuw plan wordt aangetoond hoe een geschil tussen het kapittel van de naastliggende Salvatorkerk en het domkapittel over een doorgang van de Salvatorkerk, gelegen ten zuiden van de domkapittelkerk, naar een erf ten noorden van de dom de uitvoering van het tweede bouwplan voor de gotische dom onmogelijk maakte, zodat een nieuw plan moest worden opgesteld. Daarin werden het transept en schip van de dom ingekort en werd een los staande westtoren voorzien, zodat tussen toren en schip een doorgang mogelijk was. Dit derde plan moet circa 1320 gemaakt zijn door bouwmeester Jan van den Doem, die geïdentificeerd wordt met Jan van Henegouwen. Het torenplan is in grote lijnen ongewijzigd uitgevoerd, behalve de torenspits, die oorspronkelijk als een open stenen spits was ontworpen. De auteurs plaatsen terecht het Utrechtse torenontwerp in de rij van torenbouw, zoals die in de grote gotische Duitse stadskerken tot ontwikkeling was gekomen, onder meer te Keulen, Straatsburg en Freiburg am Breisgau. De gelijkenis met deze laatste toren, die rond 1320 bijna voltooid was, is het meest treffend.
De hoofdstukken zeven, acht en negen: De eerste bouwcampagne (1321-1328), Tot boven de klokken (1345?-1356), Lantaarn en spits (1356-1382) brengen het relaas van de verschillende bouwcampagnes. Tijdens de eerste campagne werd het fundament gelegd en de eerste geleding van het onderste vierkant gebouwd, waarin de Michaëlskapel werd ondergebracht, die in 1328 werd gewijd. Deze kapel, waarvan de bisschop het gebruiksrecht had, was via een statige trap vanuit het bisschoppelijk paleis toegankelijk. Van circa 1345 tot 1356 werd de volgende geleding van het onderste vierkant van de toren opgetrokken, met daarin de torenkosterwoning (Egmondkapel). Daarna kwam het tweede vierkant tot stand dat omheen de houten klokkenstoel werd opgetrokken. In 1356 was Jan van Henegouwen blijkbaar overleden, want dat jaar werd hij opgevolgd door Godijn van Dormael, een bouwmeester die voordien aan de Luikse kathedraal werkzaam was. Deze werkte het tweede vierkant volledig af en bekroonde het met een gewelf. Godijn, die na vier jaar naar Luik terugkeerde, werd vervolgens opgevolgd door Jan van den Doem II of Jan van Utrecht. Onder diens leiding werd de achtkantige lantaarn gebouwd en werd in 1382 de toren voltooid, die 111 m hoog werd en daarmee toen een van de hoogste kerktorens van Europa. De stenen torenspits, die teveel druk op de onderliggende lantaarn zou uitoefenen, werd weggelaten en vervangen door een lage houten kap.
Hoofdstuk tien: De kathedrale toren (1382-1580) behandelt de verdere bouwgeschiedenis van de dom, waarvan het koor pas in 1410 werd voltooid onder leiding van bouwmeester Aernt Bruun. In 1484 werd de westgevel van de dom afgewerkt en werd de toren door een brugkapel, gewijd in 1495, verbonden met het kerkschip. Voor het eerst werd in de tweede helft van de vijftiende eeuw de steen niet meer onder eigen beheer ter plaatse gekapt, maar voorbewerkt uit de steengroeven ingevoerd. Voor de ganse bouwperiode hebben de auteurs ruime aandacht voor de soorten steen, de herkomst en het vervoer ervan. Aandacht is er in dit hoofdstuk eveneens voor het plaatsen van de balustrade van het onderste vierkant, het witten van de torenlantaarn en het plaatsen van het uurwerk. De geschiedenis van de klokken - de toren was primair een klokkentoren - wordt uitgebreid behandeld. Rond 1500 werd het klokkenspel uitgebreid met nieuwe klokken (Van Wouklokken), zodat een echt beiaardspel mogelijk werd. De politieke en religieuze ontwikkelingen tijdens de zestiende eeuw, met de opkomst van het protestantisme en de afscheuring van de Verenigde Provinciën van de Spaanse Nederlanden maakten in 1580 een einde aan het kathedrale en katholieke karakter van de Utrechtse dom.

Het uitvoerige deel 3: De stadse toren (pp. 238-431) omvat eveneens zes hoofdstukken, waarin de periode 1580-2014 behandeld wordt. Het is een verhaal van het langzame verval van de toren, totdat in het begin van de twintigste eeuw de grote restauratiewerken zijn aangevat. In hoofdstuk elf: Van den borgers deser stad (1580-1671) wordt gewezen op de structurele wijzigingen in de beheersstructuur van dom en toren. Utrecht werd een calvinistische stad, de dom kwam in handen van de Nederduitse Gereformeerde Gemeente. Het domkapittel bleef bestaan, niet in zijn oude vorm met de liturgische verplichtingen van het getijdengebed, maar als beheersorgaan van de goederen van het domkapittel, waaronder de domkerk en de domtoren. Wel verloor de domtoren zijn liturgische functie (luiden van de klokken voor de getijden) en werd hij een louter burgerlijk symbool. Gegoede burgers werden voortaan als leden van het kapittel aangesteld. Het kapittel moest evenwel de vroegere inkomsten uit aflaten en questen derven. Daardoor moest de stad vaak bijspringen in de financiering van de toren. Kleine renovatiewerken werden uitgevoerd. De toren kreeg nieuwe uurwerkplaten en een groter carillon, dat in de lantaarn werd opgehangen en in 1670 klaar was.
Hoofdstuk twaalf: Tot den minste kosten (1672-1811) brengt een verhaal van rampspoed. Na een kort herstel van het katholicisme bij de Franse invasie van Utrecht in 1672-1673 stortte op 1 augustus 1674 het schip van de dom in tijdens een windhoos (ook toen al een fenomeen!). Koor en transept werden voor de eredienst nog hersteld, maar het schip was definitief verloren en bleef er gedurende lange tijd als een ruïne bijliggen. Tussen koor en toren ontstond een niemandsland. De toren takelde verder af. De stenen balustrade van het onderste vierkant werd vervangen door een ijzeren, het gewelf van de lantaarn stortte gedeeltelijk in en in 1749 werd de westmuur van het schip en de brugkapel gesloopt. Met de komst van de Fransen te Utrecht in 1795, de Bataafse Republiek (1798), het Napoleontisch Koninkrijk (1806) en de uiteindelijke inlijving bij Frankrijk (1810), kwam in 1811 een einde aan het domkapittel en werden kerkelijke goederen, ook de domtoren, staatsdomein.
Hoofdstuk dertien: Banden, ankers en beugels (1811-1899) brengt de gebeurtenissen tijdens de 19de eeuw. Ook onder het Koninkrijk der Nederlanden (1813-1815) bleef de toren staatsbezit, werd het domkapittel niet hersteld en bleef de kerk toegewezen aan de Nederduitse Hervormde Gemeente (1823). Zo hadden domkerk en toren voor het eerst een verschillende eigenaar. De vraag wie het onderhoud van de toren diende te betalen werd een twistpunt tussen Rijk en Gemeente. Een akkoord van 1823-1825 bepaalde dat de Gemeente de onderhoudsplicht had, maar het Rijk voor een vaste jaarlijkse som in de onderhoudskosten zou tussenkomen. Hoewel in 1859 een nieuw uurwerk werd geplaatst met twee wijzers (het oude duidde slechts de uren aan), verkeerde de toren, ondanks kleine onderhoudswerken op het einde van de eeuw in een zo erbarmelijke staat dat alleen een grondige restauratie de toren kon redden, aldus een rapport van F.J. Nieuwenhuis, directeur van de Gemeentewerken.
Hoofdstuk veertien: Naar oude vormen hersteld (1899-1919) geeft het relaas van de eerste restauratiecampagne. In 1901 nam de restauratie een aanvang. Rijk en Gemeente namen elk de helft van de kosten op zich. De Gemeente voerde de werken uit onder leiding van Nieuwenhuis, maar diende hierbij het advies van een Rijkscommissie te volgen. De voorzitter van die commissie was de bekende neogotische architect P.J.H. Cuypers, de architect van het Rijksmuseum te Amsterdam. Er werd gerestaureerd van boven naar onder. De toren kreeg een nieuwe steilere kap, het lantaarngewelf werd vernieuwd, samen met de pijlers, pinakels en de balustrade van de tweede omloop, een nieuwe klokkenstoel en nieuwe wijzerplaten van het uurwerk werden geplaatst. De eerste restauratiecampagne vorderde tot en met het herstel van het tweede vierkant. Met de dood van Nieuwenhuis (1919) en Cuypers (1921) werd een restauratiehoofdstuk afgesloten. Beiden waren aanhangers van de toen gangbare door de fransman Violet-le-Duc voorgestane restauratievisie dat een historisch gebouw in zijn (meestal geïdealiseerde) oorspronkelijke vorm diende hersteld te worden.
Hoofdstuk vijftien: ‘Meer is niet bekend’ (1919-1931) schetst de laatste fase van de restauratie. De nieuwe voorzitter van de Commissie George Willem van Heukelom stond een andere modernere restauratievisie voor. Men diende een gebouw te herstellen met respect voor wat de bouwgeschiedenis aan het gebouw heeft toegevoegd. Wanneer nieuwe elementen werden aangebracht, moest dat in een herkenbare moderne stijl gebeuren. De tijdperk van de neogotiek was voorbij. Onder impuls van burgemeester Joachim Pieter Fockema Andreae werd het restauratietempo aan het onderste vierkant opgevoerd. De Michaëlskapel werd als een ontvangstruimte ingericht en aan de buitenzijde van het gebouw werd een sober ontvangstgebouw met vestiaire, sanitair en andere voorzieningen toegevoegd. Met het koninklijk bezoek op 23 januari 1929 ter gelegenheid van de viering van 350 jaar Unie van Utrecht werd ook het einde van de restauratie plechtig gevierd. Toch dienden daarna tot 1931 nog kleine werken te worden uitgevoerd.
Het laatste en zestiende hoofdstuk: Op Utrechtse grond (1932-2014) gaat in op de aanleg van de ruimte rond de toren, het redden van de klokken tijdens de Tweede Wereldoorlog, kleine herstelwerken aan beiaard en toren, de inrichting van een torenmuseum in de vroegere Egmondkapel en de uitbouw van het torenbezoek als toeristische attractie. In 1990 stond het Rijk definitieve het eigendomsrecht van de toren af aan de Gemeente Utrecht. Niet zonder ontroering eindigt de lopende tekst met de vaststelling dat “de stedelingen nog elke dag trots naar boven kijken. Naar de Utrechtse Domtoren.”
Daarna volgen pp. 432-465 niet minder dan 22 bijlagen, meestal met een synthetisch overzicht van een of ander aspect uit het boek, bijvoorbeeld de evolutie van romaanse naar gotische dom in 24 3D-beelden gebracht, een overzicht van de belangrijkste bouwdata van dom en toren (1253-2013), een overzicht van de evolutie van de beiaard, de namen van de beiaardiers en de randschriften op de klokken. Verder bevat het boek een uitgebreide bronnen- en literatuurlijst (pp. 523-530), een verklarende woordenlijst, een register met geografische namen en een met namen van personen en instellingen.

Wat te denken van dit boek? Het is uitstekend geschreven in een vlotte, levendige en erg toegankelijke stijl. Het boek leest bij wijlen als een spannend verhaal. De noten zijn achteraan samengebracht (pp. 466-514), wat de lay-out en de paginaschikking ten goede zijn gekomen. De tekst is rijk geïllustreerd - een pagina zonder illustratie is de uitzondering. Vaak zijn nog in het blauw gemarkeerde uitweidingen toegevoegd, waarin een of ander nevenaspect de aandacht krijgt. Soms is het wat zoeken tussen al die nevenzaken naar de doorlopende tekst. Omdat zowat alle aspecten van de toren uitvoerig worden behandeld, mist vooral het derde deel vaart in het verhaal. De inhoud van de lopende tekst wordt nog eens hernomen in de uitvoerige teksten bij de afbeeldingen en in de syntheses van de bijlagen. Daardoor lijdt het boek af en toe aan herhaling, vooral voor wie, zoals ik, het boek in een trek heeft doorgenomen. Het boek is uitzonderlijk rijk geïllustreerd met beeldmateriaal uit het archief, met afbeeldingen van schilderijen, tekeningen en foto’s van de dom of met afbeeldingen die de tijdgeest illustreren. Die afbeeldingen zijn van zeer goede kleurkwaliteit en in een mooie en afwisselende lay-out gebracht. Een aparte vermelding verdienen de knappe en zeer talrijke 3D-reconstructies van Daan Claessen. Deze reconstructies vormen een beeldverhaal dat parallel met het tekstverhaal loopt. Ze zijn uiterst instructief om het ruimtelijk en constructief verloop van de bouw van de toren en de omliggende site te volgen. De reconstructies getuigen van accuratesse, zin voor kleurcompositie, aandacht voor lichtinval en oog voor de hoek van waaruit het object bekeken kan worden (vogel-of kikvorsperspectief, inkijk in binnenruimte, etc.). De prachtige afbeelding op de omslag kan hiervoor model staan. Het lijkt soms alsof Claessens als een hedendaagse fotograaf bij het vroegere bouwwerk aanwezig was. Zo wordt de lezer toeschouwer bij de bouwactiviteit. Het gevaar van deze werkmethode is dat de fictie werkelijkheid wordt en dat het besef dat de 3D-reconstructies slechts hypothesen zijn door de kracht van de weergave op de achtergrond geraakt. De auteurs moeten dit ook hebben aangevoeld, vandaar dat pp. 515-522 de ‘Inhoudelijke onderbouwing van de 3D-afbeeldingen’ wordt gegeven.

Wat ik in het derde deel bij de behandeling van de restauratie van de toren in de negentiende en twintigste eeuw wel miste, is de toenmalige visie van de Nederlandse samenleving op het behoud en restaureren van historische, vooral middeleeuwse gebouwen. In België werd direct na de onafhankelijkheid al in 1835 de Koninklijke Commissie voor Monumenten opgericht en was het restaureren en voltooien van vooral gotische monumenten een zaak van nationaal belang en een middel om de natie een verleden en een identiteit te geven. Ook in Duitsland zien we met de voortbouw aan de torens van de dom van Keulen (1842-1884), aan de gotische torens van Ulm (1881-1890) en Regensburg (1859-1869) een nationaal enthousiasme groeien voor dit als typisch Duits beschouwd gotische torenerfgoed. Heeft het te maken met het calvinisme dat de belangstelling voor de gotiek in Nederland moeizamer wortel schoot en te Utrecht het definitieve herstel van de toren zo laat op gang kwam? Pas in 1903 kent Nederland een Rijkscommissie voor de inventarisatie van monumenten en pas in 1961 is er een Rijksmonumentenlijst met daarop de Utrechtse domtoren. Is het toeval dat de promotors van de Nederlandse monumentenzorg twee Limburgse katholieken waren (Cuypers en Victor de Stuers)? Welke weerklank vond de restauratie van de Utrechtse toren in de rest van Nederland? Andere vragen betreffen de actualiteit en de toekomst. Hoe innig identificeert zich de Utrechtse multiculturele bevolking van vandaag met een gotische toren als stadssymbool? Hoe zwaar weegt de aanwezigheid van de toren op de toekomst van het omliggende stadsdeel? Is er een hoogtebouwverbod tot een bepaalde perimeter om de historische skyline van de oude stad te behouden? Veel steden drukken vandaag hun identiteit uit door futuristische hoogbouw of spectaculaire architectuurprojecten die als nieuw icoon voor de stad fungeren. Hoe zit het met de verhouding tussen bouwkundig erfgoed en stadsbeeldbepalende hedendaagse architectuur te Utrecht?

Het boek is in de eerste plaats geschreven voor die Utrechtenaren die alles over hun toren willen weten en daar een innige band mee hebben. Maar ook niet-Utrechtenaren kunnen met groot profijt uit dit boek leren, dat grote aandacht schenkt aan vergelijkingen met middeleeuwse torenbouw elders in de Nederlanden en het Rijngebied, heel wat informatie bevat over de algemene politieke en religieuze geschiedenis van Utrecht en Nederland en veel details geeft over het functioneren van het bouwbedrijf over de eeuwen heen. Al bij al een inhoudelijk rijk en gevarieerd boek, meeslepend geschreven, schitterend geïllustreerd en zeer verzorgd uitgegeven. Het zal zowel de specialist als de geïnteresseerde leek bekoren. Uitgegeven in februari 2014 is het boek al in maart 2014 aan de tweede druk toe.

Dirk Van de Perre