Kartuizerinvloed op het laatmiddeleeuwse geestelijk leven

Fish out of water.gif

Rolf de Weijert - Stephen Molvarec & Tom Gaens (eds.), A Fish Out of Water? From Contemplative Solitude to Carthusian Involvement and Pastoral Care and Reform Activity. Miscellanea Neerlandica 41 / Studia Cartusiana 2 (Leuven: Peeters 2013). ISBN 978-90-429-2980-7

Sinds begin eenentwintigste eeuw beleeft het onderzoek naar de kartuizerorde in de Nederlanden een renaissance. Verschillende symposia, studies en een tentoonstelling werden al aan de strenge orde van de zwijgende monniken gewijd.

Een belangrijke rol bij de opleving van het kartuizeronderzoek is weggelegd voor de Stichting Cartusiana die allerlei activiteiten ontplooide op het gebied van kartuizeronderzoek. Een van die activiteiten is de reeks Studia Cartusiana. In die reeks verschijnen met regelmaat bundels en monografieën over de kartuizerorde. A Fish Out of Water? From Contemplative Solitude to Carthusian Involvement and Pastoral Care and Reform Activity is het tweede deel in de reeks. De bundel bevat bijdragen van het Cartusiana symposium Ordo pre ceteris commendatus dat in september 2008 in de kartuis van Zelem werd gehouden. Daarnaast zijn enkele lezingen opgenomen uit sessies gewijd aan kartuizergeschiedenis, georganiseerd door Cartusiana, tijdens het International Medieval Congress in de periode 2009-2012.
A Fish out of Water? telt in totaal negen bijdragen, waarvan drie in het Nederlands en de overige zes in het Engels. De bundel opent met twee forse bijdragen van de redacteuren, waarin – zo valt in het voorwoord te lezen – ook de discussies zijn verwerkt die naar aanleiding van de lezingen ontstonden. Op deze manier willen de redacteuren de bijdragen in de bundel plaatsen in het historische en culturele perspectief. Stephen Molvarec bijt het spits af met een bijdrage over de relaties die de kartuizers in de volle Middeleeuwen onderhielden met de buitenwereld. De laatste jaren is de idee dat de kartuizers zich volledig van de wereld afzonderden – een beeld dat de orde zelf cultiveerde – enigszins onder druk komen te staan. De kartuizerorde zag zich, al was het maar om het voortbestaan van de afzonderlijke kloosters te waarborgen, al vanaf het begin genoodzaakt contacten te leggen met de buitenwereld. Ook de invloed van de orde op andere religieuze instellingen en stromingen, zoals onder meer de Moderne Devotie, begint in het onderzoek steeds duidelijkere contouren te krijgen.
Molvarec laat de interactie zien tussen de kartuizerorde en de kerkelijke en seculiere overheden in de 12e en 13e eeuw, toen er in de Nederlanden overigens nog geen kartuizerkloosters waren. Hij plaatst dit binnen het kader van de richtlijnen van de kartuizerorde (Consuetudines), geschreven door Guigo tussen 1120-1128, de kartuizerbisschoppen uit de 12e en 13e eeuw, de contacten met de buitenwereld door middel van (stichtelijke) brieven in de 12e eeuw, en de vestiging van de eerste kartuizerkloosters nabij steden in de 13e eeuw. Oftewel van het ideaalbeeld van de afzondering, zoals beschreven door Guigo, via de publieke functie van enkele kartuizers, tot de meer actieve interactie met de buitenwereld via kartuizerkloosters in de bewoonde wereld.
Tom Gaens gaat in de tweede bijdrage uitgebreid in op de invloed van de kartuizers op de monastieke hervormingsbewegingen uit de late middeleeuwen. Hij doet dit door te kijken naar de invloed van de kartuizers op anderen via het geschreven woord en – weliswaar in mindere mate – via kartuizernetwerken. In de veertiende en vijftiende eeuw groeide het aantal kartuizerkloosters in met name de Nederlanden en de Duitse gebieden sterk. Tegelijkertijd diende de strenge kartuizerorde als inspiratiebron voor reeds bestaande en nieuwe religieuze orden. Aan de hand van vele voorbeelden toont Gaens de invloed van de kartuizers op de verschillende hervormingsbewegingen. Invloedrijke veertiende- en vijftiende-eeuwse kartuizerauteurs zagen hebzucht (en vooral privébezit) als het kernprobleem binnen de kloosterorden. Met name de Moderne Devotie, de reguliere kanunniken (Kapittel van Windesheim), de tertiarissenbeweging, kruisheren en de congregatie van Sibculo hebben veel overgenomen van de kartuizerorde, zowel van de gebruiken als van het gedachtegoed. Daarnaast zijn er verschillende voorbeelden waarin kartuizers een actieve rol speelden bij de oprichting of hervorming van religieuze gemeenschappen. Verder inspireerde het ook diverse leden van die gemeenschappen om over te stappen naar de kartuizerorde.
Gaens besteedt ruime aandacht aan de geschriften en traktaten die voortkwamen uit de concilies van Konstanz (1414-1418) en Bazel (1431), met daarin duidelijke invloeden uit het gedachtegoed van de kartuizers aangaande armoede en privébezit (in kloosterorden), en onthouding van vlees. Ook de kartuizerinvloed op de vijftiende-eeuwse monastieke theologie komt aan bod. In vele kloosterbibliotheken is het werk van kartuizerauteurs aan te treffen. Gaens merkt op dat veel monastieke theologische traktaten uit de vijftiende eeuw nog nauwelijks zijn onderzocht en dat daarom de kartuizerinvloed hierop veelal onderschat is. Het thema van de kartuizernetwerken behandelt Gaens door het traceren van kartuizerwerken in andere kloosterbibliotheken, alsook door enkele kanunniken en leden van andere kloosterorden voor het voetlicht te brengen die nauwe banden onderhielden met de kartuizers. Tevens behandelt hij een aantal kartuizers die de eenzaamheid van de kloostercel opgaven om hervormingen in andere kloosterorden (veelal in Duitsland) te leiden. Met zijn artikel laat Gaens duidelijk zien dat de contemplatieve kartuizers in de late middeleeuwen zeker geen isolationisten waren en dat er nog een onontgonnen onderzoeksgebied is naar de kartuizerinvloed op het religieuze leven in de vijftiende eeuw.
Rob Faesen gaat in zijn bijdrage in op de achtergronden waarom de kartuizers in Herne in 1362 Jan van Ruusbroec, prior van Groenendaal, uitnodigden om enkele aspecten van de contemplatieve theologie te bediscussiëren. Dikwijls wordt aangenomen dat Ruusbroec door de kartuizers ter verantwoording werd geroepen over zijn denkbeelden, maar Faesen zet in deze bijdrage uiteen dat Ruusbroec juist als specialist werd gehoord door de kartuizers om zo hun eigen ideeën daarover te scherpen. Ruusbroec gold als autoriteit op het gebied van de mystieke theologie en de kartuizers wilden graag verduidelijking over zijn theologische opvattingen over de eenwording met god. Deze was enigszins onder vuur komen te liggen nadat paus Johannes XXII in 1329 een bul uitvaardigde waarin hij bepaalde denkbeelden over mystiek van de Duitse dominicaan Eckhart veroordeelde, wat consequenties had voor de theologische mystiek in het algemeen.
Rudolf Th. M. van Dijk beoogt in ‘Tussen kartuizers en cisterciënzers. De brieven van Geert Grote aan de abdij van Kamp’ in te gaan op de vraag in hoeverre Geert Grote als intermediair te beschouwen is tussen de kartuizers – waar hij enige tijd verbleef en een deel van zijn theologische training ontving –, en de cisterciënzers die zich door Grote lieten inspireren. Veel aandacht gaat uit naar de uiteenzettingen van Grote in de brieven over privébezit onder kloosterlingen, en het hoofddoel van het kloosterleven. Van Dijk concludeert vervolgens dat Grote goed was thuisgeraakt in de praktijk van het kartuizerkloosterleven, helaas zonder verdere onderbouwing. Ook in de slotbeschouwing over de uitwerking van de brieven op de cisterciënzerabdij van Kamp en de hervormingen binnen de cisterciënzers komen de kartuizers eigenlijk nauwelijks aan bod. De bijdrage wordt afgesloten door een editie en vertaling van twee van de brieven van Geert Grote.
In ‘In hoc praecedunt Carthusienses. Radulph de Rivo and the Cartusian Liturgy’ laat Pieter Mannaerts zien dat historicus en liturgist Radulph de Rivo (†1403), deken van het kapittel van de Onze-Lieve-Vrouwe-kerk in Tongeren, bekend was met de kartuizerliturgie die hij soms als exemplarisch en soms als te streng beschouwde. Vooral in De canonum observantia (1397) komt zijn kennis van de kartuizerliturgie goed tot uiting, maar – zo betoogt Mannaerts – De Rivo had waarschijnlijk al in de jaren tachtig van de veertiende eeuw kennisgenomen van de kartuizerrite, toen het kapittel correspondeerde met het kartuizerklooster van Luik over de liturgie van het Feest van de Visitatie van Onze-Lieve-Vrouw. Hij komt tot deze conclusie op basis van een verwijzing naar de Luikse kartuis in een passionale van het Tongerense kapittel.
De artikelen van Hildo van Engen en Krijn Pansters hebben allebei Dionysius de Kartuizer tot onderwerp, hoewel beiden een andere invalshoek hebben (historisch versus theologisch). Van Engen bespreekt in ‘Dionysius de Kartuizer en de tertiarissen van het kapittel van Zepperen’ twee traktaten uit het omvangrijke oeuvre van Dionysius. Deze traktaten schreef hij op verzoek van de broeders van de Derde Orde van Sint-Franciscus (tertiarissen) in het bisdom Luik (het kapittel van Zepperen). Van Engen schetst de historische achtergrond van de oprichting van het kapittel van Zepperen in 1435 dat grote overeenkomsten vertoonde met het Kapittel van Utrecht dat in 1399 in het leven werd geroepen. Verder bespreekt hij de inhoud van de twee traktaten en de aanleiding om de traktaten op te laten stellen; het streven naar eenheid binnen het kapittel door de hervormingsgezinde minister-generaal van het kapittel, Bartholomeus Opstegen. Ook de keuze voor Dionysius als auteur van de traktaten past volgens Van Engen in het beeld van diens hervormingspolitiek.
Krijn Pansters gaat dieper in op Dionysius’ opvattingen betreffende het spanningsveld tussen het contemplatieve en het actieve leven, en dus min of meer de theologische onderbouwing van het thema van de bundel. Een belangrijke rol is daarbij weggelegd voor de deugd discretio, d.w.z. inzicht en het vermogen om het juiste oordeel te vellen en op die manier goed te leven. Pansters bespreekt Dionysius’ mystieke theologie met betrekking tot discretio en de invloeden van andere auteurs op Dionysius denkbeelden.
Geert H.M. Claassens onderzoekt in zijn bijdrage de betrokkenheid van de kartuizers bij de verspreiding van de cultus van Catharina van Siena (†1380). Die verbintenis tussen Catharina en de kartuizers begint al bij haar biechtvader, Stephanus Corradi de Maconi, die op verzoek van Catharina na haar dood in de kartuizerorde intrad en later zelfs prior-generaal van de orde werd. Hij speelde ook een rol bij de verspreiding van de cultus van Catharina, aangezien hij tijdens de periode dat hij prior-generaal was werk van en over Catharina naar verschillende plaatsen en personen in Europa stuurde. Zo stuurde hij een exemplaar van haar vita naar Gent. Dit handschrift is niet bewaard gebleven, maar er zijn wel drie Latijnse handschriften uit de Lage Landen overgeleverd en zeven Middelnederlandse vertalingen. Daarnaast zijn er nog verschillende verwijzingen naar verloren gegane handschriften bekend. De handschriften zijn niet alleen afkomstig uit kartuizerkloosters. Daarom kan Claassens weliswaar concluderen dat de kartuizers een belangrijke rol speelden bij de verspreiding van de cultus van Catharina, maar niet dat deze een exclusieve kartuizeraangelegenheid was.
In de laatste bijdrage gaat Frans Gooskens in op de netwerken van twee curialen: Anselmus Fabri (†1449) en Nicolaas van Cusa (†1464). Afgezien van de Romeinse curie waren zij ook actief in hun thuisland: Fabri was actief in en om Breda en Antwerpen en Van Cusa in het Rijnland (Trier). Beide curialen onderhielden nauwe banden met leden van de Moderne Devotie en de kartuizerorde met wie ze dikwijls samenwerkten voor het oprichten en het beheer van enkele hospitalen en apostelhuizen. De kartuizer- en Windesheimer priors waren beter geschikt dan de wereldlijke curialen om het ideaal van de sobere levensstijl uit te dragen. Sommige hospitalen en apostelhuizen hadden duidelijke overeenkomsten met kartuizerarchitectuur en de kartuizerorganisatiestructuur van de donaten. Hierdoor kon het surplus aan donaten in kartuizerkloosters en in Windesheimerkloosters gereguleerd worden.
A Fish Out of Water is een gevarieerde bundel met bijdragen die verschillende, soms wat subtiele, aspecten van de kartuizerbemoeienis met de buitenwereld belichten. Niet altijd lukt het de auteurs echter om die wisselwerking overtuigend neer te zetten, in andere gevallen lukt dat wel. Verder valt Molvarec’s bijdrage, hoe interessant ook, enigszins buiten boord, aangezien deze bijdrage betrekking heeft op de kartuizergeschiedenis van voor de tijd dat er kartuizerkloosters in de Nederlanden waren (elfde tot dertiende eeuw), terwijl de overige bijdragen zich vooral richten op kartuizergeschiedenis in de Nederlanden. Wel illustreert de bijdrage duidelijk de ontwikkeling van de kartuizers als kluizenaars naar een meer actieve rol in de middeleeuwse maatschappij. Al met al biedt de bundel interessante inzichten die nieuwsgierig maken naar verder onderzoek.