Vijftiende-eeuwse convocatielijsten voor de Staten van Brabant: ook leerrijk voor de clerus?

Janick Appelmans – Mario Damen, ‘Prelaten, edelen en steden. De samenstelling van de Staten van Brabant in de vijftiende eeuw’, in: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis 182 (2016), p. 5-274.

In de jaargang 2016 van de Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis verschenen twee studies, waarvan de uitgebreid gedocumenteerde, bijna boek vullende bijdrage van Mario Damen over de samenstelling van de Staten van Brabant. Deze studie verdient omwille van twee redenen onze aandacht: enerzijds omwille van het belang van de eerste stand in de statenvergadering en anderzijds omwille van de achterstand in dit segment van het historisch onderzoek, die het hertogdom heeft ten opzichte van bijvoorbeeld het graafschap Vlaanderen.

Damen bouwde zijn bijdrage op rond het onderzoek naar en de editie van vier convocatielijsten en enkele, exemplarisch gekozen, convocatiebrieven en wil hiermee een overzicht geven van de samenstelling van de representatieve instelling in de vijftiende eeuw. In de tweede bijdrage in de Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis van 2016 handelt Sara Moens over de visie van de twaalfde-eeuwse benedictijn Guibert van Gembloers op auteurschap en op het verval van het traditionele kloosterwezen.1

In tijden van Facebook, Google en LinkedIn is het nauwelijks meer voor te stellen, maar nog geen veertig tot twintig jaar geleden gaf de ondernemer Rik Decan verschillende, telkens bijgewerkte edities van Wie is wie in Vlaanderen uit. Aan zulk een who is who had een middeleeuwse vorst ook nood bij delicate dynastieke opvolgingen zoals bij de overlijdens van Johanna van Brabant (1355-1406) en Antoon van Bourgondië (1406-1415). Een derde convocatielijst ontstond nadat de Staten-Generaal in het voorjaar van 1464 overhaast door zowel hertog Filips de Goede (1419-1467) als zijn zoon Karel van Charolais (1467-1477) bijeen waren geroepen om te beslissen aan wie het landsbestuur toekwam bij afwezigheid van de hertog die op kruistocht wilde gaan.2 Ongetwijfeld staat de vervaardiging van de lijst van 1489 in direct verband met de beëindiging van de opstand onder leiding van Filips van Kleef (°1459-†1528). De vorstelijke kanselarij stelde de lijsten op, die bewaard bleven in administratieve registers, met daarin ook lijsten van regionale en lokale gerechtsofficieren en ambtenaren, lijsten van geestelijken binnen en buiten de traditionele eerste stand, formulieren of opsommingen met de exacte titulatuur van hoogwaardigheidsbekleders.

De convocatielijsten volgen de administratief-geografische indeling van het hertogdom, per hoofdmeierij met achtereenvolgens de meierij van Leuven, de ammanie van Brussel, de meierij van Tienen, de meierij van ’s-Hertogenbosch, het markgraafschap van Antwerpen en het baljuwschap van Waals-Brabant. Deze regionale indeling was de bestelling van de oproepingsbrieven door de bodes ter wille. Via zijn convocaties riep de landsheer de prelaten en edelen op om persoonlijk te komen, terwijl de stadsbesturen een uitnodiging ontvingen om gedeputeerden te zenden. Het is sterk de vraag of de zowat zes- tot achthonderd afgevaardigden die opgeroepen werden ook effectief opdaagden. In dat opzicht, zo meent Damen, lijkt een kleine tweehonderd deelnemers, op basis van de lijst van 1489, een realistischer aantal.

De oproepringlijsten bevatten voor de geestelijke of eerste stand altijd een vaste groep van net geen twintig abten, priors en meesters. In 1489 is de lijst uitgebreid tot alle in het hertogdom bedeplichtige binnen- en buitenlandse kloosters. Hoewel de grootte van de adellijke elite min of meer stabiel bleef in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw, laten de lijsten toe om de verschuiving te detecteren van een drieledige gelaagdheid, initieel tussen baanrotsen die onder een eigen banier een compagnie aanvoerden, ridders en knapen, naar een Bourgondische tweede stand, waar aan de ridderslag een belangrijke uitstraling en betekenis toegekend werd en de titel baanderheer in onbruik raakte. Via het (buiten)poorterschap van vooral Brussel, dat vanaf de veertiende eeuw een steeds belangrijkere hertogelijke residentie werd, nam de verstrengeling tussen de tweede stand en de steden toe. Damen ziet een zekere opsplitsing waarbij de hoge adel zich verenigde in de tweede stand, terwijl de lagere edelen eerder vertegenwoordigd werden in de derde stand. De ruggengraat van deze derde stand vormde een wisselend aantal van twaalf tot eenentwintig steden, die ook in andere lijsten opgesomd stonden. Gedurende de vijftiende eeuw bleef het aantal vrijheden of plaatsen die zekere privileges van de landsheer of een lokale heer hadden ontvangen, maar het inwonersaantal en economisch potentieel van een kleine stad misten, stabiel.

De participatie aan de vergaderingen van de Staten van Brabant was in de late middeleeuwen aan veranderingen onderhevig. Terwijl er steeds minder edelen werden opgenomen in de convocatielijsten, steeg het aantal prelaten, steden en vrijheden. In werkelijkheid, zo betoogt Damen, nam het aantal aanwezigen sterk af in loop van de vijftiende eeuw en evolueerden de Staten van Brabant mogelijk al in de richting van een standenvertegenwoordiging.

In de volgende alinea’s willen wij, geheel in de lijn met de thematiek van de Signumcontactgroep, dieper ingaan op de convocaties van prelaten, hun identificatie en de samenstelling van de geestelijke stand in de Brabantse staten.

De kern van geestelijken die steevast in de oproepingslijsten voorkwamen, zouden de hoofden van de latere statenabdijen uitmaken: de benedictijner prelaten van Affligem en Vlierbeek, hun cisterciënzer collega’s van Sint-Bernards aan de Schelde en Villers en de premonstratenzer abten van Averbode, Berne, Dielegem, Grimbergen, Heilissem, Park, Sint-Michiels te Antwerpen en Tongerlo. In de lijst van 1406 identificeert Damen de “Propositus Sanctae Gertrudis Lovanii” op p. 70 middels noot 3 verkeerdelijk als “prior van Sint-Geertrui te Leuven”. De oorzaak ligt waarschijnlijk bij de convocatielijst van omstreeks 1415, waar op de derde plaats “de prioor van Sinte Geertruyden te Lovenen” (p. 133) figureert. Zoals we verder nog zullen zien, waren hertogelijke ambtenaren niet onfeilbaar en worden hun vergissingen niet altijd door de uitgevers ontdekt. Na zijn promotie in 1450 werd de proost van de reguliere kanunniken van Sint-Geertrui te Leuven in 1489 als abt aangeschreven.3 Leerrijk is alleszins dat de abt van Gembloers, die zich als territoriale heer voor de adel zag zetelen, door de hertogelijke functionarissen steeds als lid van de eerste stand opgetekend werd, terwijl de abdis van Nijvel, vasthoudend aan de fictie dat zij rechtstreeks vazal was van de keizer, nooit op de convocatielijsten stond, ook niet in 1489 (p. 162).4

Bovenop deze vaste waarden voor de clerus werden steevast, behoudens de convocatielijst van 1464 die de eerste stand geheel oversloeg, ook de prior van Scholierendal te Zoutleeuw, de meesters van de johannieters in Chantraine en de norbertijnen te Postel, de prior van de benedictijnen te Bierbeek of nog de prior van de norbertinessen van Gempe in de lijsten opgenomen. De meester van de hospitaliter Sint-Janscommanderij van Chantraine, gelegen te Huppaye, maar beschikkend over een uitgebreid grondbezit, 5 staat in 1406 en 1415 onder de prelaten van Waals-Brabant, maar in 1489 wordt hij bij de edelen van de meierij van Leuven gerekend. Verwijzend naar Die alder excellenste cronyke van Brabant, die leest dat “de commandeur gaet te rade metten Staten van Brabant op die zijde vanden banyerheeren oft oec metten prelaten” (p. 47), maakt Damen duidelijk dat tijdgenoten zich bewust waren van de ambivalente positie van deze commanderij.

Wat de eerste stand betrof was de scoop van de convocatielijst van 1489 veel ruimer. Zowat iedereen die bedeplichtig was, werd opgenomen. De lijst bevatte daarom eveneens de cisterciënzer abdissen van Binderen bij Helmond, Florival te Archennes, Maagdendal te Oplinter, Mariëndal te Rotem, Nazareth bij Lier, het Naamse Salzinnes, Ter Kameren, Vrouwenpark te Rotselaar en Woutersbrakel, hun benedictijner collegae van Groot-Bijgaarden, Kortenberg en Vorst en de priorin van de reguliere kanunnikessen van Hooidonk bij Nederwetten. Wat het ook vermelde Antwerpse Falcontinnenklooster betreft, willen we erop wijzen dat dit, aangezien het tot de congregatie van Windesheim behoorde, geleid werd door een priorin (zoals in noot 558 op p. 155), en er dus geen sprake kan geweest zijn van een “abdis van Mariëndal (of Valkenbroek)”, zoals weergegeven op p. 44.6 Aan de basis van deze andere titulatuur ligt mogelijk de hertogelijke kanselarij die in 1489 “Facuwez” (p. 155) bij de abdissen van het markgraafschap Antwerpen plaatste. In tegenstelling tot wat Damen (op p. 44) aangeeft, is de priorij van Sainte-Marie de Bertrée geen cisterciënzer, maar een cluniacenzer en dus benedictijner priorij. Na de schenking aan Cluny in 1124 bleef het klooster bestaan tot het in 1560 toegevoegd werd aan de mensa episcopalis van het nieuw opgerichte bisdom Namen.

Eveneens op de lijst van 1489 stonden de meesters van de bijhoven van Beausart (Aulne), Hubaumont (Saint-Feuillien), ter Kiesen (Hastière), Lieshout (Floreffe) en Renissart (Ninove). Bij de identificatie van sommige hoven slaat de uitgever de bal mis. Ter Kiesen (p. 164, noot 635), een exploitatie van de Naamse benedictijnenabdij van Hastière aan de Maas, wordt algemeen in Waals-Brabant (p. 259) gesitueerd, terwijl de Franse vertaling La Chise duidelijk maakt dat deze hofstede gelegen is te Piétrebais.7 De cisterciënzer uitbating van Beausart (p. 165, noot 636) wordt ten onrechte gesitueerd als een hof kort bij de Henegouwse abdij van Aulne (p. 196) waartoe het behoorde, terwijl zij in werkelijkheid 50 kilometer daar vandaan gelegen is te Bossut-Gottechain.8 Een soortgelijke identificatie (p. 226) speelt voor het bijhof van Hubeaumont (p. 162, noot 618) dat de Henegouwse premonstratenzers van Saint-Feuillien toebehoorde. Hubeaumont, overgekocht van de cisterciënzers van Villers in 1153 na een dispuut waarbij de paus en zelfs Bernardus van Clairvaux (°1090-†1153) betrokken raakten, ligt niet bij de abdij, maar zowat vijftien kilometer naar het noordoosten, in Arquennes.9 In datzelfde dorp is eveneens het hof van Renissart (p. 162, noot 619) gelegen, dat de Vlaamse norbertijnenabdij van Ninove toebehoorde, maar zich dus ook niet onder de abdijtoren (p. 248-249) situeerde.10 Dat deze identificatie mis liep, is betreurenswaardig daar het in 2016 uitgegeven kaartboek van Renissart in het archief van de Parkabdij bewaard wordt.11

In de convocatielijst van 1489 werden ook grote religieuze instellingen van buiten het hertogdom, maar met Brabants bezit, opgenomen. Het betrof de benedictijner abdijen van Lobbes en Sint-Truiden, het cisterciënzer convent van Cambron, het klooster van de reguliere kanunniken van Flône of de norbertijner abdijen van Bonne-Espérance en Floreffe. De vermelding van de prior van de reguliere kanunniken van Oignies aan de Samber in de lijst van 1489 mogen wij niet als buitenlands bestempelen, daar het domein van het klooster van Oignies, samen met de heerlijkheid Aiseau tussen 1353 een 1357 definitief als Brabants erkend werd, na meer dan een eeuw twisten tussen de hertog en de graaf van Namen.12

Met hun aanzienlijke goederenbezit vertegenwoordigden de genoemde prelaten grote delen van het platteland van het hertogdom Brabant. De bedelorden ontbreken volledig, net als de seculiere kapittels, die evenzeer buiten alle hertogelijke belastingen bleven. De landcommandeur van Alden Biezen bij het tweeherige Maastricht, die ook werd gerekend tot de Brabantse prelaten, en de proosten van Koudenberg, Genappe en het onder Corbie ressorterende Widooie bij Tongeren, zijn andere opvallende afwezigen, net als de cisterciënzer abdissen van La Ramée en Valduc.

Nog meer dan voor de adel en de steden en vrijheden geven de convocatielijsten voor de clerus een stabiel beeld. Dat statische karakter van de eerste stand wordt ook benadrukt door een erg eenzijdig gebruik van bijna enkel het Monasticon belge voor het identificeren van de geconvoceerde prelaten. De laatst gepubliceerde volumes, die de provincie Antwerpen bestrijken, zijn inmiddels bijna een kwart eeuw oud, terwijl de boekdelen voor de toen nog unitaire provincie Brabant van de jaren 1960 en begin jaren 1970 dateren. Voor verschillende abdijen verschenen inmiddels nieuwe overzichtswerken en diverse prelaten kregen een eigen biografie. Dat laat zich helaas ook gevoelen in de identificatie van premonstratenzer abten en proosten, die door hun bondigheid in schril contrast staan met de uiterst goed gedocumenteerde beschrijvingen van de adellijke geconvoceerden.

De abdij van Heilissem is steeds een abdij in de marge geweest, kort bij de Luikse enclave Hoegaarden gelegen en op een tiental kilometer van de (Kleine) Gete en de Zevenborrenbeek die het grensgebied van Brabant met het prinsbisdom Luik vormden. Ook in het historisch onderzoek bleef de bijdrage van Milo Koyen in het Monasticon belge een halve eeuw onbetwistbaar de overzichtsmonografie.13 Sinds de publicatie Heylissem van Joseph Tordoir met medewerking van Catherine Henin, Marie Van Eeckenrode en Eric Meuwissen is daarin verandering gekomen.14 Voor de identificatie van abt Jean de Hognoul (1393-1417) had evenzeer naar dit werk verwezen kunnen worden.15 Hoewel niet expliciet besproken in het boek van Tordoir, verdient Zeger Claes van Bunsbeek (1457-1500, op p. 159 in noot 593) beter dan de vermelding van de leenroerige heerlijkheid Neerheylissem en een ander hertogelijk leen te Kappendaal of Chapeauveau, de plaats waar eertijds het zusterklooster van Heilissem gevestigd was. Zo was hij één van de zes abten die op 28 mei 1477 namens de statenabdijen aan hertogin Maria van Bourgondië meldden dat zij bij de redactie van een nieuw landsprivilegie niet konden instemmen met enige bepaling die indruiste tegen de kerkelijke vrijheden. 16 De prelaten, die slechts na lang aandringen een afschrift van de ontwerptekst van de Blijde Inkomst hadden gekregen, meenden dat vooral de druk en de voortvarendheid van de steden kon leiden tot inbreuken op de kerkelijke immuniteit. Het uitzichtloze van hun pogingen inziend, staakten zij hun oppositie. Bovendien vreesden zij voor geweld vanwege de hen omringende Leuvense stadsbevolking, aangezien zij in het abtskwartier van Sint-Geertrui vergaderden. Tot de andere deelnemers aan deze belangrijke bijeenkomst van Brabants eerste stand behoorden Gerard Van Eyck (p. 157, noot 575) van Floreffe (1465-1492), Diederik van Tuldel (p. 147, noot 509) van de Parkabdij (1462-1494) en Bartholomeus van den Valgaet (p. 147, noot 511) van Averbode (1473-1501). De akte die van de vergadering opgemaakt werd, vermeldt bij de afwezigen onder anderen Goswijn Herdincx (p. 151, noot 528) van Affligem (1457-1493), Maarten Blijleven (p. 155, noot 556) van de Sint-Bernardsabdij (1468-1498) en Roland Piquot (p.151, noot 530) van Dielegem (1470-1501).17

Voor Tongerlo werd de basistekst van de in 1977 overleden abdijarchivaris Milo Koyen voor het Monasticon belge in 1994 grondig bijgewerkt door diens opvolger Leo Van Dyck.18 Van de hand van de begin 2017 overleden kanunnik Van Dyck, is ook een Nederlandstalige geannoteerde prelatenlijst met biografische notities, die hij inhoudelijk en bibliografisch tot 1999 bijwerkte.19

Wat de abdij van Grimbergen betreft, willen we wijzen op de uitstekende, maar ondergewaardeerde studie van Constant Spillemaeckers.20 Dankzij een uitgebreide bronnenlectuur geeft deze monografie als enige goede inzichten in de vijftiende-eeuwse abdijgeschiedenis, bijvoorbeeld door een correcte situering van de kerkrechtelijke contouren van pogingen van Joos Bruylant om het abbatiaat te verwerven.21 Zijn hoofdstukken voor de regeringen van Gillis van Boechout (1400-1416) en Arnold Persoons zijn dan die van het Monasticon belge.22

Voor één van de belangrijkste Brabantse premonstratenzer prelaten van de vijftiende eeuw, Diederik van Tuldel, die van 1462 tot 1494 aan het hoofd van de Parkabdij stond, zijn er zelfs twee biografieën ter beschikking.23 Voor zijn identificatie volgt Damen Albert D’Haenens die in zijn notitie in het Monasticon belge zowat de enige moderne historicus is die de abtsnaam als Thiery de Thulden of dan door Damen terug naar het Nederlands vertaald “Dirk van Thulden” (p. 147, noot 509) weergeeft.24 Deze schrijfwijze komt namelijk nauwelijks voor in de honderden middeleeuwse bronnen, die zich in de zelfde archiefruimte bevinden als de convocatiebrieven voor de abten van Park die Damen uitgegeven heeft.25 Naast de vele Latijnse en Nederlandse schrijfwijzen treffen we één enkele maal “Thiery de Tulde” en toch minstens één keer “van Thulden” aan.26

Wat het norbertinessenklooster van ’s-Hertogeneiland te Gempe (p. 148, noot 515) betreft, stond Damen voor een schier onmogelijke opgave, omdat zowel de hertogelijke kanselarij in 1489 als de bewerker van het Monasticon belge in 1969 de mist in gingen.27 De vorstelijke functionarissen waren alvast niet bij de les, want in 1489 was het premonstratenzerinnenklooster geen proosdij meer, maar een priorij. Twee jaar eerder, op 26 september 1487 om precies te zijn, had paus Innocentius VIII (1484-1492), op verzoek van Diederik van Tuldel in de statuutswijziging toegestemd.28 Deze handige zet liet de prelaat van de Parkabdij immers toe om via een minder autonome prior de hand te leggen op de Hagelandse parochies van het Gempeklooster.29 Alleszins is de identificatie van de proost met Wouter van Eeswinckel, op gezag van het Monasticon Belge, evenmin correct. De omstreeks 1458 geprofeste kanunnik en in 1463 als theologiestudent aan de Leuvense universiteit ingeschreven Van Eeswinckel lijkt als proost gefunctioneerd te hebben vanaf 1475 tot 1487.30 Dit laatste jaartal is ongetwijfeld een terminus ante quem, aangezien hij in 1487 al de functie van pitancier vervulde en de taak van pastoor in Tervuren opnam.31 Als vertrouwenspersoon van de inmiddels bijna zeventigjarige abt Van Tuldel werd hij in 1488 abdijprior, een waardigheid die hij ook al in 1466 en 1473 vervulde, en in 1489 pastoor van Archennes (of Eerken, zoals Damen pleegt te schrijven).32 Wouter overleed het daaropvolgende jaar en werd onder een vierkante grafsteen nabij de sacristie in de abdijkerk van Park begraven.33

Behoudens vier convocatiebrieven voor Engelbert I van Nassau, heer van Breda, uit de periode van 1424 tot 1427 en drie oproepingsbrieven voor de stad Antwerpen uit 1420 en 1451 sluit de editie af met de uitgave van drie originele convocatiebrieven van hertog Filips de Schone (1482-1506) gericht aan abt Arnold Wyten (1494-1515) van de Parkadij en in het archief aldaar bewaard. Het betreft dagvaarten van de Staten van Brabant te Leuven in 1495, te Brussel in 1499 en wederom te Leuven in datzelfde jaar.

Met meer dan zeshonderd identificaties is de missie van Damen om zoveel mogelijk edelen en prelaten te duiden meer dan geslaagd. Dat wij, vooraleer te besluiten, nog enkele kleine opmerkingen aandragen, doet hieraan in geen geval afbreuk. Zo voelt de verhollandsing van de verwijzing naar de Vlaamse contemporanist Henk de Smaele tot Smaele (p. 40) net iets te bizar aan. Verder wijzen wij op het gebruik van het gallicisme Diverse Handschriften (p. 22, 32, 133, 147 en 175) om het fonds Handschriftenverzameling van het Algemeen Rijksarchief in Brussel te benoemen. De identificatie van de benedictijner prelaat van “Sint Truyden des Goidshuis” in 1489 als de onder de schulden gebukt gaande commende-abt Antoon van Glimes of van Bergen (1483-1516, †1531) 34 kunnen wij volgen, maar zijn broer Hendrik van Glimes (1480-1502) als aartsbisschop van Kamerijk (noot 592 op p. 159) betittelen, is wat voorbarig, aangezien pas onder diens vierde opvolger, Maximiliaan van Bergen (1556-1570), het bisdom Kamerijk in 1559 tot aartsbisdom verheven werd.

Met de editie van de convocatielijsten toont Mario Damen dat hij in vele gebieden beslagen ten ijs komt, van de Meierij tot het Roman Pays, van de hoofdsteden over de kleine steden tot de vrijheden, van de baanrotsen tot de knapen en van de abdijen over de priorijen tot de commanderijen. De sterke punten van zijn uitgave en inleiding zijn de precieze datering van de vier lijsten, het kritische onderzoek met als resultaat de grote betrouwbaarheid van de lijsten, de identificatie van honderden baanrotsen, ridders en knapen met korte biografieën en de verwijzingen naar vaak zeer recente literatuur. Daarbij maakt hij uitstekend gebruik van de vele adelstudies van Paul De Win. Voor de publicatie van vele van deze genealogische adelstudies willen we hoofdredacteur Jaak Ockeley van het jubilerende Eigen Schoon en de Brabander dat in 2017 zijn 100ste jaargang uitbrengt, complimenteren. In tijden van internet en publicatiedruk blijken (meer dan) honderdjarige periodieken als de Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis of regionale tijdschriften een meer dan te vertrouwen baken van fundamenteel wetenschappelijk onderzoek.

  • 1. Sara Moens, ‘Guibert de Gembloux’s “De destructione monasterii Gemblacensis”. Literary Legacy and Issues of Authorship Against the Backdrop of the Decline of Traditional Monasticism’, in: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis 182 (2016), p. 275-301.
  • 2. Zie hierover het niet geciteerde werk van Fernand Vanhemelryck, Europa tegen de Turken. De kruistocht van Filips de Goede (Leuven: Davidsfonds, 2009), p. 234-236.
  • 3. Raymond Van Uytven, ‘Wereldlijke overheid en reguliere geestelijkheid in Brabant tijdens de late middeleeuwen’, in: Bronnen voor de religieuze geschiedenis van België (Leuven: Publications Universitaires, 1968), p. 48-134: p. 89.
  • 4. Van Uytven, art. cit., p. 88-89.
  • 5. Pieter Gorissen, ‘De Karweien der Brabantsche Kloosterhoeven in de XIVe eeuw’, in: Bulletin de la Commission Royale d’Histoire 110 (1945), p. 1-50: p. 41-44.
  • 6. Richard Vaughan, Charles the Bold. The last Valois Duke of Burgundy (London: Longman, 1973), p. 409, waarnaar verwezen wordt, heeft het trouwens over “Sister Agnes”.
  • 7. Gorissen, art. cit., p. 34.
  • 8. Gorissen, art. cit., p. 35.
  • 9. Gabriel Wymans, L’abbaye de Saint-Feuillien du Roeulx, en Hainaut. 1125-1300 [Bibliotheca Analectorum Praemonstratensium 7] (Averbode: Praemonstratensia, 1967), p. 98, 115-116 en 130.
  • 10. Jaak Ockeley (ed.), Kaarten van de abdij van Ninove (1616-1781) (Gent: Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, 2016), p. 30, 61-62, 68-69 en 210-220.
  • 11. Ockeley (ed.), o.c., p. 68.
  • 12. Hervé Hasquin, ‘Aiseau’, in: Hervé Hasquin, Raymond Van Uytven en Jean-Marie Duvosquel (ed.), Gemeenten van België. Geschiedkundig en administratief-geografisch woordenboek 3 (Brussel: La Renaissance du Livre, 1981), p. 1411-1412: p. 1412.
  • 13. Milo Koyen, ‘Abbaye d’Heylissem, à Opheylissem’, in: Monasticon belge IV/3 (Luik: 1969), p. 747-771.
  • 14. Joseph Tordoir (ed.), Heylissem. Histoire d’une abbaye de l’ordre de Prémontré (Wavre: Cercle d’Histoire, de Généalogie et d’Archéologie de Wavre et du Brabant wallon, 2012) 222p; zie de bespreking door Janick Appelmans, ‘Eindelijk aandacht voor een premonstratenzerabdij in de marge’, op: Signum (http://www.contactgroepsignum.eu/node/3356, geraadpleegd op 19/11/2017) en de recensie van J. Tordoir (ed.). Heylissem. Histoire d’une abbaye de l’ordre de Prémontré. Wavre, Cercle d’Histoire, de Généalogie et d’Archéologie de Wavre et du Brabant wallon, 2012, in : Analecta Praemonstratensia 90 (2014), p. 294-300.
  • 15. Tordoir, o.c., p. 50 (als aanvulling bij noot 111 op p. 87).
  • 16. Janick Appelmans, ‘L’art de choisir ses objectifs: La stratégie politique de Thierry de Tuldel (1419-1494), abbé de Parc’, in: Dominique-Marie Dauzet en Martine Plouvier (ed.), Abbatiat et abbés dans l’ordre de Prémontré [Bibliotheca Victorina 17] (Turnhout: Brepols, 2005), p. 275-293: p. 285-286; Raymond Van Uytven, ‘1477 in Brabant’, in: Wim Pieter Blockmans (ed.), 1477. Het algemene en de gewestelijke privilegiën van Maria van Bourgondië voor de Nederlanden [Standen en Landen 80] (Kortrijk-Heule: U.G.A., 1985), p. 253-285: p. 274-275.
  • 17. Heverlee, Abdijarchief Park (voortaan: A.A.P.), R IV, 925.
  • 18. Milo Koyen en Leo Cyriel Van Dyck, ‘Abbaye de Tongerlo’, in: Monasticon belge VII/1 (Luik, 1994), p. 263-375.
  • 19. Leo Cyriel Van Dyck, ‘De prelaten van de abdij van Tongerlo. Historische en juridische kanttekeningen bij de prelatenlijst van de abdij van Tongerlo’, in: Leo Cyriel Van Dyck (ed.), De abdij van Tongerlo. Gebundelde historische studies [Bibliotheca Analectorum Praemonstratensium 19] (Averbode: Praemonstratensia, 1999). p. 43-127: p. 57-58 (als aanvulling bij noot 281 op p. 107) en p. 65-66 (als aanvulling bij noot 573 op p. 157).
  • 20. Contstant L. Spillemaeckers, De abten van Grimbergen tot het einde van de achttiende eeuw, (Grimbergen: Abdijboekhandel, 1978) 136p.
  • 21. Janick Appelmans, ‘“[qu’] ilz facent bon et brief droit”. Les prémontrés brabançons et le recours à la justice diocésaine, ducale et papale au XVe siècle’, in: Martine Plouvier (ed.), Grandes et petites figures de l’ordre de Prémontré. Les prémontrés et la justice. Actes officiels des 36e et 37e colloques du Centre d’Études et de Recherches Prémontrées. Auvergne, 2010 - Normandie, 2011 (Laon: Centre d’Études et de Recherches Prémontrées, 2017), p. 139-160: p. 153-158; Spillemaeckers, o.c., p. 103-108.
  • 22. Spillemaeckers, o.c., p. 94-95 (als aanvulling bij noot 39 op p. 76) en p. 111-114 (als aanvulling bij noot 529 op p. 151).
  • 23. Appelmans, ‘L’art de choisir ses objectifs’, p. 275-293; Norbert Jozef WEYNS, ‘Diederik van Tuldel’, in: Nationaal Biografisch Woordenboek 6 (Brussel, 1974), kol. 921-930
  • 24. Albert D’Haenens, ‘Abbaye de Parc, à Heverlee’, in: Monasticon belge IV/3 (Luik, 1969), p. 774-828: p. 805.
  • 25. Janick Appelmans, ‘Abt Diederik van Tuldel (°1419-†1494): een canonist in theorie en praktijk’, in: Herman Janssens (ed.), Norbertijnen en Wetenschap [Bijdragen van de Contactdag 11] (Averbode: Werkgroep Norbertijner geschiedenis in de Nederlanden, 2001), p. 21-46: p. 24-29; Janick Appelmans, Mijter en Hof. Een biografie van Diederik van Tuldel (1419-1494), abt van Park. Spiegel voor het monastiek leven, Leuven, 1995, onuitgegeven verhandeling, p. 5-6.
  • 26. A.A.P., R IV, 988 en 994.
  • 27. Paulette Pieyns-Rigo, ‘Prieuré de l’Ile-Duc à Pellenberg, puis de Gempe à Winge Saint-Georges’, in: Monasticon Belge IV/3 (Luik, 1969), p. 829-849: p. 842.
  • 28. Abdijarchief Sint-Catherinadal te Oosterhout, Gempefonds, nr. 25; Appelmans, ‘L’art de choisir ses objectifs’, p. 282.
  • 29. Stefan Van Lani, ‘De abdij van Park en haar netwerk van pastorieën’, in: Jean Bastiaensen, Krista Caimo, Brenda Cijffers-Rovers, Jos Hopstaken en Stefan Van Lani, Monumenten van zielzorg. Norbertijnen en hun pastorieën in Brabant van 1600 tot 1850, Leuven, 2010, p. 98-113: p. 102; Stefan Van Lani, ‘De norbertijnenabdij van Park-Heverlee en haar netwerk van pastorieën’, in: Herman Janssens (ed.), Norbertijnse pastorieën in het hertogdom Brabant [Bijdragen van de Contactdag 20] (Averbode: Werkgroep Norbertijner geschiedenis in de Nederlanden, 2010), p. 47-57: p. 51.
  • 30. Appelmans, Mijter en Hof, p. 56-58, 78-80 en 203-204.
  • 31. A.A.P., R VIII, 2, f. 44v-45r.
  • 32. A.A.P., C VII, kastje XXXIII, lias 1, nr. 21.
  • 33. A.A.P., C VII, kastje XXXIII, lias 1, nr. 23; A.A.P., R VIII, 2, f. 45r.
  • 34. Appelmans, ‘“[qu’] ilz facent bon et brief droit”’, p. 146-147.