Boekhistorische en codicologische diamant, die historisch gepolijst dient te worden

BibliotheekPark.gif

Janick Appelmans - Jozefa Van Bragt e.a., Bibliotheek van de Abdij van Park 2 dln (Leuven: Peeters, 2014) 326+285p. ill. 110,00€ ISBN 978-90-429-3167-1

Gedurende meer dan twee decennia inventariseerde Jozefa, genaamd Zeef, Van Bragt de boekencollectie die de Parkheren sinds de heropstanding van hun abdij in 1836 hadden samengebracht. Van hun oude bibliotheek, die zeven jaar eerder grotendeels was geveild, bleven slechts een beperkt aantal boeken over. Toch slaagden de premonstratenzers erin om in de loop van enkele tientallen jaren, onder het beheer van de dynamische bibliothecaris Augustinus Dillen (†1875), opnieuw een volwaardige bibliotheek samen te stellen.

Met een enorm doorzettingsvermogen en een precisie op veel domeinen heeft de in 2011 overleden historica Van Bragt de collectie beschreven en digitaal ontsloten via de catalogus van de Leuvense universiteitsbibliotheek. Daarbij bezorgde zij een uitstekend register met de herkomsten van de boeken. Zij zocht tevens tal van specialisten aan om de verschillende periodes uit de bibliotheekgeschiedenis en de deelcollecties te beschrijven. Al volgde de publicatie pas drie jaar na haar heengaan, toch was zij de inspirator en veruit de belangrijkste contribuant aan de tweedelige bundel Bibliotheek van de Abdij van Park. Deze bespreking zal vooral de bijdragen over de middeleeuwse abdij- en bibliotheekgeschiedenis behandelen.

Pierre Delsaerdt bezorgt een synthese van de ontwikkeling van premonstratenzer abdijbibliotheken (I, p. 17-27) door de eeuwen heen. Voor enkele instellingen vormde de opstand tijdens de zestiende eeuw een breuk. Het calvinistische bewind veroorzaakte de verspreiding van de bibliotheek van de Antwerpse Sint-Michielsabdij en in 1568 vernielde een brand de boekencollectie van Heylissem. Andere premonstratenzer abdijen hielpen bij de wedersamenstelling van gedecimeerde boekencollecties. Wanneer de auteur bij de bespreking van het zeventiende-eeuwse schenkingenregister van de Sint-Michielsabdij "Berne, bij het Nederlandse Heeswijk" (I, p. 23) situeert, is dit een anachronisme, omdat deze abdijgemeenschap uit de buurt van Heusden vanaf 1572 eerst in 's-Hertogenbosch en na de val van deze stad in 1629 tot de opheffing van de kloosters in Vilvoorde verbleef. 1 Pas vanaf 1857 kon het gemeenschapsleven heropstarten in het Noord-Brabantse Heeswijk.

In zijn puik chronologisch overzicht behandelt Stefan Van Lani de geschiedenis van de Parkabdij en haar historische bibliotheek (I, p. 32-49). Net als andere auteurs (zoals Delsaerdt op I, p. 17-18) vermeldt hij de uitbouw van abdijbibliotheken in de vijftiende-eeuwse premonstratenzer kloosters. Bovendien verwijst hij naar de aankopen van boeken en perkament in de abdijrekeningen. Zoals Van Lani terecht stelt op I, p. 36, bezorgen de archiefdocumenten geen informatie over de effectieve inplanting, organisatie en aankleding van de vijftiende-eeuwse bibliotheekruimte en de studiezaal. Daarom baseert hij zich vaak op de in 1662 gedrukte abdijkroniek (P22, II, p. 210) van prelaat Libert de Pape (†1682).

De herkomst van de boeken is voor de middeleeuwse periode onderbelicht. In een geciteerde, doch onuitgegeven licentiaatsverhandeling wordt alvast de verwerving van enkele handschriften en wiegendrukken getraceerd middels literatuur en de abdijarchieven van Park en Tongerlo:2 In 1464 schafte prelaat Diederik van Tuldel (†1494) een gezangenboek met antifonen aan. Hij kocht incunabelen, zoals traktaten van Jean Gerson (†1429), bij uitgevers, als Jan van Westfalen. Vermoedelijk onder zijn impuls publiceerde deze Leuvense drukker in 1481 een commentaar van Hendrik van Someren (†1472) op het eerste deel van de Dialogus van Willem van Ockham (†1347). Van Someren was Van Tuldels compagnon de route op de terugweg van de curie na zijn abtsbenoeming en in het theologische dispuut de futuris contingentibus. Hij legateerde diverse kerkrechtelijke en theologische werken aan de abdij.3 Ook Parkheer Arnold Vincke (†1482) liet de kloosterbibliotheek verschillende boeken na. Abt Van Tuldel beperkte zich niet uitsluitend tot het verwerven van boeken, maar bezorgde Pieter Gerard, de pastoor van Meer in de Noorderkempen, in 1490 een convoluut met theologische werken. Tevens prospecteerde hij de boekenmarkt in opdracht van andere norbertijner kloosters. Voor het Tongerlose convent kocht hij in december 1478 te Keulen een handschrift van het Decretum Gratiani en in augustus 1488 bezorgde hij drie woordenlijsten. In twee recente publicaties leverde Patricia Stoop ook enkele bouwstenen over manuscripten die hun weg vonden naar de Parkadij in de late middeleeuwen.4 In 1475/1476 betaalde de abdij aan het Brusselse Jerichoklooster voor het verluchten en versieren van handschriften. Twee jaar later volgde een betaling voor het corrigeren van twee missalen en nog eens drie jaar later schreef zuster Barbara Cuypermans een prekenbundel voor abt Van Tuldel.

In zijn handgeschreven kroniek, maar vooral in zijn handschriftencatalogus die in het tweede deel van Sanderus' Bibliotheca Belgica (S47-48, II, p. 239) gepubliceerd werd, beweerde abt Johannes Masius (†1647) dat de dertiende-eeuwse Parkbijbel naar de concilievaders in Trente werd gezonden.5 In een kort artikel over die in 1263 in opdracht van broeder Simon van Leuven geschreven eendelige bijbel (I, p. 50-53) en in een uitgebreide studie over de incunabel dat in 1563 naar het concilie gezonden werd (I, p. 86-101), maakt Chris Coppens komaf met deze mythe. Een notitie in de marge van de omstreeks 1470 bij Ulrich Zell te Keulen gedrukte Bulla retractationum (P149, II, p. 218) en de slotzin "Inventa in Monasterio extra muros Civitatis Lovaniensis" in de door de concilievaders gevraagde Bresciaanse druk uit 1563 leveren daarvoor de ultieme bewijzen. Alvast in 1829 konden de Parkheren het niet over hun hart krijgen om de wiegendruk te koop aan te bieden. Met zijn puike analyse wijst Coppens de claim voor de Parkbijbel naar de prullenmand. Toch bezitten de meeste van Masius' notities meer waarde dan Coppens, bijvoorbeeld op I, p. 51, wil toekennen. Hoewel de prelaat en gelegenheidskroniekschrijver doorgaans wel goed geïnformeerd is -getuige zijn meer dan zevenhonderd eigenhandige verwijzingen naar het Parkse abdijarchief en meer dan honderd referenties naar gedrukte boeken-, dienen alvast de beweringen in het Chronicon Ecclesie Parcensis zonder verwijzingen in de marge met een meer dan kritische blik gelezen te worden.6

Coppens' notitie over de in 1509 gedrukte ordestatuten van 1505 (I, p. 28-31) overtuigt minder. Inhoudelijk is deze bijdrage sterk gestoeld op de oerdegelijke speurtocht van de gebroeders Valvekens naar en hun uitgaven van de bewaarde excerpten van de generale kapittels in Analecta Praemonstratensia. De recente publicaties van onder anderen Franz-J. Felten zijn echter onopgemerkt gebleven.7 Zo kan de bewering dat abt Diederik van Tuldel "de paus, Pius II, van toen hij nog Eneo Silvio Piccolomini was" (I, p. 28) kende, met de stand van de huidige historische kennis niet bevestigd worden.8 Zelfs de specialist van Van Tuldels diplomatieke initiatieven moest deemoedig bekennen: "Wanneer Diederik precies de taak van belangenbehartiger bij de Heilige Stoel aanvatte, is niet gekend. Zijn vroegste activiteiten kunnen in 1458 gesitueerd worden. In november van datzelfde jaar …".9 In de wetenschap dat Pius' pausdom met diens verkiezing op 19 augustus 1458 aanving en dat Van Tuldels laatste alibi een vergadering van de academische raad van de Leuvense universiteit uit 1454 was, kan Coppens' bewering enkel gebaseerd zijn op de loutere vaststelling dat de meeste curialen al enkele maanden, zelfs jaren aan de Romeinse curie vertoefden vooraleer ze voldoende affiniteit met de complexe pauselijke administratie hadden om als procuratores aan de slag te gaan.10

In Coppens' bijdrage over de Parkse incunabel dat naar de concilievaders in Trente werd gezonden (I, p. 86-101), komt de aap uit de mouw -helaas aldaar ook weer zonder voetnoten- wanneer gesteld wordt dat Diederik van Tuldel "diplomatieke missies bij het Concilie van Bazel (1431-1437/1449)" (I, p. 91) had vervuld.11 Voor deze bewering, die enkel bij Johannes Molanus aangetroffen wordt, is geen verder bewijs.12 Wel slaagde deze zestiende-eeuwse universiteitsprofessor erin om tot in de twintigste eeuw verwarring te zaaien. De vrijgeleide van 23 april 1424 waarop dom Ursmer Berlière attendeerde bij het uitvlooien van het fonds Diversa Cameralia in de Vaticaanse archieven, behoorde ontegensprekelijk Diederik van Andel (†1433) toe.13 De recente geschiedschrijving maakte duidelijk dat deze laissez-passer onmogelijk voor zijn in 1419 geboren en in 1436 te Leuven als student ingeschreven voornaamgenoot Diederik van Tuldel bestemd kon zijn.14 Beide premonstratenzers behoorden tot de Tongerlose kloostergemeenschap en fungeerden als procurator van de orde. Diederik van Andel nam deel aan het Concilie van Konstanz (1414-1418) en aan het Concilie van Pavia-Siena (1423-1424). Hij was lid van de commissie die in 1424 bepaalde dat zeven jaar later een nieuw algemeen concilie in Bazel gehouden zou worden.15 Diederik van Tuldel voltooide eerst zijn studies te Leuven en Parijs, doceerde vervolgens vier jaar kerkelijke recht te Leuven, alvorens diplomatiek actief te worden in de loop van de late jaren 1450.16

Naar codicologische en boekhistorische invalshoeken kan op de bijdragen van Chris Coppens niets afgedongen worden, maar de inhoudelijke, historische context is bijwijlen ondermaats belicht. De wereldkroniek van de dertiende-eeuwse Zwabische norbertijner proost Burchard van Ursberg (I, p. 84-85), die aan bod komt dankzij een exemplaar van de uitgave van 1540 die eertijds aan de Kortrijkzaan en kanunnik Jan de Hondt (†1571) had toebehoord, werd uiterst grondig bestudeerd door Matthias Becher, Carol Neel, Michael Oberweis en Wolfgang Wulz en binnen de middeleeuwse premonstratenzer geschiedschrijving gesitueerd door Norbert Backmund.17

In haar bijdrage over de (weder)samenstelling van de bibliotheek in de negentiende eeuw (I, p. 54-61) belicht Van Bragt samen met Marnix Beyen het belang van de activiteiten van bibliothecaris Augustinus Dillen en de twintigste-eeuwse gedeeltelijke inventarisaties. De andere bijdragen over de meer recente periodes betreffen enerzijds het theologisch fonds (I, p. 64-71) en anderzijds de seculiere en historische boeken (I, p. 74-83) in de tijdens de negentiende eeuw opnieuw samengestelde boekencollectie van de Parkadij. De ondervertegenwoordiging van wetenschappelijke boeken in de oude Parkbibliotheek uitte zich in haar negentiende-eeuwse reconstructie des te meer. Een volledig ander beeld bieden de geschiedenisboeken, die in het midden van de negentiende eeuw gretig verzameld werden door de Parkheren. Rekeningen en boekbanden laten toe om de productie van de succesvolle Leuvense boekbindersfamilie Lefèvre (I, p. 124-164) te traceren. Aan de hand van het vijftigtal prijsboeken van voor 1830 dat zich in de Parkbibliotheek bevindt, werd een uitgebreid repertorium (I, p. 104-119) met indices opgesteld, waarbij gegevens als uitreikende instantie en datum van de prijs, beschrijving van de band, prijs- en andere herkomstgegevens met grote zorg bijgehouden werden. In een uitgebreide recensie voor Analecta Praemonstratensia zal de Parkse bibliotheekgeschiedenis na de middeleeuwen uitvoeriger behandeld worden.

Meer nog dan de digitale catalogus bieden de twee volumes van de Bibliotheek van de Abdij van Park immense mogelijkheden om het bestand met boeken daterend van voor 1830 te verkennen en te bestuderen. Naast de negen thematische studies en enkele excursen over specifieke boeken zijn zowel catalogus als de indices zeer verzorgd. De eigenlijke, alfabetisch geordende catalogus beslaat het volledige tweede boekdeel. Zes registers, die de tweede helft van het eerste boekdeel innemen, ontsluiten het Parkse boekenbezit op een onnavolgbare wijze.

De algemene index bevat onder meer de verwijzingen naar de auteurs, maar ook naar auteurs van onderdelen. In dit register wordt ook de ordeafhankelijkheid geduid, maar deze ontbreekt bijvoorbeeld (in chronologische volgorde) bij de benedictijner theologen Walafridus Strabo (†849, I, p. 197) en Hrabanus Maurus (†856, I, p. 182), de benedictijnse historiograaf Regino van Prüm (†915, I, p. 192), de cluniacenzer abt Odo (†942, I, p. 189), de benedictijnse kroniekschrijver en polemist Sigebert van Gembloers, (†1112, I, p. 194), de benedictijner godgeleerden en abten Gilbertus Crispinus (†1117, I, p. 180) en Rupert van Deutz (†1130, I, p. 193), de theoloog en reguliere kanunnik Hugo van Sint-Victor (†1141, I, p. 182), de Regensburgse reguliere koorheer Paulus van Bernried (†1146, I, p. 190), de benedictijner abt en later cisterciënzer theoloog Willem van Saint-Thierry (†1148, I, p. 181), de polemist Gerhoch van Reichersberg, proost van de reguliere kanunniken aldaar (†1169, I, p. 179), de benedictijnse abdis Wivina van Groot-Bijgaarden (†1170, I, p 198), de cisterciënzer vervalser Nicolaas van Clairvaux of van Montiéramey (†1178, I, p. 189), die nog een tijdje als secretaris van Bernardus van Clairvaux werkzaam was, de premonstratenzer kroniekschrijver Burchard van Ursberg (†1230/1231, I, p. 173), de bijbelgeleerde en eerste predikheer-kardinaal Hugo van Saint-Cher (†1263, I, p. 182), de dominicaner filosoof Thomas van Aquino (†1274, I, p. 196), zijn ordegenoot en kerkjurist Raymundus van Peñafort (†1275, I, p. 192), de cisterciënzer mystica Gertrudis van Hefta (†1302, I, p. 179), de benedictijner abt van Sponheim, Johannes Trithemius (†1516, I, p. 196), de jezuïet en theoloog Petrus Canisius (†1597, I, p. 174) en de Keulse kartuizer publicist Laurentius Surius (†1578, I, p. 195). Dit is des te meer opvallend daar in enkele gevallen, zoals Canisius (C47-C51, II, p. 62) en Ursberg (B153, II, p. 56), in de catalogus in het tweede boekdeel de affiliatie wel geduid is.

Naast de algemene index zijn er afzonderlijke toegangen op onderwerp, op anonieme werken en op publicatiejaar. Bij deze laatste, chronologische index is de laatste kolom (I, p. 326) weggevallen, waardoor meer dan veertig werken, gepubliceerd tussen 1826 en 1830, ontbreken. De ontsluiting op uitgevers, drukkers en boekhandelaren gebeurt middels de vestigingsplaats. Het register op herkomstkenmerken bevat meer dan duizend bezittersnotities, een tachtigtal supralibros, een dertigtal wapenspreuken en slechts zeven ex librissen. Alle herkomstnotities die verwijzen naar religieuze instellingen in de Nederlanden zijn goed geduid. Daarbuiten zijn minder dan tien kloosters nog niet geïdentificeerd.

De gehele bundel is met zorg afgewerkt, maar soms is er bij de eindredactie wellicht sprake van hypercorrectie. Drie verschillende auteurs (op I, p. 17, 28, 33, 38, 49, 99 en 101) slagen erin om, wars van zowat alle eigentijdse archiefstukken die in situ, in het archief van de Parkabdij, bewaard worden, de naam van de vooraanstaande vijftiende-eeuwse abt Diederik van Tuldel (1462-1494) als van Tulden te spellen.18 Nochtans bleef in de latere historiografie de naam "Theodericum Tuldelium" bewaard, bijvoorbeeld in Justus Lipsius' Lovanium (L255, II, p. 170, tweede editie uit 1610) uit 1605, door zijn hedendaagse vertaler evenwel als "Dirk van Tulden" vertaald en aldus op I, p. 32 geciteerd.19 In noot 7 op I, p. 49 gaat het zover dat zelfs de abtsnaam in bibliografische referenties gealtereerd wordt.20 Maar nog sterker wordt het in noot 1 op I, p. 99, wanneer de in 2005 gepubliceerde congresbijdrage uit 1999 toegeschreven wordt aan de laatmiddeleeuwse bouwer van de Antwerpse kathedraal, toen nog Onze-Lieve-Vrouwekapittelkerk. Als kleine puntjes van kritiek kunnen we meegeven dat als Park in de onderwerpscatalogus bij Heverlee, een deelgemeente van Leuven, wordt geplaatst, Bonne-Espérance (I, p. 206) geografisch best ook bij de deelgemeente Vellereille-les-Brayeux (en niet bij de hoofdgemeente Estinnes) gesitueerd wordt. Tot slot had onduidelijkheid bij de regeringen van de abten-generaal Simon de la Terrière (1458-1470, I, p. 28) en Jean de L'Écluse (1497-1512, I, p. 29) kunnen vermeden worden als daar ook, zoals bij hun verre opvolger Jean Despruets (abt, 1573-1596), verduidelijkt werd dat het hier uitzonderlijk om regeringsjaren handelt.21

De bundel is schitterend afgewerkt door de Leuvense uitgeverij Peeters, met honderden afbeeldingen van uitstekende kwaliteit, die de bewijsvoering in de verschillende bijdragen versterken. Als interludium tussen de verschillende indices werden telkens een achttal markante titelpagina's, frontispices of boekbanden weergegeven.

Dankzij de gedegen studies, de mooie illustraties, de veelzijdige registers, maar vooral de fenomenale catalogus in het tweede boekdeel is de Bibliotheek van de Abdij van Park een prachtig en nuttig meesterwerk. We kunnen ons dan ook ten volle aansluiten bij de profetische bewoordingen van Mark Derez die drie jaar voor de verschijningsdatum van het boek in de necrologie van Zeef Van Bragt al schreef: "Een catalogus doorstaat de tand des tijds, monumentum aere perennius, in piam memoriam Josephae Van Bragt".22

  • 1. Leo Cyriel Van Dyck en Herman Janssens, Woordenlijst betreffende de orde van Prémontré [Instrumenta Praemonstratensia 5] (Averbode: Praemonstratensia, 2000), p. 12.
  • 2. Janick Appelmans, Mijter en Hof. Een biografie van Diederik van Tuldel (1419-1494), abt van Park. Spiegel voor het monastiek leven (Leuven, 1995), p. 61-62.
  • 3. Janick Appelmans, 'Diederik van Tuldel en Hendrik van Someren. Twee Noord-Brabantse vrienden in het vijftiende-eeuwse Leuven', in: Noordbrabants Historisch Jaarboek 16 (1999), p. 125-140: p. 133-135.
  • 4. Patricia Stoop, Schrijven in commissie. De zusters uit het Brusselse klooster Jericho en de preken van hun biechtvaders (ca. 1456-1510) [Middeleeuwse studies en bronnen 127] (Hilversum: Verloren, 2013), p. 164; Patricia Stoop, 'Schrijven pro pretio in Jericho', in: Kees Schepers en Frans Hendrickx (ed.), De letter levend maken. Opstellen aangeboden aan Guido de Baere [Miscellanea Neerlandica 39] (Leuven: Peeters, 2010), p. 559-578: p. 572.
  • 5. Antonius Sanderus, Bibliotheca Belgica Manuscripta [Archief- en bibliotheekwezen van België. Extranummer 7] (Brussel: Archief- en bibliotheekwezen van België, 1972²), II, p. 164.
  • 6. Heverlee, Abdijarchief Park, R VII, 3.
  • 7. Janick Appelmans, 'De politieke context van het premonstratenzer Iter Italicum: de Romereizen van Diederik van Tuldel (°1419-†1494)', in: Herman Janssens (ed.), Reizen in woelige tijden [Bijdragen van de contactdag 22] (Averbode: Werkgroep Norbertijner geschiedenis in de Nederlanden, 2012), p. 21-46: p. 29 en 40; Bernard Ardura, Prémontrés. Histoire et spiritualité [Travaux et recherches] (Saint-Etienne: CERCOR, 1995), p. 144-152; Franz J. Felten, 'Die Kurie und die Reformen im Prämonstratenserorden im hohen und späten Mittelalter', in: Irene Crusius en Helmut Flachenecker (ed.), Studien zum Prämonstratenserorden [Studien zur Germania Sacra 25 = Veröffentlichungen des Max-Planck-Instituts für Geschichte 185] (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2003), p. 349-398.
  • 8. Janick Appelmans, 'Abt Diederik van Tuldel (°1419-†1494): een canonist in theorie en praktijk', in: Herman Janssens (ed.), Norbertijnen en Wetenschap [Bijdragen van de Contactdag 11] (Averbode: Werkgroep Norbertijner geschiedenis in de Nederlanden, 2001), p. 21-46: p. 27-29.
  • 9. Appelmans, 'De politieke context', p. 27.
  • 10. Andreas Sohn, Deutsche Prokuratoren an der römischen Kurie in der Frührenaissance (1431-1474) [Norm und Struktur. Studien zum sozialen Wandel in Mittelalter und Früher Neuzeit 8] (Keulen-Weimar-Wenen: Böhlau, 1997), p. 260.
  • 11. Of nog op I, p. 98: "Van Tuldel, die Piccolomini van Basel kende".
  • 12. Johannes Molanus, Historiae Lovaniensium libri XIV, Pierre François Xavier de Ram (ed.) (Brussel, 1861), I, p. 199.
  • 13. Ursmer Berlière, Inventaire analytique des diversa cameralia des archives vaticanes (1389-1500) au point de vue des anciens diocèses de Cambrai, Liège, Thérouanne et Tournai (Rome-Namen-Parijs, 1906), p. 42, nr. 179 en p. 188; Ambrosius Erens, 'Thierry van Tuldel et la commende en Brabant', in: Analecta Praemonstratensia 1 (1925), p. 321-356: p. 324.
  • 14. Appelmans, 'Abt Diederik van Tuldel', p. 27; Appelmans, 'De politieke context', p. 25.
  • 15. Léon Goovaerts, Écrivains, artistes et savants de l'ordre de Prémontré. Dictionnaire bio-bibliographique (Brussel, 1899-1916), II, p. 274; Herman Vander Linden, 'Van Andel (Thierry)', in: Biographie nationale (Brussel, 1936-1938), kol. 128-129.
  • 16. Appelmans, 'Abt Diederik van Tuldel', p. 24-27.
  • 17. Norbert Backmund, Die mittelalterlichen Geschichtsschreiber des Prämonstratenserordens [Bibliotheca Analectorum Praemonstratensium 10] (Averbode: Praemonstratensia, 1972), p. 8-33; Matthias Becher (ed. en vert.), Quellen zur Geschichte der Welfen. Die Historia Welforum, die Chronik Burchards von Ursberg und kleinere Texte der welfischen Hausüberlieferung (Darmstadt: Wissenschaftliche Buchgesellschaft, 2006); Carol L. Neel, 'The Historical Work of Burchard of Ursberg', in: Analecta Praemonstratensia 58 (1982), p. 96-129 en 225-251; 59 (1983), p. 19-42 en 221-257; 60 (1984), p. 224-255 en 61 (1985), p. 5-42; Michael Oberweis, Die Interpolationen im Chronicon Urspergense. Quellenkundliche Studien zur Privilegiengeschichte der Reform-Orden in der Stauferzeit [Münchener Beiträge zur Mediävistik und Renaissance-Forschung 40] (München: Arbeo-Gesellschaft, 1990); Michael Oberweis, 'Die Weltchronik des Propstes Burchard von Ursberg. Staufische Reichspolitik in universalhistorischer Perspektive', in: Analecta Praemonstratensia 87 (2011), p. 44-69; Wolfgang Wulz, Der spätstaufische Geschichtsschreiber Burchard von Ursberg. Persönlichkeit und historisch-politisches Weltbild [Schriften zur südwestdeutschen Landeskunde 18] (Stuttgart: Müller und Gräff, 1982).
  • 18. Zelfs in grote overzichtspublicaties kan de abtsnaam wel correct gespeld worden, getuige daarvan Charles Caspers, 'Kerkelijk en godsdienstig Brabant tot aan de komst van de Reformatie, 1450-1521', in: Raymond van Uytven e.a. (ed.), Geschiedenis van Brabant van hertogdom tot heden (Zwolle-Leuven: Waanders-Davidsfonds, 2004), p. 252-261: p. 256.
  • 19. Jan Papy (ed. en vert.), Justus Lipsius. Beschrijving van haar stad en haar universiteit (Leuven: Universitaire Pers, 2000), p. 266 en 267.
  • 20. Janick Appelmans, 'L'art de choisir ses objectifs: La stratégie politique de Thierry de Tuldel (1419-1494), abbé de Parc', in: Dominique-Marie Dauzet en Martine Plouvier (ed.), Abbatiat et abbés dans l'ordre de Prémontré [Bibliotheca Victorina 17] (Turnhout: Brepols, 2005), p. 275-293.
  • 21. Voor deze afwijkende schrijfwijze van de namen van de ordeoversten privilegiëren wij Ardura, o.c., p. 145-146; Norbert Backmund, Geschichte des Prämonstratenserordens (Grafenau: Morsak, 1986), p. 203.
  • 22. Mark Derez, 'Zeef van Bragt (1935-2011)', in: Tijdingen uit Leuven. Tijdschrift van de Vereniging Historici Lovanienses, 153 (2011), p. 64-67: p. 66.