Studie van de Blijde Inkomsten onthult prelatenprivilege

DeBlijdeInkomsten.jpg

Janick AppelmansValerie Vrancken, De Blijde Inkomsten van de Brabantse
hertogen. Macht, opstand en privileges in de vijftiende eeuw [Standen en Landen 112] (Brussel: ASP, 2018) 392p. ill. 49,00€ ISBN: 978-90-5718-715-5

Vertrekkend vanuit de interne dynamiek van een constitutionele teksttraditie bestudeert Valerie Vrancken de wijzigende machtsverhoudingen in het vijftiende-eeuwse Brabant.

Deze documenten waren vorstelijke toegevingen, afgedwongen door de elites, hetzij door opstand, hetzij in ruil voor politieke, militaire of financiële ondersteuning. De verbinding van steun bij een dynastieke opvolging in ruil voor concessies duidt op een sterke parallel met de Noord- en Centraal-Europese keurvorstendommen en op de invloed van het feodale contractdenken dat in Brabant al in de dertiende eeuw school maakte.

Naast de Blijde Inkomsten en de vroegere teksten als het Charter van Kortenberg (1312), het Vlaams en Waals charter (1314), behoren ook het Privilege van de Ruwaard (1421) of het Nieuw Regiment (1422) tot het tekstcorpus. Deze landscharters worden steeds in nauwe samenhang met kronieken en administratieve documenten, zoals rekeningen, klachtenbrieven, eisenlijsten en ordonnanties, bestudeerd. De Leuvense stadsrekeningen leren bijvoorbeeld dat Filips van Saint-Pol, broer van landsheer Jan IV (1427-1430), al in de lente 1420, dus veel vroeger dan tot nu toe aangenomen, bij de besprekingen over het landsbestuur met de opstandige edelen en steden betrokken werd.

De tumultueuze regering van Jan IV legde de basis voor de grootste en meest duurzame wijzigingen in de teksttraditie bij de inhuldiging van zijn broer Filips van Saint-Pol (1427-1430). Toch konden de steden in 1451 onder een krachtige vorst als Filips de Goede (1430-1467) inspelen op het momentum met de stijgende spanning tussen de Bourgondische hertog en Gent. In ruil voor een aanzienlijke bede deed hij verregaande toegevingen. In 1467 slaagden de staten er ondanks onderhandelingen niet in om een toebrief van Karel de Stoute (1467-1477) te verkrijgen, maar na zijn dood kwamen de verzuchtingen haast woordelijk in de privileges van 1477, bij het aantreden van zijn dochter Maria (1477-1482). De staten ijverden al tijdens de laatste regeringsjaren van Filips de Goede voor het terugdraaien van de afbouw van de regionale en lokale autonomie en van het toenemende gebruik van het Frans door hertogelijke officieren. De verzuchting van de Brabantse abten om overmatige karweien en de opvangplicht van de hertogelijk jachthondenmeute af te bouwen, vond zo zijn weg naar het eerste artikel van een afzonderlijk prelatenprivilege in 1477. Met uitzondering van dat laatste jaartal werd in problematische successies opvallend snel gehandeld. De auteur berekent een doorlooptijd van 10 tot 16 dagen voor het bereiken van een consensus over de vorstelijke concessies en het regisseren van het inhuldigingsritueel.

Hoewel de vijftiende-eeuwse machtsverhoudingen en het verzamelde bronnenmateriaal vooral de positie van de hertog en de steden ten volle laat bestuderen, zullen we in deze bespreking bijzondere aandacht besteden aan de rol en de impact van de geestelijkheid op de onderhandelingen, de besluitvorming en de teksttraditie.1 Vrancken formuleert voor de eerste stand een aantal interessante nieuwe bevindingen.

Waar Brussel zich al voor het Bourgondische tijdvak opgetild had tot het hertogelijke machtscentrum bij uitstek, kon Leuven zich in de vijftiende eeuw handhaven als geliefkoosde vergaderlocatie voor de standenvergaderingen. De Blijde Inkomst werd eerst in de oude hoofdstad plechtig voorgelezen en afgekondigd. Samen met de vorst namen de prelaten en de edelen plaats op de tribune of alleye die voor de gelegenheid voor het stadhuis opgetrokken was. De Leuvense stadsbestuurders, gedeputeerden van andere steden en nog meer prominenten namen plaats rond het stadhuis of de alleye, met achter hen de stadsbevolking. Voor de preliminaire onderhandelingen, die vanaf 1467 tot 1515 doorgingen in het nieuw gebouwde gotische stadhuis, suggereert Vrancken als vergaderlocatie voor 1451, net als in 1430, het predikherenklooster op ’s-Hertogeneiland, het oude hertogelijke domein tussen de Dijle en de Aa.

Hoewel zij samen met de zeven goede steden, drie baanrotsen en twee ridders deel uitmaakten van de regentschapsraad voor de minderjarige hertog Jan IV, bekleedden de erg actieve abt van Affligem en zijn Tongerlose collega geen voorname plaats binnen dat machtscenakel. De onderhandelingen die de abten van Tongerlo, Park en Heylissem in de wintermaanden van 1420-1421 voerden, leidden niet tot een overeenkomst tussen de opstandige steden en edelen en de weggevluchte hertog. In september 1488 kregen de prelaten van Affligem en Grimbergen een bemiddelingsopdracht tussen de vorst en de stad Brussel toebedeeld. Vooral hun weinig uitgesproken opstelling, aanvaardbaar voor alle partijen, blijkt de reden bij uitstek te zijn geweest om geestelijken te belasten met dergelijke onderhandelingsopdrachten.

Het herkennen van het te Leuven uitgevaardigde hertogelijke charter van 29 mei 1477 als het Privilegie van de Prelaten, is ongetwijfeld een belangrijke ontdekking van Vrancken. Deze tekst was al in kerkelijke archieven bestudeerd, maar de reikwijdte ervan werd nooit zo treffend gesitueerd. Reeds in de zeventiende eeuw achtte abt Johannes Masius (1635-1647) het document voldoende belangrijk om ernaar te verwijzen in zijn handgeschreven kroniek van de Parkabdij (Abdijarchief Park, R VII, 3, p. 294). Volgens hem handelde het om een authentiek instrument van hertogin Maria aan de prelaten dat onder meer handelde over de inperking van de karweien, en de hertogelijke gasterij- en meuterechten, de vrijstelling van alle expectanties, commenden en pensioenen en dat stelde dat er geen abdijbroden gegeven werden behoudens aan ordelieden. In een niet gepubliceerde licentiaatsverhandeling werd het afzonderlijke privilege wel verbonden aan het niet doorklinken van de klerikale grieven in de Brabantse Blijde Inkomst.2 Dit was immers wel het geval in het Algemeen Privilege, het Vlaamse Privilege en het Naamse en Hollandse charter.3 Naast het door Vrancken gesignaleerde afschrift in het fonds van de Rekenkamer, zou het interessant zijn om alvast volgende afschriften te bekijken: Abdijarchief Grimbergen, II, 14, f. 35r-38v en Abdijarchief Park, R VII, 83, f. 93v-101r. De benedictijnenabdij van Affligem beschikte wellicht over een origineel stuk, want achttiende-eeuwse proost Beda Regaus noteert in zijn oorkondenoverzicht volgend regest: "1477 – 29 may Maria hertoginne van Burdgundië over correweyen etc. in de kloosters van Brabant 13,319”.4 Volgens het Grimbergs afschrift gaf Maria van Bourgondië het privilege aan de prelaten van de Staten van Brabant voor hun bewezen diensten (waaronder bidden) aan haar vader en diens voorvaderen (f. 35r). Uiteraard werd ook het hete hangijzer van de jaren 1470, de commende, niet uit de weg gegaan. Het charter bevat een duidelijk afzwering van het verlenen van de abtsfunctie aan seculiere geestelijken: “ende niet gedoogen en souden eghene kercke van herwaerts ouer in commenden oft onder eenighe ander tijtel te laten geuen anderen dan den genen die vander seluer ordenen sijn sullen”. De invulling van deze waardigheden zal voortaan steeds geschieden volgens de oude costuymen en gewoonten. Verder belooft zij niet meer met regelgeving tussen beide te komen in deze materies. Tenslotte zal de hertogin niet toelaten dat er in de toekomst nog enige provisie op een prelatuur of een andere waardigheid zal geschieden (f. 37r). Behoudens de algemene bevestiging van de privileges van de geestelijkheid in de oorspronkelijke Blijde Inkomst van 1356 zou het commendeverbod het enige artikel met een duidelijke klerikale inslag zijn in de latere Blijde Inkomsten, namelijk in 1515 en 1549. Maar vanaf de zestiende eeuw had het centraal bestuur via de invoering van het vorstelijk benoemingsrecht het eindoordeel binnen de door de kloostergemeenschappen voorgedragen kandidaat-prelaten aan zich getrokken.

De afzonderlijke opstelling van één of meer standen was zeker geen unicum voor het grote crisisjaar 1477. Zowel in 1415 als in 1489 gingen de edelen en de prelaten niet zo ver in hun eisen als de steden. Bij het aantreden van Jan IV kwam er daardoor geen constitutionele tekst tot stand, terwijl in 1489 de verzwakte steden nog tot 1496-97 moesten wachten voor de opname in een toebrief met die clausules uit 1477 die ook de instemming van de eerste en de tweede stand wegdroegen.

Wat vooral de religieuze instellingen betreft, wijzen we op volgende kleine incongruenties. In noot 557 op p. 186 wordt tweemaal de abdij van Grimbergen vermeld, aan het begin en op de voorlaatste plaats van de opsomming van de twaalf abten die samen met 28 steden en 125 edelen op 4 november 1415 een bijstandsverbond sloten. Gelet op een vrij hiërarchische structurering met Affligem op de tweede positie en Jette (= Dielegem) gans achteraan, gaan we ervan uit dat op de eerste plaats Gembloers gestaan heeft. Wat de in dezelfde noot opgesomde steden betreft, vermoeden we ook dat Herentals en niet Herent bedoeld zal zijn. De biografie in noot 774 op p. 247 van de in de raitcamere actieve clericus Cornelius Proper begint bij zijn aanstelling tot proost van het Kamerijkse kathedraal kapittel in 1420, maar voordien, in 1415, fungeerde hij reeds als vicaris-generaal voor bisschop Jan van Gavere (1412-1439) en droeg hij de titel van kameraar bij de Pisaanse paus Johannes XXIII (1410-1415).5 Voor de inbreng van de raadsheren en de steden in de stichting van de Leuvense universiteit moet de paginaverwijzing in noot 780 op p. 248 naar Robert Steins bijdrage in de Geschiedenis van Brabant gewijzigd worden in p. 196-197. Jan VI van Bourgondië (1439-1479) was in 1451 bisschop en niet aartsbisschop (p. 174) van Kamerijk, daar het diocees pas honderd jaar later tot aartsbisdom verheven werd. Andersom geldt voor Wenceslas van Bohemen dat hij bij de opvolging als gemaal in Brabant (1355-1383) geen graaf (p. 62), maar al sinds 1354 hertog van Luxemburg was. 6 In noot 837 op p. 264 zal wellicht Tervuren met Vuren bedoeld zijn. Wat de bibliografie betreft wijzen we tenslotte nog op de schrijfwijze van auteur Anne-Laure Van Bruaene (p. 385) en in de laatste referentie op p. 363 op de al te ruime paginanummering en de naam van de tweede redacteur. Deze moeten respectievelijk p. 275-293 en Plouvier zijn.

Deze kleine opmerkingen doen geen enkele afbreuk aan het titanenwerk dat Valerie Vrancken met haar proefschrift heeft verzet. In een vlot leesbare inleiding gaat zij onmiddellijk in op de kern van de vraagstelling, namelijk de kenmerken van constitutionele teksten in vergelijkend internationaal perspectief. Verder onderzoekt zij niet alleen nauwgezet de Brabantse constitutionele teksttraditie, maar tevens boort zij vele andere bronnen en een ruime, vooral institutioneel georiënteerde, bibliografie aan. Met oog voor het steeds fluctuerend krachtenveld en de wisselende samenstelling van de hertogelijke raad en de statenvergadering weet zij bij elke opvolging en bij elke onderhandeling de krachtlijnen van en de motieven achter de wijzigingen in de constitutionele teksttraditie te duiden. Haar studie van de Blijde Inkomsten en vergelijkbare constitutionele teksten is daardoor een baken in de politieke en institutionele geschiedschrijving van vijftiende-eeuws Brabant.

  • 1. Een beknopte recensie met een meer globale bespreking verschijnt in Eigen Schoon en De Brabander.
  • 2. Janick Appelmans, Mijter en Hof. Een biografie van Diederik van Tuldel (1419-1494), abt van Park. Spiegel voor het monastiek leven(Leuven, 1995), p. 174.
  • 3. Ibidem, p. 173-174.
  • 4. ‘Directorum Abbatiae. Diplomata Elenchus (1787)’, Cyprianus Coppens (ed.), in: Selecta Ex Beda Regaus (†1808) [Fontes Affligemenses. Bouwstoffen voor de Geschiedenis van de Abdij Affligem 12] (Hekelgem, 1971), p. 26.
  • 5. Monique Maillard-Luypaert, Papauté, clercs et laïcs. Le diocèse de Cambrai à l’épreuve du Grand Schisme d’Occident (1378-1417) (Brussel, 2001), p. 295.