Zorg voor zieken en armen in laatmiddeleeuwse steden

Ladan

Marianne Baas - Rudolph Ladan, Gezondheidszorg in Leiden in de late middeleeuwen (Hilversum 2012) 359p. ill. index € 39,00 ISBN 9789087043155; Anita Boele, Leden van één lichaam. Denkbeelden over armen, armenzorg en liefdadigheid in de Noordelijke Nederlanden 1300-1650 (Hilversum 2013) 367p. ill. index € 39,00 ISBN 9789087043438

In de zomer van 1428 kochten Jan Dirc Coenenz en zijn vrouw Katrijn Willem Tedendr een huis met erf in de armste parochie van Leiden. Zij verbouwden het huis tot het Elisabethgasthuis, geheel bestemd voor de verpleging van arme, zieke vrouwen. Hier zouden deze vrouwen voortaan zorg krijgen van een ‘siecke marthe’ en dagelijks worden voorzien van brood, bier, boter en kaas. Het echtpaar stelde het gasthuis onder bescherming van het stadsbestuur, die het bestuur van het gasthuis benoemde en gaf het dezelfde rechten als de andere gasthuizen. Hiermee was het Elisabethgasthuis een typisch voorbeeld van hoe in de laatmiddeleeuwse steden een systeem van zorginstellingen tot stand kwam: rijke burgers namen het initiatief en het stadsbestuur hield toezicht.

Het stichtingsverhaal van het Elisabethgasthuis is één van de vele voorbeelden die door Rudolph Ladan worden gegeven in zijn dissertatie Gezondheidszorg in Leiden in de late middeleeuwen
In dit werk neemt hij de lezer mee naar de medische wereld van Leiden in de vijftiende en zestiende eeuw. Centraal staat de vraag welke medische instellingen en professionals een hoofdrol speelden in het verschaffen van zorg aan zieke inwoners van de stad Leiden. Ladan laat zien hoe in Leiden door ingrijpen van het stadsbestuur in de tweede helft van de vijftiende eeuw het takenpakket van de gezondheidszorg tot stand kwam en hoe dit in vrijwel ongewijzigde vorm de zeventiende eeuw inging. In een prettig leesbaar werk voert hij de lezer langs de gasthuizen van de stad, de ziektes die een vijftiende en zestiende-eeuwse stad teisterden, het stadsbestuur dat verantwoordelijk was voor het welzijn van haar inwoners en de doctor medicinae, chirurgijn, vroedvrouw en apotheker die dit welzijn moesten waarborgen. Elk hoofdstuk wordt verrijkt met door Ladan opgedoken gegevens over degenen die deze zorg verleenden. Hij put hiervoor onder meer uit stads- en gasthuisrekeningen, memorieboeken en het rechterlijk archief. Hiermee geeft het werk niet alleen inzicht in de medische zorg van Leiden, maar geeft het ook een goed beeld van de gezondheidszorg in de snelgroeiende Hollandse steden aan het einde van de middeleeuwen en tussen de regels door ook nog een inkijkje in het dagelijks leven van inwoners van een laatmiddeleeuwse stad.

Leiden was in de late middeleeuwen een snelgroeiende stad. Van circa 4.000 inwoners omstreeks 1400 groeide de stadsbevolking omstreeks 1600 uit tot 24.000. Net als andere steden had Leiden in deze periode te maken epidemische ziekten als de pest, de nieuwe ziekte syfilis die aan het einde van de 15e eeuw de Nederlanden bereikte en, in Leiden eenmalig, de Engelse zweetziekte. Na zijn inleidende hoofdstuk beschrijft Ladan in zijn tweede hoofdstuk welk effect de mortaliteitscrises als gevolg van deze ziektes hadden op de stad en haar bewoners. Opmerkelijk genoeg blijkt dat in Leiden de terugkerende epidemieën het stadsbestuur nauwelijks grote hoofdbrekens bezorgden. Het stadsbestuur nam daar waar nodig maatregelen, variërend van een beloning door de burgemeesters van tien gulden voor de stadschirurgijn die een met syfilis besmet meisje uit Amsterdam dat op de Vismarkt was gelegd had genezen, tot het uitvaardigen van een algemene processie met het Heilig Sacrament om God de stad voor de zweetziekte te laten behoeden. Dit blijkt kenmerkend te zijn voor de houding van het stadsbestuur ten aanzien van gezondheidszorg: daar waar het welzijn van de burgers werd bedreigd reageren maar van grootschalige preventie was geen sprake.
In het derde hoofdstuk geeft Ladan een overzicht van de gasthuizen. Naast het al oudere St. Catharinagasthuis, werden omstreeks 1400 twee nieuwe gasthuizen en een leprooshuis gesticht en ontstonden er aparte afdelingen of instellingen gericht op zorg voor wezen, armen en bejaarden. De nadruk in dit hoofdstuk ligt bij de medische zorg die in deze instellingen werd gegeven: welke medische zorg werd gegeven, wie gaven deze zorg, wie klopten voor hulp aan en wie financierden deze instellingen. Iedere beschrijving van een gasthuis wordt voorzien van informatie over de verschillende ziektes waaraan patiënten in de Leidse gasthuizen leden. Hiermee geeft dit hoofdstuk ook voor de niet medisch-kundige lezer een goed beeld van de medische zorg die in middeleeuwse gasthuizen werd geboden. Door de gekozen invalshoek is er, zoals Ladan zelf aangeeft, geen ruimte voor de even zo belangrijke zielzorg die in middeleeuwse gasthuizen werd gegeven. Wel geeft het een goed beeld van de aard van de medische zorg die in de gasthuizen geboden werd. In de zestiende eeuw gingen gasthuizen zich specialiseren in een bepaalde patiëntengroep, zoals bijvoorbeeld zorg voor krankzinnigen of pestpatiënten. De overheid nam hiertoe het initiatief. De ziekenzorg voor de armen, ontstaan vanuit particuliere initiatieven kwam hiermee steeds meer onder directe controle van het stadsbestuur dat er belang bij had het welzijn van haar burgers te waarborgen.

Ook bij de bespreking van de vier belangrijkste medische professies: achtereenvolgens de doctor medicinae, de chirurgijn, de vroedvrouw en de apotheker, die in vier opeenvolgende hoofdstukken aan de orde komen, komt dit beeld naar voren. Ladan beschrijft per beroepsgroep welke kennis, opleiding en taken de beoefenaars hadden en hoe de stedelijke overheid de beroepen steeds meer reguleerde. Dat de scheidslijnen tussen de verschillende beroepen soms diffuus zijn wordt duidelijk gemaakt aan de hand van ordonnanties van de stad en gerechtszaken waarbij de medische beroepsbeoefenaars betrokken waren geraakt.

Door uit allerlei verschillende bronnen te putten, weet Ladan niet alleen een levendige inkijk te geven in de gezondheidszorg in een laatmiddeleeuwse stad, maar ook in het dagelijks leven. Sprekend voorbeeld is wat dat betreft de loopbaan van Margriete Wechels. Zij werd in 1463 de eerste, betaalde, stadsvroedvrouw van Leiden. Ze had de plicht om arme vrouwen gratis en rijke vrouwen tegen een honorarium bij te staan bij een bevalling. Ladan vertelt hoe zij als enige vrouw deelde in de stedelijke wijnschenkingen, hoe het gerecht een onderzoek naar haar instelde nadat er roddels over haar de ronde deden dat zij een vrouw niet goed had geholpen en hoe zij waarschijnlijk had weten te bedingen dat zij zwangere pestpatiënten niet hoefde bij te staan. Door personen als Margriete in een ruimere context op te voeren krijg je als lezer een levendig beeld van het functioneren van de gezondheidszorg in de laatmiddeleeuwse stad en blijft het niet slechts bij vermelding van namen en beroepen.

Hiermee is Gezondheidszorg in Leiden in de late middeleeuwen niet alleen een veelomvattend overzicht van instellingen en beroepen die bij de gezondheidszorg in Leiden betrokken waren, maar ook een aangenaam gedetailleerd werk over de wijze waarop inwoners van een laatmiddeleeuwse Hollandse stad omgingen met de alom aanwezige last van ziektes.

In Leden van één lichaam. Denkbeelden over armen, armenzorg en liefdadigheid in de Noordelijke Nederlanden 1300-1650 van Anita Boele is de arme zieke, die een hoofdrol speelt in Ladans werk, één van de vele armen waarmee een laatmiddeleeuwse stad mee te maken had. Bedelaars, hulpeloze oude mannen, arme migranten van het platteland, bedelmonniken, werkeloze armen; elke stad had met een grote verscheidenheid aan armen te maken. Daar waar van oudsher de Katholieke Kerk de armenzorg op zich had genomen, kwam dit na de Reformatie steeds meer in handen van de stedelijke overheid. De financiers en uitvoerders waren de rijke burgers. Deels vanuit religieuze plicht – de armen waren immers leden van hetzelfde christelijke lichaam als de rijke – en deels omdat, zeker vanaf het midden van de zestiende eeuw, steeds meer een verband werd gelegd tussen de omgang met armen door individuele burgers en het collectieve welzijn van de stad: armenzorg als burgerplicht.
Daar waar Ladan focust op degenen die de zorg verleenden laat Boele in haar dissertatie de zestiende- en zeventiende-eeuwse toeschouwers aan het woord: de priester Willem Molius uit ’s-Hertogenbosch, de rederijker-humanist Louris Jansz uit Haarlem en de predikant Jacob Revius uit Deventer. Door deze keuze kunnen verschillen in het denken over armenzorg worden verkend en in hoeverre een verschillende sociaaleconomische en religieuze ontwikkeling van een stad van invloed was op het denken over armenzorg. En alhoewel uiteindelijk blijkt dat er geen helder onderscheid te maken is tussen een katholiek, humanistisch of protestants denkbeeld over armenzorg, geeft het zicht op de uiteenlopende ideeën die over armenzorg in de steden ’s-Hertogenbosch, Haarlem en Deventer in omloop waren.

Naast deze drie casestudies bevat Leden van één lichaam een uitvoerige studie over denkbeelden over armen en de zorg daarvoor zoals geformuleerd door de kerk, de stedelijke overheid, en zoals dit naar voren komt in literaire teksten en afbeeldingen. Hoewel de titel van het boek de periode 1300-1650 noemt, ligt het accent op de zestiende eeuw. Alleen in het eerste deel wordt uitgebreider ingegaan op denkbeelden uit de 14e en 15e eeuw. Dit deel gaat over de wijze waarop de laatmiddeleeuwse Kerk liefdadigheid als religieuze plicht propageerde. Hiertoe analyseert Boele onder meer zonden- en biechtspiegels en de verbeelding van de zeven werken van barmhartigheid in religieuze kunstwerken. Vanaf het einde van de vijftiende eeuw nam de druk op de overheid voor grootschaligere aanpak van armenzorg toe. Deels doordat de groei van de steden samenging met groei van armen, en deels doordat met de Reformatie de Katholieke Kerk als bindende kracht in de armenzorg was weggevallen. Het stadsbestuur trad hierbij steeds meer naar voren als overheid die het welzijn van de gehele burgerij voor ogen had.

Veel hiervan komt samen in het voorbeeld waarmee Boele haar boek opent en waar ze diverse keren op terugkomt: de Haarlemse loterij uit 1606 waarvan de opbrengst bestemd was voor de bouw van een oudemannenhuis. Rederijkerskamers uit twaalf Hollandse steden organiseerden deze loterij en om de verkoop te stimuleren werden rondom de loterij spelen gehouden waarbij de arme oude mannen aan het publiek werden gepresenteerd en vertelden wat hun was overkomen om tot zulke armoede te vervallen. Het stadsbestuur moedigde burgers aan om te geven vanuit christelijke liefdadigheid en de rederijkers wezen op de arme als deel van het lichaam van Christus. Confessionele grenzen waren bij dit festival afwezig. Misschien kocht men loten uit naastenliefde, vanuit zorgen over het welzijn van de stad of vanuit christelijke plicht. Vanuit welk motief dan ook, er werd genoeg geld opgehaald om het oudemannenhuis te openen. Maar het was alleen toegankelijk voor burgers uit Haarlem. Liefdadigheid had wel zijn grenzen.