Dr. Krijn Pansters promoveert ook in de theologie

Dr. Krijn Pansters promoveert ook in de theologie

Donderdagnamiddag 10 januari 2019 verdedigde Signumlid en oud-redactielid Dr. Krijn Pansters zijn tweede proefschrift. Op Spiritual Morality. The Religious Orders and the Virtues, 1050-1300 promoveerde hij bij prof. Rob Faesen tot doctor in de theologie (S.T.D) aan de KU Leuven.

In 2009 promoveerde hij aan de Radboud universiteit op De kardinale deugden in de Lage Landen. 1200-1500 [Middeleeuwse studies en bronnen 108] (Hilversum: Verloren, 2007) 376p. ISBN: 978-90-8704-001-7.

Hoewel de titel laat vermoeden dat het een zuiver historische studie is, beoogt Krijn Pansers een bijdrage te leveren aan de moderne deugdethiek vanuit een middeleeuws perspectief; aan de reflectie op methode en vorm in de studie van de middeleeuwse theologie; en aan de geschiedenis van het ontstaan van de religieuze orden tijdens de “lange twaalfde eeuw.” Het onderzoek richt zich op religieuze basisideeën die een krachtige impuls gaven aan opkomende instituties. Op basis van een analyse van bronnen uit de begintijd van de benedictijnen, kartuizers, cisterciënzers, augustijnen, karmelieten, minderbroeders en dominicanen, zowel “van binnenuit” als in relatie tot elkaar, wordt uiteengezet hoe fundamentele normen en morele structuren de orden vanaf hun vroegste begin (1050-1300) mede vormgaven. Het eerste hoofdstuk beschrijft de historische context en de religieuze tradities waarin spirituele deugden en morele waarden centraal stonden. Het tweede hoofdstuk beschrijft de historiografische context en de onderzoekstradities waarin middeleeuwse religieuze spiritualiteit bestudeerd wordt. Het derde hoofdstuk beschrijft de inhouden van religieuze regels als reservoirs van spirituele moraliteit. Het vierde hoofdstuk beschrijft de theologische context waarin de essentiële elementen van de eremieten-ethiek van de kartuizers ontwikkeld werden. Het vijfde hoofdstuk beschrijft de zelfdefinitie van de opkomende religieuze orden in termen van deugden en waarden. Het laatste hoofdstuk beschrijft Bonaventura van Bagnoregio’s deugdentheorie.
Monniken en mendicanten ontwikkelden levensmodellen op basis van spirituele en ethische ideeën. Deze modellen boden interne normen voor de praktijken van het gereguleerde leven en externe structuren die deze normen moesten waarborgen. Zo werden op spirituele deugden gefundeerde religieuze orden, huizen en programma’s fundamenteel voor het voortbestaan van die deugden. Voorliggend onderzoek naar religieuze regels, gewoonten en constituties richt zich op de ethische dimensies van goddelijk geïnspireerde wereldbeelden. Om de centrale normen en structuren in een bredere historische en ethische context te plaatsen, worden de basisintuïties en -disposities zoals vastgelegd in formae vitae geanalyseerd. Er wordt daarbij gekeken naar de spirituele uitgangspunten en praktische maatregelen die uitgroeiden tot gedetailleerde gedragscodes; naar de gewoonten en observanties die zich ontwikkelden tot bredere programma’s voor spirituele vernieuwing; en naar de spirituele voeding en morele vorming geboden door deze programma’s. Een systematische studie van de primaire bronnen als promotors van deugden legt zo de dynamiek bloot tussen spirituele normen en historische vormen. Voorliggende bronnenstudie draagt bij aan een fenomenologie van de middeleeuwse deugd; versterkt de band tussen historische en theologische onderzoekstradities; en verschaft antwoord op de vraag hoe de middeleeuwse religieuze moraal vruchtbaar gemaakt kan worden voor een hedendaagse deugdenpraktijk.
Uit de verdediging bleek alvast dat, vanuit het perspectief van de historicus, de hoofdstukken over Bonaventura en over de kartuizers pareltjes zijn. Dat belooft alvast voor de publicatie van Spiritual Morality.