Cartografie van Philips de Dijn overstijgt grenzen

Dijn

Janick Appelmans – Georges Vande Winkel (red.), Philips de Dijn (†1665). Cartograaf, landmeter, mathematicus [Het Land van Aalst 70/4] (Aalst: Geschiedkundige vereniging Het Land van Aalst, 2018) 120p. ill. 10,00€

Bij het afronden van elk decennium bestudeert Het Land van Aalst sinds 1988 belangrijke cartografische documenten, al dan niet vergezeld door de uitgave van kaarten of prenten. Zo ook bij de afsluiting van de zeventigste jaargang, waarbij bestuurslid en catalograaf Georges Vande Winkel optrad als gastredacteur van een bundel gewijd aan de Vlaamse landmeter, cartograaf en wiskundige Philips de Dijn (°ca. 1585/1590-†5 augustus 1665).

Alleen al door zijn vele opmeet- en karteerarbeid ten dienste van Brabantse, Henegouwse en Vlaamse kloosters is deze veelzijdige figuur en zijn uitgebreid oeuvre van groot belang voor de studie van verschillende religieuze instellingen en hun vele bezittingen.

Door het aanbrengen en ordenen van veel genealogisch materiaal en het verbinden met de verschillende gerealiseerde, al dan niet bewaarde, kaarten en leggers, stelt Bart Merckaert het chronologisch kader scherp in Philips de Dijn, een leven in kaarten (p. 243-254). In zijn beginjaren opereerde De Dijn vooral in en rond Geraardsbergen. De zes zelfportretten, voorzien van de leuze “me fecit” waarmee hij de kaarten uit zijn vroegste periode opsmukte, getuigen van een groot zelf- en modebewustzijn en van een artistieke aanleg of opleiding. Philips de Dijn was beëdigd landmeter in zowel de graafschappen Henegouwen en Vlaanderen als het hertogdom Brabant. Hij werkte voor de abdijen van Anchin (OSB), Groenenbriel te Gent (OSA), Groot-Bijgaarden (OSB), Nieuwenbos (OCist), Ninove (OPraem), Sint-Adriaan te Geraardsbergen (OSB), Vicoigne (OPraem) en Vorst (OSB). Tussen 1651 en 1661 vervaardigde hij in opdracht van plaatselijke bestuurders landboeken van Neigem, Ninove, Meerbeke, Sint-Antelinks en Voorde, allemaal plaatsen rond zijn woonplaats Aspelare. Daarnaast voerde hij nog opmetingen uit voor de armentafels van Aspelare en Okegem en voor het Gentse Sint-Baafskapittel in Burst, Letterhoutem, Sint-Lievens-Houtem, Vlierzele en Zonnegem. Zijn zevende kind en eerste zoon uit zijn tweede huwelijk, Philips (°8 mei 1630-†11 april 1667), en zijn jongste zoon, Antoon (°22 december 1645-†na 8 oktober 1665), zouden in zijn voetsporen treden als landmeters en cartografen.

Dirk Van de Perre en Georges Vande Winkel bieden het Overzicht van het cartografisch en landmeetkundig oeuvre van Philips de Dijn (1618-1662) (p. 255-278). Diens eerste cartografische activiteit was het in kaart brengen van de bezittingen te Aaigem, Dikkelvenne en omgeving, die toebehoorden aan de Henegouwse benedictijnenabdij van Anchin. Zijn volgende gekende opdracht bracht hem naar de Brabantse benedictinessenabdij van Groot-Bijgaarden ten westen van Brussel. In de jaren 1623-1625 vervaardigde hij een kaartboek dat op basis van de perceelnummering ten minste drie kaarten bevatte. Naast Dilbeek, Groot-Bijgaarden en Sint-Ulriks-Kapelle, die op een thans losse kaart staan, karteerde hij ook het tweede grootste domein, dat hoorde bij het Hof te Bever, in de gelijknamige bewoningskern die toen nog niet bij Strombeek hoorde. Wellicht tekende hij ook een kaart met de kloosterbezittingen in Mollem en Merchtem. In de legger is naast de domeinen in deze vermelde dorpen ook het goederenbezit in Asse, Laken, Ossel, Sint-Katharina-Lombeek, Sint-Martens-Bodegem, Ternat en Wambeek opgetekend. Ook bezittingen in twee Vlaamse dorpen, Aaigem en Leeuwergem, gelegen in het Land van Aalst, werden opgenomen.

Tussen 1629 en 1638 tekende Philips de Dijn veertien kaarten voor de benedictinessenabdij van Vorst. Het kaartboek met legger (1631) in één band gebonden dat het schoofland te Denderhoutem weergeeft, was een opdracht van Hendrik van Etten, heer van Westmeerbeek.

De premonstratenzers van Vicoigne hadden in 1490 door goederenruil een uitgestrekt Vlaams territorium van hun ordegenoten van Vermand in de Ponthieu verworven. Het domein werd bestuurd vanuit de proosdij van Denderwindeke en beschikte naast het plaatselijk altaar over de kerk van Huizingen. Als Henegouwse abdij lag Vicoigne nog tot de verovering door Lodewijk XIV en de Vrede van Nijmegen van 1678 in de Nederlanden. Deze binnenlandse ligging maakte het veel makkelijker dan voor een Franse abdij (zoals Vermand) om buitenlandse goederen en rechten te beheren. Philips de Dijn was in Denderwindeke werkzaam in 1639 en 1662. Telkens vervaardigde hij, zo blijkt uit twee verschillende bronnen, ook kaarten, die net als de leggers niet meer voorhanden zijn.

De premonstratenzerabdij van Ninove was De Dijns belangrijkste opdrachtgever. Tijdens zijn werkzaamheden, die onder het bewind van verschillende prelaten gespreid lagen over de jaren 1620-1624, 1641-1654 en 1661-1662, realiseerde hij 22 kaarten. Acht daarvan behoorden vroeger tot een kaartboek met de bezittingen verbonden aan de abdijhoven (op uitzondering van de proosdij van Renissart), maar werden uit de band losgemaakt en afzonderlijk geïnventariseerd. De band bevat nog steeds de intacte legger van het kaartboek.

Naast de grote karteeropdrachten lijsten Van de Perre en Vande Winkel nog zes afzonderlijke kaarten (onder meer voor de Gentse augustinessen van Groenenbriel en de cisterciënzerinnen van Nieuwenbos), vijf landboeken en zes opmetingen (onder meer voor de abdij en het begijnhof van Geraardsbergen) op. Bij de landboeken fungeerden naast lokale bestuurders, zoals burgemeesters, schepenen of wethouders, ook wereldlijke en geestelijke heren (zoals de abt van Ninove) als opdrachtgevers.

Op basis van hun uitvoerige inventarisatie van De Dijns werkzaamheden en realisaties concluderen Van de Perre en Vande Winkel dat de landmeter onafgebroken tussen 1618 en 1662 gedurende vierenveertig jaar kaarten produceerde. Met inbegrip van een aan hen toegeschreven kaart van het Land van Aalst uit 1626 bleven er van zijn oeuvre 50 kaarten bewaard, waarvan 44 in opdracht van abdijen. Hij maakte twee figuratieve stadsplannen van Ninove en één van Aalst en tekende op zijn kaarten aanzichten van abdijcomplexen, dorpskernen, kerken, windmolens, burchten en hoeven.

Wat in het uitgebreide en meticuleuze inventarisatie- en beschrijvingswerk van Van de Perre en Vande Winkel, aangevuld met Liessens voor Anchin en Vande Winkel voor Vorst, opvalt, is de volledige afwezigheid van één grote, regionale monastieke speler in De Dijns oeuvre: de benedictijnenabdij van Affligem. Pas in de achttiende eeuw, tussen 1717 en 1756, zouden op initiatief van de toenmalige rentmeesters in de onderscheiden kwartieren verschillende kaartboeken vervaardigd worden.

Kort na de stichting van Anchin in 1079 verwierf deze benedictijnenabdij aan de Scarpe het domein van Dikkelvenne toen de plaatselijke abdij aldaar in 1081 naar Geraardsbergen verlegd werd. Van de rust van het Twaalfjarig Bestand maakten de regionale ontvangers van de verafgelegen, Henegouwse abdij gebruik om Philips de Dijn aan te trekken, die zich in het Frans omschreef als “ingeniaire et geometrien” en “mathematicus et arpenteur”. De Dijn deed de opmetingen in 1621-1622 en tekende de kaarten in 1623. Bij de 62 folio’s tellende legger werden vier figuratieve kaarten ingebonden. Het bezit van Anchin concentreerde zich rond Aaigem en Dikkelvenne en een grote hoeve in Heldergem. Verder bezat de abdij het patronaat in Aaigem en in de drie bij elkaar gelegen kerken van Baaigem, Dikkelvenne en Hermelgem. In zijn artikel Het “cartulaire des biens de l’abbaye d’Anchin” van Philips de Dijn (1621-1626) (p. 279-290) bezorgt Gerrit Liessens een uitgebreide analyse van de rechten en bezittingen. Tevens brengt hij ook het relaas van de oplevering aan de opdrachtgevers en de mogelijkheid voor de plaatselijke pachters om de juistheid van de gegevens te bevestigen of te verbeteren. Daarbij gaven de schepenen van Aaigem-Vlekkem in 1626 aan dat de pachters het Frans niet machtig waren en weigerden zij schepenkennis te geven van de meting. Zij konden enkel de ligging van de percelen en de paalgenoten of aangrenzende eigenaars bevestigen.

Net als veel andere religieuze instellingen voelde de benedictinessenabdij van Vorst na de politieke en religieuze troebelen van de zestiende eeuw de nood aan een degelijke inventarisatie met kaarten van haar bezittingen en rechten. Daartoe deed abdis Marie de Taye (1609-1637) vanaf 1629 een beroep op De Dijn. In Philips de Dijn en de benedictinessenabdij van Vorst (Brussel). Kaartboeken 1629-1638 (p. 291-310) beschrijft en analyseert Georges Vande Winkel de meest uitgebreide opdracht uit de loopbaan van de landmeter en cartograaf die resulteerde in vier, mogelijk vijf, registers. Bij het eerste kaartboek dat met de goederen van Lede-Hofstade, Aalst, Burst-Bambrugge en Zottegem (1629) ook de oorspronkelijke stichtingsgoederen te Meerhem bevat, merkt Vande Winkel op dat de in het Aalsterse Sint-Jozefscollege als stadsplan van Aalst bewaarde kaart een tweeluik vormt met de kaart van het Bergenkwartier, rond het pachthof te Bergermeers. De afbeeldingen van beide kaarten die hij op p. 296-297 naast elkaar plaatst, dulden geen tegenspraak. Twee losse kaarten met abdijbezittingen in Galmaarden en Waarbeke enerzijds en Vollezele anderzijds vertonen alle kenmerken van De Dijnkaarten. Zij laten de totstandkoming in 1630 vermoeden van een tweede kaartboek, waarvan de territoriale indeling redelijk complex was: Waarbeke behoorde tot Vlaanderen, terwijl de thans Brabantse dorpen Galmaarden, Tollembeek en Vollezele allemaal Henegouws waren. De opmetingen voor het boekdeel met Waterloo, Zaventem, Watermaal en Bosvoorde werden gestart in 1632 en resulteerden in datzelfde jaar in een derde kaartboek. Het vierde deel met Bollebeek, Mollen, Kobbegem en Brussegem kwam in hetzelfde jaar gereed, hoewel er nog betalingen van 1633 dagtekenen voor de opmetingen in Bollebeek en van het in dit deel afzonderlijk gekarteerde Karvaalbos, gelegen tussen Asse-ter-Heide, Mazenzele en Meldert. De voltooiing van het vijfde en laatste kaartboek met Vorst en Anderlecht (1636-1638) maakte de opdrachtgeefster, abdis De Taye, niet meer mee, zodat De Dijn het met voelbare trots opdroeg aan haar opvolgster Françoise de Bette (1638-1666). Naast een kaart van de abdij en haar onmiddellijke omgeving bevat het boekdeel ook kaarten met het abdijbezit rond de Sint-Guidokapittelkerk met de Anderlechtse wijken Kuregem en Veeweyde en de goederen in de gehuchten Elishout en Neerpede. Het laatste boek bevat ook een kaart van het Linthoutbos, gelegen tussen Schaarbeek en Sint-Lambrechts-Woluwe. Deze van 1638 dagtekenende kaart hoorde geografisch natuurlijk beter in het derde deel. In de leggers volgde De Dijn steeds een vast stramien: na de door de abdij zelf uitgebate onroerende eigendommen kwamen de pachtgoederen en eventueel de tienden, schooflanden, helftwinningen en heerlijke rechten aan bod. Binnen de eigen exploitaties en de pachtgoederen hanteerde hij ook een vaste volgorde: eerst de akkers, dan de vijvers, vervolgens de weiden en ten slotte de bossen. In totaal behandelde hij 612 percelen en bleven er 14 kaarten bewaard.

In Een kaart van het Land van Aalst uit 1626 en landmeter Philips de Dijn (p. 311-328) schrijft Georges Vande Winkel, hierin bijgetreden door Pieter Beyls, de kaart van 1626 op stilistische en chronologische gronden toe aan Philips de Dijn. Hij laat in zijn accurate, vergelijkende studie van de onderlinge afhankelijkheid van de kaarten van het Land van Aalst ook zien dat de kaart van 1626 zeer nauw aansluit bij de kaart van François Horenbault uit 1596, al dan niet in de verloren versie van 1612. Buiten de grenzen van het Land van Aalst schetste de maker enkel de belangrijkste dorpskernen en gebouwen, zoals de benedictijnenabdij van Affligem, de norbertinessenproosdij van Tussenbeek te Serskamp of de cisterciënzerinnenabdijen van Beaulieu te Petegem-aan-de-Schelde en van Nieuwenbos, die toen nog te Heusden bij Gent lag. Een schuchtere denkpiste willen we u niet onthouden: mogelijk komt de opdracht voor het vervaardigen van de kaart van Jan van Waesberghe (°1603-†1632), auteur van de eerste Geraardsbergse stadsgeschiedenis en achterneef van Guillaume Damman, één van de twee regionale ontvangers van de abdij van Anchin, die de opdrachtgevers waren voor De Dijns karteren van de Vlaamse abdijbezittingen.

In zijn bespreking van de Overzichtkaarten van Vlaamse kasselrijen en steden in de zestiende en zeventiende eeuw (p. 329-344) bespreekt Pieter Beyls ook de werkwijze van de kaartmeters. De aanwijzingen dat de kasselrijkaart van Oudenaarde, in 1669 vervaardigd door landmeter Peter Meysman, een opdracht was van het Onze-Lieve-Vrouwhospitaal van Oudenaarde zou zijn, weegt Beyls af tegen een aanvankelijke bestelling vanuit het kasselrijbestuur, mede omdat gebiedsdekkende cartografie in de regel door publieke opdrachtgevers besteld werd. Een schilderij van omstreeks 1660 verbeeldt het belang van religieuze instellingen als opdrachtgevers voor landmeters en cartografen: Gentenaar Jan Baele tekent samen met zijn assistenten de Enaamse abdijbezittingen op onder het toeziende oog van de benedictijner abt Antonius de Loose.

Julie Bohez fileert Philips de Dijn als prognostocateur en auteur van almanakken (p. 345-356). De Dijn combineerde een fanatiek anti-Hollandse en anti-protestantse opstelling met weinig nauwkeurige astronomische berekeningen. Zijn astrologische inhoud (van aderlatingen tot kappersbeurten) was verrassend eentonig, omdat hij enkel bij de antieke denkbeelden van Ptolomaeus zwoer.

In een eindredactie van Georges Vande Winkel hebben zeven verschillende auteurs zeven, qua kaartenbeschrijving vormelijk identieke en qua inhoud hoogst complementaire, bijdragen geschreven. In deze uitstekend en bijzonder functioneel geïllustreerde bundel is het handig om weten dat de synthese van De Dijns cartografisch oeuvre beschreven wordt in het hoofdstuk “een terugblik”, dat het artikel van Van de Perre en Vande Winkel afsluit op p. 277-278.

Het De Dijnnummer bevat een dubbele paginering, enerzijds als afzonderlijk feestnummer, anderzijds in functie van de volledige jaargang. Wij opteerden er in deze recensie voor om te verwijzen naar de doorlopende jaargangpaginering. De artikelen met betrekking tot religieuze instellingen zijn met beide paginanummeringen terug te vinden in de Signumbibliografie.

Bij het samenstellen van die Signumbibliografie hebben wij de afgelopen jaren nooit vruchteloos een jaargang van Het Land van Aalst ter hand genomen. De literatuur op het gebied van de middeleeuwse religieuze instellingen betrof de kaarten van kloosterbezittingen, de oudste parochiegeschiedenis, de bronnen voor de Ninoofse abdijgeschiedenis, begrafenisrechten, grafstenen, memorie en devotie of nog de Vita Berlendis. Behalve de premonstratenzer Sint-Cornelius- en Cyprianusabdij genoten vooral het kapittel van Meerbeke en de benedictijnse Sint-Adriaansabdij en de Hunnegemse benedictinessenpriorij, beide te Geraardsbergen, de aandacht. Naast de inbreng van onder andere Geert Van Bockstaele, Marcel Cock en Georges Vande Winkel, was vooral de brede belangstelling, de grote eruditie en de noeste werkijver van hoofdredacteur Dirk Van de Perre hieraan zeker niet vreemd. Wij wensen hem en zijn opvolger, Reinoud Vermoesen, als nieuwe redactiesecretaris, alle succes toe, opdat de meer digitale toekomst van Het Land van Aalst verzekerd mag zijn.