Het Begijnhof van Breda

BegijnhofBreda

Patricia Stoop – F.A. Gooskens, L.J.J. de Kievith, M.M.M. Rasenberg, I.C.J.M. Roozen, Jac. A.M. Snijders, J.W. Veerman en E.C.M. Wagemakers (red.), Het Bredase Begijnhof in veranderende tijden: een geschiedenis van 750 jaar (Utrecht: Stichting Breda’s Begijnhof Museum, 2017); 228 pp; ISBN 978–90–823716–1–1; € 23,50 en John Veerman (met bijdragen van Erik Peters en Hans de Kievith), Het Begijnhof van Breda: gebouwen vol geschiedenis (Utrecht: Matrijs, 2017). 192 pp; ISBN 978–90–5345–522–7; € 29,95.

Ter gelegenheid van het 750-jarige bestaan verschenen in 2017 twee prachtig vormgegeven en geïllustreerde boeken over de geschiedenis van het begijnhof in Breda. Het is samen met het (jongere) begijnhof van Amsterdam een van de twee besloten begijnhoven die binnen de landsgrenzen van het huidige Nederland in hun geheel bewaard zijn gebleven. In deze oase van rust in de binnenstad van Breda stierf op Goede Vrijdag 13 april 1990 Cornelia Catharina Frijters, de laatste begijn van Nederland, op 81-jarige leeftijd. De laatste pastoor, Josephus Ooms (1921–2000), verliet het begijnhof in 1997. Op dat moment kwam er een einde aan 730 jaar geschiedenis van de Bredase begijnen.
Het eerste boek, Het Bredase Begijnhof in veranderende tijden: een geschiedenis van 750 jaar is een bundeling van acht, elkaar deels overlappende en zichzelf soms wat herhalende, bijdragen die verschillende aspecten van de geschiedenis van de oudste religieuze institutie van Breda en waarschijnlijk een van de oudste rechtspersonen van Nederland belichten. De grote lijnen van de geschiedenis en de achtergronden van het begijnhof worden respectievelijk door Ine Roozen (p. 7–25) en Martin Rasenberg, de huidige beheerder van het begijnhof, en F.A.M. Roelvink (p. 177–181) geschetst en worden, wat de middeleeuwse gemeenschap betreft, gekaderd in haar religieuze en wereldlijke netwerk door Frans Gooskens (p. 27–63). De begijnengemeenschap duikt voor het eerst op in de geschreven bronnen in een akte van 22 maart 1267, die is overgeleverd in een vidimus uit 1421. Met de akte schenkt Hendrik V, heer van Schoten en Breda tussen 1254 en 1268, de begijnen de grond waarop ze dan al een onbepaalde tijd wonen en geeft hun toestemming om een kerk te bouwen en een kerkhof aan te leggen. Vanaf dat moment konden de begijnen rekenen op de actieve bescherming van de Heren van Breda—na 1403 zijn dit de graven van Nassau-Dillenburg, wanneer Johanna van Polanen (1392–1455) met Engelbrecht I (ca. 1370–1442) huwt. Uit een akte van 6 november 1270, ondertekend door Hendrik III van Gelre, bisschop van Luik tussen 1247 en 1274, blijkt dat ook de Kerk de begijnen steunde en onder haar hoede nam. In deze vroege periode lag het begijnhof, dat sterke banden had met de cisterciënzerabdij in Hemiksem, die op haar beurt weer gebedsverbroederingen had afgesloten met onder andere de begijnhoven van Antwerpen, Leuven, Brussel, Mechelen en Lier, pal naast het kasteel van Breda. Daar leefden, baden en werkten de vrouwen onder de gelofte van kuisheid, gehoorzaamheid en trouw, maar met behoud van hun bezittingen, onder leiding van een of enkele hofmeesteressen en de geestelijke begeleiding van een pastoor die buiten het complex leefde. In de beginperiode waren de begijnen voor een aanzienlijk deel afkomstig waren uit de adel en het stadspatriciaat, maar later werden de vrouwen ook uit de armere kringen gerekruteerd: in het begin van de zestiende eeuw kon blijkbaar nog maar een-derde van de begijnen zich een jaargetijde veroorloven (p. 54). Een grote gemeenschap was het niet. In 1480 telde het hof 16 huizen, waarin 37 personen leefden; in 1526 was het hof uitgebreid tot 22 huizen.
In 1531 brak er een nieuwe fase in de geschiedenis van het begijnhof aan (uitvoerig beschreven door Jac Snijders op p. 65–95), toen graaf Hendrik III van Nassau (1483–1538) besliste dat hij zijn buitenhuis in Breda wilde laten ombouwen tot een renaissancepaleis. De begijnen, die zich nogal tegen deze verplaatsing verzet lijken te hebben, verhuisden—onder toezegging van 600 Rijnsgulden schadevergoeding, recht op het hergebruik van bouwmaterialen en de voortdurende bescherming van het huis van Nassau—naar de huidige locatie van het begijnhof aan de Katerstraat (nu Catharinastraat). Ze kregen daar de beschikking over de Wendelinuskapel, die door Johanna van Polanen in 1440 gebouwd was, en de aanpalende huizen ten noorden van de kapel. Van daaruit werd het begijnhof door de eeuwen heen stukje bij beetje uitgebreid tot zijn huidige omvang. De begijnen beleefden turbulente tijden tijdens de Tachtigjarige Oorlog, waarin Breda afwisselend in Staatse dan weer in Spaanse handen viel, en ook de buren—zowel wereldlijke machthebbers als religieuze instellingen—voor de nodige perikelen zorgden. Op de momenten dat Breda in handen van de Republiek was, moesten ze de Wendelinuskapel afstaan aan de Waalse Gemeenschap, die bij de Synode van Dordrecht in 1578 toestemming kreeg om als zelfstandige gemeente binnen de Gereformeerde Kerk te functioneren. Op die momenten maakten de begijnen gebruik van een noodkerk die ze inrichtten in de infirmeriezaal. Toch mochten ze nog tot 1829 gebruik maken van de Wendelinuskapel (die ook nu nog de Waalse Kerk is) voor het begraven van hun bewoonsters (op dat moment werd het verboden om mensen nog in kerkgebouwen te begraven) en moesten ze renovatiewerken aan de kapel betalen.
In 1731 kwam het voortbestaan van het begijnhof onder grote druk te staan. De Staten-Generaal wilden een verdere verspreiding van het katholicisme tegengaan en zielzorg door priesters beperken. In die beweging werd beslist dat het ‘Bagyne klooster te Breda sal moeten uitsterven’ (p. 83). De 42 begijnen die er op dat moment leefden, mochten er blijven, maar er mochten geen nieuwe vrouwen toetreden. Pas in 1747 had het verzet dat de begijnen onmiddellijk startten door aanspraak te maken op de sauvegardes van de Nassaus succes: de novicenstop werd opgeheven. In de jaren die erop volgen, lijken de tijden voor het begijnhof relatief rustig geweest te zijn, totdat de gemeenschap onder leiding van Pastoor van Zon (zie hieronder) een nieuwe opbloei beleefde. In het begin van de twintigste eeuw kreeg de gemeenschap het in toenemende mate moeilijk. Er kwamen steeds minder novicen en de leegstaande woningen werden vanaf dat moment meer en meer verhuurd aan alleenstaande dames of weduwen, die ‘buitenpoorters’ werden genoemd.
De rijke geschiedenis van het Bredase begijnhof laat zich ook aflezen aan de gebouwen, die op dit moment nog steeds bewoond worden door alleenstaande vrouwen die—geheel in de geest van de begijnen—enerzijds onafhankelijk en tegelijkertijd als deel van een kleine gemeenschap samenleven. In Het Begijnhof van Breda: gebouwen vol geschiedenis schetst bouwhistoricus John Veerman met medewerking van Hans de Kievith en F.J.C. Peters minutieus de resultaten van het archeologisch en bouwkundig onderzoek dat sinds 2008 is uitgevoerd naar het middeleeuwse begijnhof aan het Kasteelplein en aan de gebouwen van het nog bestaande complex aan de Catharinastraat (een korte weergave van dit onderzoek is ook te vinden in de laatste twee hoofdstukken van het andere boek; zie p. 185–221). Daarbij zijn de bevindingen voortdurend in kritische dialoog gebracht met de talrijke archiefbronnen, plattegronden, tekeningen en schilderijen die van het begijnhof en de omliggende stad bewaard zijn gebleven. De resultaten van dit multidisciplinaire onderzoek, en vooral die over de oudere periode, zijn indrukwekkend, zeker als we ons realiseren dat het begijnhof in zijn huidige vorm grotendeels tot stand gekomen is in de eerste helft van de negentiende eeuw. Willem van Zon (1783–1859), pastoor tussen 1825 en 1859, lijkt de vernieuwing van het begijnhof, die in lijn was met het hernieuwde elan dat het katholicisme halverwege de negentiende eeuw in Noord-Brabant kende, als zijn persoonlijke prestige-project beschouwd te hebben (zie voor deze revival ook het artikel van Martin Rasenberg in Het Bredase Begijnhof in veranderende tijden (p. 97–137). Van Zon breidde het bestaande complex uit met het Nieuwe of Kleine Hof aan de noordoostzijde van het domein, renoveerde een aantal oude huisjes, en liet in 1830 een nieuw classicistisch poortgebouw plaatsen en enkele jaren later, in 1836–1838, de nieuwe Catharinakerk bouwen naar een ontwerp van Adriaan van der Aa, met wie hij al eerder samenwerkte en die waarschijnlijk ook het poortgebouw ontwierp. Het poortgebouw werd al in 1853 vervangen door een eenvoudiger exemplaar, dat op zijn beurt in 1980 verdween, maar de Catharinakerk waartoe Van Zon de opdracht gaf, is nog steeds de blikvanger van het begijnhof. Na het overlijden van Van Zon voltooide zijn opvolger Johannes Verdaasdonk (1859–1885) het renovatie- en bouwproject. Na al deze ingrijpende aanpassingen en degene die ook nog in de jaren zeventig van de twintigste eeuw zijn uitgevoerd, is het des te bewonderenswaardiger dat John Veerman en zijn collega’s ons door deze lagen heen een blik kunnen doen werpen op de oudere bouwlagen.
Als boek ‘voor een breed publiek van geïnteresseerden maar niet per se ingewijden’, gemaakt ‘vanuit een wetenschappelijke houding’ maar met een ‘toegankelijke toon’ (p. 9) is het boek van Veerman minder geslaagd dan het eerste boek. Dat het steunt op gedegen en nauwlettend wetenschappelijk onderzoek moge reeds duidelijk zijn (al wordt het niet altijd even duidelijk waarom bepaalde kaarten en stadsaanzichten als niet betrouwbaar worden geacht en worden hypotheses niet altijd hard gemaakt), maar het zijn juist de zo gedetailleerde bouwkundige beschrijvingen die de rode draad uit het oog doen verliezen. Het zou deze lezer dan ook zeer geholpen hebben als de auteur in een afrondende paragraaf nog eens de grote lijnen en de belangrijkste bevindingen van het onderzoek zou hebben samengevat. Bovendien bevat het boek veel onnodige herhaling en zijsprongen die de leesbaarheid niet verhogen.
In de twee gedenkboeken van 750 jaar Begijnhof Breda is een ongekende schat aan informatie te vinden over het religieuze en institutionele leven van de begijnen. Onvermijdelijk overlappen de beide boeken en de bijdragen in Het Bredase Begijnhof in veranderende tijden elkaar een beetje. Desalniettemin heeft de Stichting Breda’s Begijnhof Museum met deze twee boeken een heel geslaagd project afgeleverd dat mooie aanzetten geeft voor verder onderzoek—er zijn zo’n 42.000 archiefdocumenten bewaard gebleven en gedigitaliseerd!—en tevens de rijke geschiedenis van deze parel van religieus vrouwenleven in het hartje van Breda aan een ruimer publiek bekend maakt. Voor wie niet genoeg kan krijgen van het beeldmateriaal in beide boeken, verwijs ik ook graag naar de website die ter gelegenheid van het jubileum van het begijnhof gemaakt werd (www.begijnhofbreda.nl; geraadpleegd op 27 juli 2018). Daar zijn nog meer prachtige foto’s te vinden van de Bredase begijnen, evenals meer informatie over de begijnenbeweging in Breda en in andere delen van de Nederlanden en daarbuiten.

Patricia Stoop
Universiteit Antwerpen