De premonstratenzer strijd om te overleven

Werkgroep Norbertijner Geschiedenis in de Nederlanden

Janick Appelmans - H. Janssens, De strijd om te overleven. Bijdragen van de contactdag 17 (Averbode: Werkgroep Norbertijner Geschiedenis in de Nederlanden, 2007) 71 p.

De zeventiende editie van de bijdragen van de contactdag van de Werkgroep Norbertijner Geschiedenis in de Nederlanden handelt over De Strijd om te overleven. De lezer denkt hierbij uiteraard vooral aan de opheffing van de religieuze instellingen tijdens de Franse Revolutie en aan de moeizame heropstanding van een aantal abdijen in de negentiende eeuw.

Hij wordt op zijn wenken bediend met bijdragen van Jean van Stratum over Recrutering en opleiding van de confraters in de Abdij van Berne 1857-2007 en van Herman Janssens over Het herstel van de premonstratenzer orde in België na 1830. Voor Het voortleven van de Abdij van Berne in haar parochies gaat emeritus abt Piet Al een stukje verder in de tijd en schetst hij de voorgeschiedenis.

Tussen 1579 en 1648 vochten de Spaanse en de Staatse troepen voortdurend om de controle over de Zuid-Hollandse rivieren en Brabant. Meer nog dan hun mannelijke collega’s, die vooral tijdens de Tachtigjarige Oorlog en tijdens de Franse bezetting streden voor hun voortbestaan, ijverden de zusters van Sint-Catharinadal doorheen zowat heel hun geschiedenis voor het verder zetten van een kloosterleven dat in 1271 te Vroenhout bij Wouw begon. De Oosterhoutse norbertinessen maakten van overleven een kunst.

Sint-Catharinadal: Religieuze vrouwen met daadkracht en volharding

’Religieuze vrouwen met daadkracht en volharding’ , zo omschrijft Trees Sponselee-de Meester de kanunnikessen van Sint-Catharinadal. Hoewel de ondertitel de nadruk legt op de zeventiende en achttiende eeuw reserveert zij een derde van haar bijdrage aan de middeleeuwse en de zestiende-eeuwse geschiedenis. In 1271 bracht een zekere Servatius van Breda een aantal vrouwen bij elkaar op zijn landgoed te Vroenhout opdat zij een devoot leven zouden leiden. De vrouwen sloten zich aan bij de norbertijnenorde en werden onder het rechtstreeks gezag van de abt van Prémontré geplaatst.

De steun en de verantwoordelijkheid van de heren van Breda

Al vanaf de stichting in 1271 namen de heren van Breda de kloostergoederen in bescherming. De goede verstandhouding loopt als een rode draad door de historie van Sint-Catharinadal. Na de Sint-Aagtenvloed van 1288 nodigde Raso II van Gavere, heer van Breda, de norbertinessen uit om zich te Breda, in de nabijheid van het plaatselijke gasthuis, te vestigen. Een samenvoeging met de actieve gemeenschap van de gasthuiszusters liep op een sisser uit, aangezien de werkzaamheden van beide huizen zich niet lieten verenigen. Daarom verhuisden de norbertinessen in 1308 naar een nieuwe locatie net buiten de stadsmuren.

In 1463 nam de toenmalige heer, graaf Jan IV van Nassau, zijn verantwoordelijkheid. In lijn met de toenmalige tijdsgeest verkreeg hij van paus Pius II de invoering van een streng kloosterslot. De stadsontwikkeling die graaf Hendrik III van Naussau voorstond was minstens even ingrijpend. Het klooster werd binnen de nieuwe stadswallen opgenomen en de zowat twintig koor- en lekenzusters verloren een stuk van hun privacy in een klooster dat langs alle kanten ingesloten was door de stad en goed waarneembaar was vanop de stadsmuur. Erger nog was het verlies van akkers en weilanden en de onteigening van het Nonnenveld met de belendende percelen. Herhaalde protesten van de priorin en het convent bij de stadsheer over de veel te lage schadeloosstelling hadden nauwelijks effect. De stadsontwikkeling en de hofcultuur boden de kloosterzusters echter de gelegenheid om met onderwijs te starten.

Tijdens de Beeldenstorm van 1566 viel het Sint-Catharinadal ten prooi aan de vernielingen en plunderzucht van opstandige geuzen. Meer nog dan de wisselende machtsverhoudingen binnen de stadsmuren waren de plunderingen op het platteland er de oorzaak van dat de norbertinessen nauwelijks het hoofd boven water konden houden. De Staatse troepen legden later in de omgeving van Roosendaal beslag op de helft van de daar aanwezige kloostergoederen. Veel dorpelingen, onder wie ook pachters van Sint-Catharinadal, ontvluchtten het oorlogsgeweld. Naast de middelen om te overleven stelde zich een ander probleem: onder het protestants bestuur mocht het klooster geen novicen meer aannemen, zodat het convent op termijn zou uitsterven. Dit doemscenario zou de norbertinessen bijna tweehonderd jaar achtervolgen.