Een verrassend en onmisbaar boek over drie eeuwen middeleeuwse beeldhouwtraditie in Noord-Brabant

Glaudemans_1.jpg

Dirk Van de Perre – Ronald Glaudemans, De Sint-Jan te ’s Hertogenbosch. Bouwgeschiedenis en bouwsculpturen 1250-1550 (Zwolle: WBOOKS i.s.m. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2017) 440p. ill. 39,95€ ISBN: 978-94-6258-011-4

De auteur, geboren in 1964 te ’s Hertogenbosch, heeft een intense emotionele en professionele band met de onderzochte kerk. Als professioneel bouwhistoricus is hij in 1992 medeoprichter van de Stichting Bouwhistorie Nederland. Vanaf 1997 is hij voor het bouwhistorisch onderzoek betrokken bij de restauratie van de Sint-Jan. Sinds 2008 is hij gemeentelijk bouwhistoricus van Den Bosch. Hij is tevens onbezoldigd conservator van het Sint-Jansmuseum ‘De Bouwloods’. Het boek is de neerslag van langdurige praktijkervaring samengebracht in een proefschrift, waarop hij aan de Radboud Universiteit te Nijmegen promoveerde.

Het lijvige boek telt, Inleiding en Besluit niet meegerekend, acht hoofdstukken, chronologisch geordend naar de verschillende fases van de bouw. Uit de inleiding onthouden we dat de Sint-Jan in wezen een bakstenen gebouw is met een schil in natuursteen, wat tevens de kwetsbaarheid van vooral de buitenschil meebrengt. De bronnen voor de studie zijn enerzijds het gebouw zelf, dat de auteur vanop de stellingen jarenlang heeft kunnen bestuderen en anderzijds de ‘Collectie Sint-Jan’ die bestaat uit de vervangen stukken origineel beeldhouwwerk, gipsen afgietsels daarvan die soms bijgewerkt zijn om als model te dienen voor de vervangstukken, opmetingsplannen, schetsen, restauratieontwerpen en vroegere foto’s. Het middeleeuwse kerkarchief is beperkt en ook verhalende bronnen bieden weinig informatie. Opgravingen binnen de kerkruimte zijn quasi afwezig. Belangrijk in de inleiding is het verband dat de auteur legt tussen ‘bouwhistorie en bouwsculptuur’ (p. 25-32). Met bouwsculptuur worden gebeeldhouwde sierstukken en figuratieve uitbeeldingen bedoeld, die onderdeel zijn van het bouwproces zoals kapitelen, kraagstenen, gewelfsleutels, spuwers en zwikreliëfs. De datering van deze sculpturen laat toe om de bouwchronologie te bepalen. Die bouwevolutie geeft de auteur weer in 3D-beelden, die naast een visueel-didactische functie tevens als controle dienen om de logica van het voorgestelde bouwproces te toetsen. Want fasegewijs is de oude Sint-Janskerk afgebroken en omgevormd tot het huidige gebouw, een proces van ongeveer tweehonderd jaar (1350-1550). De auteur wijst erop dat wegens de grote brand in 1584 het originele dakgebinte verloren is gegaan, zodat onderzoek van het huidige dakgebinte geen bijdrage levert tot de middeleeuwse bouwchronologie.

De bouwevolutie wordt vervolgens uiteengezet in acht hoofdstukken, waarbij drie wegen worden gevolgd. Er is het pad van de lopende tekst, de gefaseerde tekening van het grondplan met de 3D-beelden van de opstand en de volledige fotografische inventaris van de bouwsculpturen uit de behandelde periode. In het hoofdstuk ‘De voorgangerskerken, 1220-1350’ (p. 34-79) leren we dat over de ontstaansgeschiedenis van de Sint-Janskerk weinig geweten is. Rond 1220 is een eerste kerk gebouwd buiten de toenmalige stadsmuren. De kerk, gelegen in het bisdom Luik, was afhankelijk van de verder gelegen moederkerk van Orthen, een toestand die tot 1413 is blijven bestaan. De eerste kerk was een romaans bouwwerk in Rijnlandse stijl met een basilicaal schip besloten met drie korte koren en een apsis. Aan dat volume werd een vierkante westtoren toegevoegd, waarvan de onderbouw vandaag nog aanwezig is. Tussen 1268 en 1350 werden gotische uitbreidingen toegevoegd. De gotiek deed in Den Bosch zijn intrede met de bouw van een minderbroederkerk in 1268. Een belangrijke datum in de geschiedenis van de kerk is de stichting in 1318 van het Lieve-Vrouwe-Broederschap.

Met het hoofdstuk ‘De koorzijbeuken en de straalkapellen, 1350-1385’ (p. 80-143) begint de bouwgeschiedenis van de nieuwe huidige gotische kerk. Wegens de snelle uitbreiding van de stad kwam de Sint-Jan binnen de nieuwe stadsmuren te liggen. De kerk won aan prestige door de oprichting van een kapittel (1366) en verwierf door de vondst van een miraculeus Mariabeeld (1380)en de hierbij ontwikkelde pelgrimage overvloedige inkomsten. De ambitie om een nieuwe grote gotische kapittelkerk te bouwen, waaraan tweehonderd jaar ononderbroken gewerkt is, zag rond 1350 het levenslicht. Men begon met rond het bestaande koor een nieuw verlengd gotisch koor met straalkapellen te bouwen. Wie de ontwerper van de nieuwe kerk is, is niet bekend. Willem van Kessel is de eerste naam van een loodsmeester (1382-1424/1425), die in de geschreven bronnen opduikt. Mogelijk was zijn schoonvader Henricus Samps (Samme) uit Leuven, werkzaam aan de gotische Sint-Lambertuskathedraal van Luik, zijn voorganger en ontwerper van het plan. De volgende hoofdstukken zijn ’De kooromgang en het hoogkoor, 1370-1400’ (p.144-207) en ‘Het noordtransept en de viering, 1400-1450’ (p. 208-247). In dit laatste hoofdstuk komt de bouw van het oksaal ter sprake, dat voor het eerst vernoemd wordt in 1437. Dit oksaal, gedeeltelijk vernield tijdens de Beeldenstorm, ging definitief verloren bij de brand in 1584. Een schilderij van Pieter Saenendam van het oksaal in de Sint-Pieterskerk van Den Bosch, een kopie van dat van de Sint-Jan, geeft toch een beeld van hoe het doksaal er heeft uitgezien. In het hoofdstuk ‘Het zuidtransept ca. 1445-1480 (p. 248-305) komen de namen van enkele loodsmeesters ter sprake, met name Willem van Boelre, Egidius Coelman, Cornelis De Wael en Alart Duhameel. Deze laatste was langdurig werkzaam bij de bouw en is verantwoordelijk voor de bouw van de noordelijke schipzijbeuken en de noordgevel van het schip, voor het ontwerp van de Broederschapskapel en voor de bouw van de zuidelijk portaalhal. Hij wordt voor het eerst in Den Bosch gesignaleerd in 1478, is afkomstig uit de streek van Valenciennes (toen nog graafschap Henegouwen) en werkte na Den Bosch nog te Leuven aan de Sint-Pieterskerk en de Parkabdij en te Antwerpen aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk, waar hij in 1505 overleed. De ‘Meester van het Bossche Zuidpotaal’, dat van een uitzonderlijke beeldhouwkundige kwaliteit is, heeft Glaudemans niet kunnen identificeren. Aan ‘De broederschapskapel, 1478-1495’ (p. 307-337) is een apart hoofdstuk gewijd. Deze kapel, aangebouwd aan de noordkant van de kooromgang is het werk van de genoemde Duhameel. Omdat van deze kapel de rekeningen zijn bewaard, geeft de auteur uitzonderlijk tevens een beschrijving van de interieuraankleding. De kapel bevatte een altaarretabel in beeldsnijwerk van Adriaan van Wesel (Utrecht) geflankeerd door twee geschilderde panelen van Jeroen Bosch. Er was onder meer een glasraam geschonken door de heer van Gaasbeek (bij Brussel). Maar het meest spectaculair, een hoogstandje van laatgotische beeldhouwkunst, is het gedraaide baldakijn, ontworpen door Duhameel en uitgevoerd door Jan Heijns, zijn zwager en opvolger. Vervolgens komen de hoofdstukken ‘Het schip en de zijbeuken, 1469-1522’ (p. 338-389) en ‘De bouw van de torens, ca. 1420-1529’ (p. 390-411) aan bod. In deze periode hadden de loodsmeesters Jan Heijns, en de Henegouwers Jan Anthonus Hediart en Jan Darkennes (d’Arquennes) vader en zoon, de leiding van de bouwwerken. De figuurtjes die schrijlings op de rug van de luchtbogen zitten, telkens zes per boog, zijn een unicum in de gotische bouwgeschiedenis. De westtoren werd verhoogd en op de hoogte van het nieuwe schip gebracht en bekroond met een houten spits. Maar het meest spectaculair was de centrale houten spits op de viering, Deze toren, die in 1584 afbrandde en bij het neerstorten het oksaal verwoestte en die we slechts kennen vanuit de iconografie, was naar een schatting van Glaudemans bijna 100 meter hoog. Over de ontwerper en maker van deze spits -in latere kronieken toegeschreven als het werk van de lokale schrijnwerker Jan van Poppel- weten we, aldus Glaudemans, niets

Tot slot is er geen betere betere samenvatting van de studie denkbaar dan die door de auteur zelf gebracht: “Met deze studie is een deel toegevoegd aan de lange reeks publicaties over de Sint-Jan en de bijzondere bouwsculptuur van dit gebouw. Nog niet eerder werd de bouwgeschiedenis op deze wijze behandeld en werd de collectie bouwfragmenten en bouwsculpturen integraal beschreven en in een tijdvak geplaatst. Gegevens van diverse onderzoeksdisciplines werden zoveel mogelijk samengebracht, waardoor een nieuw en genuanceerd beeld is ontstaan van dit uitzonderlijk rijk gedecoreerd gebouw.”

Wat is mij als niet-kenner van de Sint-Jan door de lectuur van dit boek bijgebleven? Vooreerst de uitzonderlijke documentatie, gerekend aan drie illustraties per blad, gaat het om meer dan 1000 beelden, met een fotografie van zeer goede kwaliteit, gebracht in een aangename lay out. Die beelden openbaren een middeleeuws fantasierijk universum met de uitbeelding van Bijbelse taferelen en heiligen, figuren uit het Brabants hertogelijk geslacht, individuen uit het dagelijks leven als ridders, muzikanten en ambachtslieden, zelfportretten van steenkappers, afbeeldingen van planten, dieren, fabeldieren, monsters, engelen en duivels. Die beelden tonen een lokale beeldhouwtraditie van drie eeuwen van zeer hoge kwaliteit. De nood aan een vlucht in een fantasiewereld, gebracht op marginale plaatsen als kraagstenen, zwikken, spuwers en luchtbogen, lijkt een constante bij de beeldhouwers van de Sint-Jan te zijn geweest. De verbeeldingswereld van Jeroen Bosch is een appel die niet ver van de boom is gevallen. Glaudemans schat dat iets meer dan de helft van het beeldhouwwerk van het exterieur tijdens restauraties van de 19de en 20ste eeuw vervangen is, terwijl in het interieur ongeveer 95% origineel is gebleven. Telkens geeft hij het dubbelbeeld van het originele vervangen stuk, bewaard in het museum ‘De bouwloods’ en van de kopie. Zo confronteert hij ons met de problematiek van de restauratie en de zin en onzin van het kopiëren van origineel, maar afgetakeld beeldhouwwerk. Dat vervangend beeldhouwwerk uit de 19de en 20ste eeuw is een belangrijk onderdeel van de bouwgeschiedenis en van de sculpturale traditie van de Sint-Jan. Eigenlijk is de tijdsaanduiding in de titel te beperkt. Zo biedt het boek ons een parallelle blik op een virtuele Sint-Janskerk, geconstrueerd door de auteur. Die confrontatie is een onvervangbare ervaring. Verder moet men in dit boek niet zoeken wat er niet instaat, de relatie tussen de stadsontwikkeling en de bouw, de institutionele geschiedenis van de kerk en haar kapittel, een overzicht van het meubilair, de altaren, de schilderijen (enkele fragmenten van originele gewelfschilderingen niet te na gesproken), de liturgie, de plaats van het kerkgebouw in het grotere geheel van de Brabantse gotiek. Het boek focust op de bouwsculpturen in relatie tot de bouwchronologie en dat op zich is meer dan de moeite waard . In die overvloed aan sculpturen liggen de eigenheid en het uitzonderlijk belang van deze kerk. Het is jammer dat een index van persoons- en plaatsnamen ontbreekt, wat de bruikbaarheid van het boek zou verhoogd hebben en het terugvinden van bepaalde passages zou vergemakkelijken. Tenslotte wil ik als iemand die niet zo ver van Affligem woont, nog wijzen op een klein luttel detailfoutje. De lokalisatie van Affligem op de kaart p. 14 met de herkomstgebieden van de gebruikte natuursteen is verkeerd. Affligem ligt niet nabij Balegem, maar ten oosten van Aalst een twintigtal kilometer ten westen van Brussel. De abdij van Affligem was enkele kilometers ten noorden van het klooster de bezitter van steengroeven in Meldert en omgeving en daardoor tijdens de middeleeuwen een belangrijke leverancier van witte Lediaanse kalkzandsteen.