Acht eeuwen Minderbroeders stevig institutioneel onderbouwd

Acht eeuwen Minderbroeders

Janick Appelmans - Jan A. De Kok, Acht eeuwen Minderbroeders in Nederland. (Hilversum: Verloren, 2007) 631 p. ill. index ISBN 978-90-8704-017-8 €39,00

Acht eeuwen Minderbroeders in Nederland mag dan wel een dikke turf van meer dan zeshonderd pagina’s zijn, toch is de subtitel Een oriëntatie terecht gekozen. Auteur Jan A. De Kok schreef een vlot en inspirerend boek, waarin hij zowel het overzicht behield als rekening hield met veel facetten die de geschiedenis van de volgelingen van Franciscus in Nederland vorm gaven. De eerste negen kapittels handelen over de middeleeuwse geschiedenis tot de Reformatie.

De vestiging en organisatiestructuur in Nederland

De komst van de minderbroeders naar Nederland analyseert De Kok in het tweede hoofdstuk. Hij legt de nadruk op de vestigingsstrategie die de eerste franciscanen in het Duitse Rijk volgden. De verspreiding gebeurde via weldoordachte assen: eerst vestigden de broeders zich in de bisschopssteden. Drie tot vier broeders vormden een gemeenschap, zodat een snelle opsplitsing mogelijk was. Zodra er nieuwe broeders aansloten, werd de groep gedeeld en ontstonden nieuwe vestigingen. Een gardiaan was belast met het bestuur van een klooster. Om al deze minderbroedergemeenschappen te overkoepelen ontstonden provincies, die met de verdere groei van de franciscaanse beweging enkele keren opgedeeld werden. Daaronder kwam een zich steeds verder vermenigvuldigend aantal custodiën onder leiding van een custos tot stand. In het noorden blijkt de organisatievorm van de custodie de voorloper van de eigenlijke vestiging. De custodiën Brabant en Holland ressorteerden onder de in 1239 afgesplitste provincie Allemania Inferior of Germania Inferior. De provinciaal van Germania Inferior resideerde te Keulen.

De Nederlandse kloosters

Bij Brabant hoorden de kloosters van Maastricht en ’s-Hertogenbosch, dat in 1249 naar de Hollandse custodie overging. Een tiental jaar eerder waren de franciscanen overgegaan tot de oprichting van deze custodie. Voordien hadden Nederlanders het ordekleed aangenomen, zoals meester Wiger van Utrecht, proost van het Sint-Pieterskapittel, die te Keulen in 1228 minderbroeder werd. De eerste vestigingen van de Hollandse custodie waren het hoofdklooster Utrecht, Dordrecht, Groningen, Middelburg en Zierikzee. De custodie Friesland kreeg in de veertiende eeuw vorm. Het strekte zich van Gelderland tot het noorden uit en omvatte het hoofdklooster Deventer, Bolsward en Groningen. Het klooster te Roermond behoorde tot de Keulse custodie. Uit de stichtingen van de dertiende en vroege veertiende eeuw sproten een twintigtal conventen van bedelmonniken voort. Naast twaalf vestigingen van minderbroeders waren er in 1320 tien predikherenkloosters, drie conventen van augustijnen en een karmelietenklooster. Hoewel de eerste minderbroeders in de Lage Landen zich in het graafschap Vlaanderen vestigden, bereikten zij pas in de vijftiende eeuw Zeeuws Vlaanderen, met kloosters te Sluis (1443) en Hulst (1458).

Onder invloed van de observantiebeweging werden in de meeste van de uit de dertiende en de vroege veertiende eeuw stammende kloosters hervormingen doorgevoerd. Toch begaven deze kloosters zich niet onder het gezag van de observantenvicaris. Alle bestaande gemeenschappen bleven reformaten- en conventualenkloosters die ressorteerden onder de Keulse provinciaal. In 1439 namen de observanten het in 1416 opgerichte klooster van Gouda brutaal over. In het zog van deze overval ontstonden tussen 1445 en 1488 niet minder dan 13 observantenkloosters. De nieuwe vestigingsplaatsen waren Alkmaar, Amersfoort, Amsterdam, Arnhem, Bergen-op-Zoom, Delft, Gorinchem, Haarlem, Leeuwarden, Leiden, Nijmegen, Weert en Zutphen. In vergelijking met andere Europese regio’s is dit een groot aantal. Deze stichtingen werden vaak bevorderd door de stadsmagistraat, die tegelijk wel maxima voor het aantal broeders oplegde. Klachten over overschrijdingen van de normen waren legio. Pas tijdens de zestiende eeuw gingen alle kloosters over naar de observanten. De te omvangrijk wordende provincie Germania Inferior werd in 1529 onder Habsburgse politieke druk in twee gesplitst. De Kok schetst een helder en genuanceerd beeld van de machtsstrijd tussen observanten en conventualen en de oprichting van de vele observantenkloosters. Hij benut daarbij de meest recente inzichten over machtsvertoon en geweldpleging bij de overname van franciscaanse kloosters. Tevens maakt hij duidelijk dat een aantal belangrijke onderzoeksvragen nog steeds niet beantwoord kunnen worden: Waar kwamen de broeders vandaan die alle observantenkloosters bevolkten? Wie was Hendrik Breninck, de franciscaan uit Westfalen, die bij de oprichting van verschillende observantenkloosters betrokken was?

Het assistentieklooster als model

Vaak zorgden kanunniken, zoals te Utrecht en Middelburg, voor het eerste onderkomen van de minderbroeders in de stad. De kloostergebouwen omvatten een portiersloge, een pandgang, een kapittelzaal, een refter met aansluitend de keuken, in de opleidingshuizen één of meer leslokalen, ontvangstkamers en op de bovenverdieping de cellen voor de broeders. Binnen het convent waren de gangbare functies die van gardiaan, vicaris, lector, econoom, koster, organist, voorzanger, klokkenluider, archivaris en bibliothecaris. Daarnaast waren er ook nog de taken van kok, keldermeester, refterverantwoordelijke, veger, ziekenverpleger, kleermaker, tuinman, bakker en brouwer.

Prediking, biecht horen en begrafenissen verzorgen als dienstverlening

De parochiegeestelijkheid deed vooral voor de prediking en het biecht horen een beroep op de minderbroeders, die als goed opgeleid golden. Hoewel paus Bonifatius VIII al in 1300 duidelijke rechtsregels afkondigde, die de bevoegdheden van de broeders om te preken en biecht te horen aflijnden, ontstonden af en toe conflicten met de lokale clerus, zoals te Utrecht en Maastricht. De broeders konden in de eigen kerk en in de openbare ruimte onbeperkt preken, behalve op het tijdstip dat er in de plaatselijke hoofd- of parochiekerk gepreekt werd. Binnenin een niet-franciscaans kerkgebouw kon preken enkel na uitnodiging. De bisschop voorzag de franciscaanse predikers van de vereiste machtiging, doch de selectie lag in de handen van de ordesoversten. Namen van de eerste predikers zijn niet overgeleverd, noch is er iets over hun stijl van prediking bekend. Het betrof vooral moraalprediking, die in bepaalde omstandigheden kon overgaan in boeteprediking. Hierin toonde de vijftiende-eeuwse minderbroeder Jan Brugman zich een meester. Brugmans boetepreken fulmineerden tegen dobbelen, steekpartijen op de kermis, markt houden op zondag en de burgeroorlogen. Begrafenis kon enkel in de minderbroederkerk geschieden, indien de laatste wilsbeschikking van de overledene daarover vaststond. Een kwart van de gegeven vergoeding diende aan de oorspronkelijk rechthebbende parochiegeestelijkheid te worden afgedragen. Tijdens pestepidemieën zetten de minderbroeders zich in voor het toedienen van de laatste sacramenten en de begrafenis van de vele doden.

Gedegen vormingsstructuur

Een lector begeleidde de novicen tijdens het éénjarig noviciaat. Deze lector gaf ook de andere bewoners dagelijks één uur onderricht en beschikte in de omvangrijkere kloosters over enkele collega’s. De betere studenten konden zich vervolmaken aan het studium generale, dat voor de provincie Germania Inferior vanaf 1230/1239 te Keulen gevestigd was. Vanaf 1425 en vooral na 1529 werd Leuven het studium generale voor de Nederlandse minderbroeders. Deze franciscaanse studiehuizen waren als colleges aan de universiteiten verbonden.

De eerste geschriften over de franciscanen in de Nederlanden waren van de hand van auteurs buiten de orde, zoals Hugo van Avranches, deken van het Maastrichtse Sint-Servaaskapittel. Jacob van Maerlant kreeg de opdracht om een leven van Franciscus en een (verloren) leven van Clara te schrijven. In de vijftiende eeuw kwamen meer teksten van franciscaanse schrijvers tot stand, waaronder de vita van Lidwina van Schiedam door Jan Brugman, de Scoon spieghel der simpelre menschen door Dirk Coelde en Hendrik Herps Spiegel der Volcomenheid.

Bij een aantal Nederlandse franciscanen kenden de opvattingen van Luther en andere reformatoren bijval. Daarentegen zagen slechts weinig minderbroeders het belang in van correcte (Griekse) Bijbelteksten. Bovendien waren hun kloosters vanaf 1530 dunner bevolkt, zodat de provinciaals steeds vaker de vragen van stadsbesturen voor goede predikanten en bekwame godsdienstleraren negatief dienden te beantwoorden.

Een goede oriëntatie

Jan A. De Kok verbindt de plaatselijke gebeurtenissen steeds aan de grote stromingen in de ordesgeschiedenis, bijvoorbeeld bij het ontstaan en de prilste verspreiding van de orde, bij de franciscaanse school en bij de observantenbeweging. Soms durft hij erg veel aandacht aan het verloop van de algemene geschiedenis besteden (passages in de hoofdstukken 5 en 8) of een wel erg evident verband ernaar leggen. Toch vormt Acht eeuwen Minderbroeders in Nederland meer dan een oriëntatie, die vooral sterk staat op institutioneel gebied. De soliede hoofdstukken over de eerste kloosters in Nederland, de observanten en de tweedeling van de provincie Germania Inferior in 1529 getuigen hiervan. Meer nog dan de korte, beredeneerde bibliografie bieden de eindnoten een goede en zorgvuldig geselecteerde oriëntatie aan de lezer. Bij hoge uitzondering mocht een bijkomende noot, zoals op pagina 69 bij de wereldlijke thematieken, zoals natuur- en sterrenkunde, waaraan broeder Geraert werkte, naast de Middelnederlandse levens van Christina Mirabilis en Lutgart van Tongeren.