Stenen voor mensen, marmer voor God. Materialen op de rots van Floreffe

Floreffe

Dirk J. de Vries – Herman Janssens (red.), Stenen voor mensen, marmer voor God. Materialen op de rots van Floreffe [Bijdragen van de contactdag 28] (Averbode: Werkgroep Norbertijner Geschiedenis in de Nederlanden, 2018) 61p. 17 afb. zw/w, geen ISBN

Deze bundel is de neerslag van de studiedag die 18 april 2018 plaatsvond in de abdij van Floreffe (B). Er staan vijf artikelen in: een historische inleiding over de geschiedenis van Floreffe en de stichter Norbertus van Xanten door Jean Lombet en vier bijdragen over natuursteen waarvan wij hier vooral de middeleeuwse en jongere toepassingen en in mindere mate het ontstaan en de geologie van de steen zullen bespreken. Twee artikelen zijn in het Frans, maar die zijn samenvattend in het Nederlands vertaald en toegevoegd.

De locatie van de abdij op de rots van Floreffe is het oudste premonstratenzer of norbertijner klooster in de Nederlanden en werd in 1121 op verzoek van het grafelijk echtpaar Godfried van Namen en Ermesinde van Luxemburg door Norbertus zelf op de rots van Floreffe gesticht. Men bouwde enkele decennia aan het complex waarvan met de kerk volgens de archieven vier decennia later op 6 april 1165 is begonnen en waarvan de zeven altaren in 1190 werden gewijd. Ondanks verwoestingen en ingrijpende verbouwingen blijken de genoemde data dankzij de nog aanwezige, deels verborgen bouwsubstantie te kunnen worden bevestigd. Anders gezegd, volgens de titel van de in Leuven werkzame natuursteenspecialist Frans Doperé wijzen de stenen en de dakkappen de weg naar de middeleeuwen. Daarmee kan niet alleen het eerdere onderzoek van architectuurhistoricus L.-F. Génicot worden bevestigd, omdat Doperé nog preciezer onderscheidt wanneer iets gebouwd is dankzij bestudering van de oppervlaktebewerking van de natuursteen. Verticale parallelle groeven wijzen op het gebruik van de puntbeitel hetgeen kenmerkend is voor de periode tussen 1175 en 1225. De natuurstenen rondbogen tussen de kapittelzaal en de oostelijke kloostergang zijn bewerkt met een gradeerijzer, hetgeen kenmerkend is voor het tweede kwart van de 13de eeuw. De kelder onder de westvleugel lijkt oorspronkelijk een bewoonbare ruimte te zijn geweest en is dankzij het gebruik van de puntbeitel ongeveer even oud als de abdijkerk zelf. Er is mogelijk gerommeld met de niveaus en de overwelving van de kapittelzaal, hetgeen volgens Génicot zou kunnen samenhangen met een belegering in 1188 of 1189.

Jammer dat we niet weten wat voor kapconstructie daar boven zit, want die wordt normaal gesproken voorafgaand aan een overwelving geplaatst. Houtwerk viel tijdens de studiedag helaas buiten beschouwing, maar speelt in de datering van Floreffe en in Postel, een andere vroege vestiging van de norbertijnen, een belangrijke rol. Daarom willen we de resultaten van het recente dendrochronologische onderzoek in beide kloosters nog even recapituleren. Dankzij Patrick Hoffsummer van de Luikse universiteit weten we dat de kerkkappen van Floreffe nog origineel zijn en tussen 1170 en 1180 dateren. Men heeft dus ongeveer één decennium aan de abdijkerk gebouwd, maar het duurde nog eens 15 jaar eer de binnenkant daarvan was afgewerkt.

Dankzij schenkingen van grond in 1134 en 1145 konden de norbertijner monniken vanuit Floreffe het klooster Postel in de Kempen stichten. Daar werd in 1140 een eerste bidplaats geconsacreerd, mogelijk een provisorisch bouwsel ter plaatse van het huidige koor. In 2003 kon ondergetekende namelijk als oudste het oostelijk schip van de zusterabdij Postel in 1176 ± 5 jaar (d) dateren. Dit wijst op een andere dan de gebruikelijke volgorde, omdat de kerk in Postel in 1190 gewijd is en het hout van de kap op het koor in 1191-1192 gekapt werd, dus daar achteraan hobbelt. Het gaat in beide abdijen om unieke sporenkappen, even zeldzaam als een evangeliarium uit die tijd en ongekend vroeg in vergelijking met wat er aan houtwerk in de noordelijke Nederlanden bewaard bleef. De ruimere context en het hout kunnen dus van belang zijn om de bouwgeschiedenis te duiden.

Terug naar het thema van de bundel: de massieve muren van de abdij op de 190 meter hoge rots van Floreffe zijn opgetrokken uit lokaal gedolven grijze, fossielrijke Maaskalksteen. Er wordt vermeld dat in het naburige dorp Sovimont een groeve was die door de kanunniken van Floreffe werd uitgebaat (p. 22). Dit is een interessante kwestie die nadere toelichting verdient: deden de kanunniken dat eigenhandig, werden er lekenbroeders ingezet, of ging het om het verpachten van de groeve aan leken?

Vergelijkbaar wellicht is de situering van het klooster Maria Laach nabij de Rijn waarvan gezegd wordt dat de monniken betrokken waren bij de winning van de ter plaatse aanwezige vulkanische natuursteen. Daar komt ook de tufsteen vandaan die men gebruikte voor de bouw van de abdijkerk van Postel, ongetwijfeld een complexe logistieke opgave destijds, omdat er geen grote vaarwegen voor het transport van de steen beschikbaar waren. Wellicht dient men hierin ook de invloed van de territoriale en kerkelijke machthebbers te betrekken. De graaf en gravin van Namen hadden de hand in de stichting van Floreffe en Norbertus bracht diverse relieken naar de abdij die hij in Keulen opgehaald had. Over de financiering van de abdij werd in 1165 onderhandeld door aartsbisschop van Keulen en de prinsbisschop van Luik (p. 11).

Hoogst interessant is Doperé’s kritische analyse van Floreffes oude altaarsteen met inscriptie waarop Norbertus zelf in 1121 de mis zou hebben opgedragen: de slijtage aan de bovenkant naar achteren toe is onverklaarbaar, de steen is aan weerszijden ingekort, waar beide wijdingskruisjes op zijn afgestemd, en de scheef gestelde kapitale letter S, geplaatst vóór de tekst ‘NORBERTUS QVONIAM SVPER HUNC LAPIDEM CELEBRAVIT. 1121’ die later aangebracht zou kunnen zijn. De bijbehorende figuur 3 (p. 31) toont het jaartal helaas niet, maar, indien correct weergegeven, zou de twijfel van Doperé versterkt kunnen worden, omdat men anno 1121 een datering (nog) niet in Arabische cijfers schreef. De auteur verklaart dat de scheve S een toevoeging uit later tijd kan zijn omdat Norbertus pas in 1582, ten tijde van de contrareformatie, door paus Gregorius XIII heilig is verklaard. Wat daar tegen spreekt is dat ruim voor de heiligverklaring Norbertus reeds van een nimbus was voorzien op diverse middeleeuwse afbeeldingen is (zie internet).

Tot zover de middeleeuwen. Geoloog en conservator Marleen De Ceukelaire en paleontoloog Francis Tourneur herkennen uit de complexe lokale geologie alle afzettingsgesteenten tot in de kleinste details, qua ontstaan, samenstelling, kleur, aders, fossielen, etc. Een deel daarvan wordt ‘marmer’ genoemd maar is dat eigenlijk niet, omdat het echte witte, metamorfe gesteente alleen in Carrara te vinden is. Deze laatste soort is samen met het geaderde zwarte en bonte Belgische ‘marmer’ op grote schaal in de abdij van Floreffe te vinden, maar dan na de middeleeuwen door architecten die met namen bekend zijn. Het gaat vooral om altaren, vloeren, vensterbanken en de schouwen in de diverse appartementen van de abten, die ieder in de stijl van de tijd hun stempel op de bouwgeschiedenis hebben gedrukt. Net als in paleizen, werden de marmeren schouwen vanuit de gang van brandstof voorzien.

De fraaie titel van de congresbundel dekt de lading dus slechts ten dele: de abten namen geen genoegen met ruwe steen. Een en ander neemt niet weg dat ook het in de nabijheid gewonnen Belgische marmer kostbaar was en in de jongere tijd in dunne platen verzaagd werd. Hogerop toegepast, schuwde men in de kerk niet om geschilderde marmerimitaties toe te passen, kennelijk goed genoeg voor god. Een en ander neemt overigens niet weg dat er in de middeleeuwen soms sprake lijkt te zijn van bewust gekozen bouwmaterialen, bijvoorbeeld hout en baksteen versus natuursteen die in de noordelijke gebouwen van observanten en bedelorden vrijwel ontbreekt.

Marleen De Ceukelaire toont fraaie documentatietekeningen, met verschillende patronen in de kerkvloer, bij haar artikel. Die hadden best in kleur afgedrukt mogen worden, net als de diverse foto’s bij haar interessante verhaal. Zij merkt bijvoorbeeld op, dat in gangvloeren met een patroon van grijze en zwarte Maaskalksteen de grijze tegels meer versleten lijken te zijn dan de zwarte. Uit de zijkanten van de paden blijkt echter dat het om een bewust toegepast hoogteverschil zou kunnen gaan om een bepaald effect te bewerkstelligen. Wij kennen dat patroon in het zuiden van Nederland ook in enkele kloostergangen, bijvoorbeeld die van Soeterbeeck uit 1733 (d).

Behalve in Floreffe vonden er in 2018 nog twee andere, grote congressen over natuursteen plaats in België: in Amay (8-14 juli) en in Namen (6-8 december) waar enkele van de voornoemde sprekers eveneens optraden. De eerstgenoemde bijeenkomst was georganiseerd door het C.I.R.G., het Centre International de Recherches Glyptographiques. Dit gezelschap komt iedere twee jaar ergens in Europa bijeen. Het congres is een combinatie van lezingen en excursies naar steengroeven en historische gebouwen. In het begin lag het accent vooral bij de merktekens op natuursteen, maar tegenwoordig kijkt men breder, bijvoorbeeld ook naar de winning, toepassing, bewerkingssporen, het transport en de restauratie.

Idee van een aantal Nederlandse specialisten is om het congres van een kleine week tegen de zomer van 2022 in Nederland te organiseren en zowel de hier toegepaste Belgische als Duitse steensoorten te behandelen. De historische invalshoek speelt daarbij een belangrijke rol en de achterban van Signum is bij deze uitgenodigd om met een bijdrage over dit onderwerp te leveren.