Brede maar slordige studie over de Zwolse kerkelijke instellingen

Uit vrije wil en voor zijn zieleheil

Hildo van Engen en Madelon van Luijk - Ingrid Wormgoor, Uit vrije wil en voor zijn zielenheil. Kerkelijke instellingen in Zwolle en hun functioneren binnen de stedelijke samenleving tot 1580 (Zwolle: Waanders, 2007) 527 p. ill index ISBN 978-90-400-8279-5

Uit vrije wil en voor zijn zielenheil is de handelseditie van de dissertatie waarop Ingrid Wormgoor vorig jaar promoveerde in Groningen. Het wordt hier besproken door twee recensenten, die pas op het laatste moment ontdekten dat zij met hetzelfde doel met dit boek in de weer waren, en toen besloten hun beider aantekeningen in één bespreking onder te brengen.

Al eerder publiceerde Ingrid Wormgoor enkele artikelen over aspecten van de Zwolse kerkgeschiedenis, maar in dit proefschrift behandelt zij alle kerkelijke instellingen in de stad voor de gehele (late) middeleeuwen, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar zaken van organisatorische en financiële aard. In de inleiding verduidelijkt de auteur dat het haar te doen is om de vraag naar de functies die de kerkelijke instellingen binnen de stedelijke context vervulden en naar de gevolgen van de maatschappelijke, politieke en religieuze (en ook economische, zo blijkt op p. 403) veranderingen voor de manier waarop de inwoners van Zwolle en vooral de Zwolse overheid met die instellingen omgingen. De verklaring voor deze insteek zal Signumleden wellicht verbazen: Wormgoor wijst erop dat het weliswaar algemeen aanvaard is dat religie grote invloed had op de middeleeuwse samenleving, maar dat veel minder duidelijk zou zijn ’wat dat in de praktijk betekende en hoe die invloed zich manifesteerde’ (p. 11). Hoe dat ook zij, de auteur hoopt, door alle Zwolse kerkelijke instellingen te behandelen, een samenhangend inzicht te kunnen verschaffen in de verhouding tussen Kerk en (stedelijke) samenleving. Terecht is ervoor gekozen om niet de grenzen van de Zwolse stadsvrijheid als uitgangspunt te nemen, maar die van de parochie Zwolle, hetgeen betekent dat ook de belangrijke plattelandskloosters te Windesheim en op de Agnietenberg aan bod komen. Gezien de breedte van deze aanpak is hier dus zonder meer sprake van een ambitieuze studie.

De behandeling van deze stof valt uiteen in drie delen, die achtereenvolgens de opkomst van Zwolle, de bloeitijd van de stad in de vijftiende eeuw en de periode van de zestiende eeuw ter sprake brengen. Binnen deze driedeling zijn de instellingen op hun beurt ingedeeld in drie categorieën, namelijk de kerken (met inbegrip van broederschappen en ambachtsgilden), de kloosters en conventen, en de gasthuizen en armeninstellingen. Zoals de auteur in de inleiding verantwoordt, heeft zij de scholen buiten beschouwing gelaten.

Het eerste gedeelte, over de opkomst van de stad, telt twee hoofdstukken en is het meest beknopt. Tot circa 1300 past Zwolle naadloos in het algemene patroon, en kunnen de Zwollenaren bepaald niet worden gekarakteriseerd als ’gangmakers’. De oudste instellingen die hier worden gepresenteerd zijn de aan Sint-Michaël gewijde parochiekerk, het in 1309 gestichte Bethlehemklooster (reguliere kanunniken), het Oldeconvent (begijnen) en het Heilige Geestgasthuis. Zoals ook elders vaak gebeurde, namen in Zwolle de begijnen van het Oldeconvent na verloop van tijd de derde franciscaanse regel aan, maar de voorrechten die de auteur op p. 48 aan deze gemeenschap toeschrijft hebben betrekking op het onder invloed van de Moderne Devotie verkerende Kapittel van Utrecht, en daar is het Oldeconvent nu juist nooit bij aangesloten geweest.

Het grootste deel van Wormgoors boek beslaat de vijftiende eeuw, die wordt aangeduid als een ’Gouden Eeuw’ voor de Hanzestad, waarop de trefwoorden vergroting, vernieuwing, zelfvertrouwen en welvaart goed van toepassing zijn (p. 53). Niet ver van de parochiekerk verrees de Onze-Lieve-Vrouwekapel, in het buitengebied kwamen de kloosters Windesheim en Agnietenberg tot stand, een groot aantal zusterhuizen zag het licht, in 1465 vestigden zich dominicanen in de stad en ook ontstonden nieuwe gast- en armhuizen. Hoofdstuk 6 bevat een mooie beschrijving van de (ver)bouw van de Michaëlskerk en de Onze-Lieve-Vrouwekapel en de financiering ervan. Een interessante observatie in het hoofdstuk over het dominicanenklooster is dat op grond van schenkingen verondersteld kan worden dat de waardering voor de instellingen van de Moderne Devotie rond 1500 iets eerder terugliep dan die voor de dominicanen.

Natuurlijk komt de bestuurlijke crisis van 1415/1416, toen de ambachtsgilden politieke invloed opeisten, uitgebreid ter sprake. Zoals bekend aarzelde het nieuw gevormde stadsbestuur niet om strenge maatregelen te nemen tegen de vrouwenconventen en hun bezittingen en tegen de komst van nieuwe kloosters. Die maatregelen troffen ook het benedictinessenklooster Klaarwater, dat in 1414 ontstond nadat een aantal zusters uit het bij Hasselt gelegen Zwartewaterklooster zich van die gemeenschap had afgescheiden om een strenger leven te gaan leiden (Wormgoor heeft het over het aannemen van een strengere orde - wat moeten we ons daar bij benedictinessen bij voorstellen?). Deze zusters vestigden zich op een terrein nabij Hattem, aan de overzijde van de IJssel maar toch behorend tot het Zwolse stadsgebied. Wormgoor gaat op dit klooster Klaarwater vrij uitvoerig in, omdat zij in ’de invoering van clausuur’ de belangrijkste aanleiding vermoedt tot het ferme optreden van het stadsbestuur (p. 78). Jammer genoeg slaat zij de plank hier volledig mis, doordat gegevens over het Zwartewaterklooster en het Hasseltse derde-ordeconvent van Sint-Maria met elkaar worden vermengd. De Hasseltse tertiarissen hadden in 1414 een conflict met hun stad over de invoering van de clausuur, waarbij de Hasseltse magistraat voorbijging aan een privilege van de bisschop van Utrecht (deze kwestie is recent nog behandeld in het Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 5 (2002), zie aldaar p. 238-240). We staan er hier zo uitvoerig bij stil omdat deze merkwaardige en onjuiste analyse van de bronnen de basis vormt van Wormgoors beoordeling van de gespannen situatie tussen stadsbestuur en kloosterlijke instellingen, waarin onbedoeld de Hasseltse introductie van de clausuur als de voornaamste oorzaak wordt aangewezen voor de komst van het Zwolse gildenregime. Daarbij wordt al te gemakkelijk de heersende opvatting terzijde geschoven dat de gilden bevreesd waren voor een grote bezitsverwerving door de geestelijke instellingen, mede omdat grondbezit in Zwolle een belangrijke voorwaarde was voor een plaats in de magistraat. Niet de komst van een besloten klooster of de door Wormgoor onderkende doch niet-bestaande onduidelijke juridische status van de benedictinessen moet de stadsbestuurders tegen de haren in hebben gestreken, maar wel het blote feit van de vestiging van een nieuwe kloostergemeenschap in Zwolle, en dan ook nog een van hervormingsgezinde snit, waaraan de inwoners van Zwolle graag bereid zullen zijn geweest om schenkingen te doen. De slotconclusie van hoofdstuk 5, namelijk dat er geen oorzakelijk verband valt aan te wijzen tussen het gildenbestuur en de kloosterbepalingen, omdat ook onder nieuwe stadsbesturen beperkende maatregelen op onroerend goederenbezit van kloosters werden uitgevaardigd, delen we dan ook zeker niet.

Het achtste hoofdstuk handelt over de Zwolse vrouwenhuizen van de Moderne Devotie. Het is natuurlijk geen verrassing dat het boek hier bijzonder veel overeenkomsten vertoont met de dissertatie Bruiden van Christus van Madelon van Luijk uit 2004. Hiervan is Wormgoor zich overigens bewust, want op p. 167 wordt nadrukkelijk gesteld dat enige overlap onvermijdelijk is. De bewering dat het uitgangspunt van beide studies zo verschillend is, overtuigt niet, aangezien in Bruiden van Christus aan de vergelijking tussen de toestand in Leiden en Zwolle wel degelijk een zelfstandige analyse van de Zwolse situatie voorafgaat. De bijzondere positie van het Oldeconvent (8.1), de stichting van de nieuwe vrouwenhuizen aan het begin van de vijftiende eeuw (8.2), de huisvesting (8.3), de inwoonsters (8.4), de regelgeving (8.5) en de invloed van buitenstaanders op de huizen (8.6), het zijn allemaal thema’s die in Bruiden van Christus reeds uitvoerig werden behandeld. Dat op zich is vanzelfsprekend niet problematisch, maar Uit vrije wil en voor zijn zielenheil wekt ten onrechte de verwachting dat er op de overlappende deelgebieden een andere mening of nieuwe inzichten worden gepresenteerd. Dat is echter niet of nauwelijks het geval.

Het derde, eveneens uitvoerige deel van Wormgoors boek behandelt de zestiende eeuw. De auteur beschrijft hoe een reeks oorlogen de stad aan het begin van deze eeuw in grote financiële problemen bracht. Ook in Zwolle drongen vanaf de jaren twintig nieuwe religieuze opvattingen door. De beeldenstorm van 1566 lijkt in Overijssel vrij rustig te zijn verlopen. Door het doen van concessies aan de protestanten wist het Zwolse stadsbestuur de schade beperkt te houden. Geconcludeerd wordt dat, afgezien van het optreden van de wederdopers in de zestiende eeuw, de Hervorming Zwolle geleidelijk en min of meer onopgemerkt bereikte. Interessant is de bevinding in hoofdstuk 13, waar de sociale achtergronden van de kerkmeesters van de twee stedelijke kerken onderzocht worden. Het kerkmeesterschap lijkt te hebben gediend als opstap voor deelname aan het stadsbestuur, al was het met deze doorstroming vanaf omstreeks 1520 grotendeels gedaan, mogelijk omdat de gevestigde elite een kerkelijke positie toen minder interessant ging vinden.

In een uitvoerige nabeschouwing worden de bevindingen uit de vierhonderd voorafgaande bladzijden nog eens op een rijtje gezet. De essentie hiervan is dat het stedelijk beleid erop was gericht om rust en orde te handhaven en de stedelijke zelfstandigheid te bewaren. Het stadsbestuur verbond zich nadrukkelijk met de parochiekerk, maar als collectief wenste het zich niet of nauwelijks met de andere instellingen te associëren, hoewel er uiteraard tal van connecties waren tussen individuele stadsbestuurders en de diverse kerkelijke instellingen. In de loop van de tijd nam de invloed van de stad op de instellingen toe, vooral in organisatorisch opzicht. Een achttal bijlagen, met onder meer een overzichtelijke presentatie van gegevens over de kerkmeesters, altaren, schenkingen aan instellingen maar ook een tamelijk willekeurige lijst van moeilijke begrippen besluit deze studie.

Het viel ons op dat dit boek in verschillende opzichten nogal slordig in elkaar steekt. In hoofdstuk 7 bijvoorbeeld wordt op p. 161 verwezen naar iets wat al eerder zou hebben moeten blijken, maar wat pas in het volgende hoofdstuk aan bod komt. Hoofdstuk 8 heeft in de inhoudsopgave een andere titel dan in het boek zelf. Het boek heeft te veel tikfouten en onvolledige zinnen, maar ook onjuistheden, bijvoorbeeld paus Johannes XXII in plaats van XXIII (p. 131). De index van persoonsnamen is niet compleet, het alfabet is er niet consequent gevolgd, en Frederik van Blankenheim is er gerangschikt onder de B terwijl diens wijbisschop Mathias van Budva onder de M moet worden teruggevonden. Van slordigheid is ook sprake waar het de geografie betreft: vermeld worden Herkelo in plaats van Harculo (p. 42), Hattum in plaats Hattem (p. 67), en de Hollander Johan Vos van Heusden wordt voor Brabander uitgemaakt (p. 148). Dat de drie priesters van het Heilige Geestgasthuis een ’goed, eerlijk en priesterlijk leven [moesten] lijden’ (p. 226) getuigt evenmin van een grote nauwkeurigheid, en dat geldt ook voor het gebruik van de woorden ’mijneed’ (p. 228), ’promt’ (p. 237) en ’en passent’ (p. 238); deze voorbeelden zijn afkomstig uit één hoofdstuk. Ernstiger nog is het gebruik van verkeerde of zelfs niet-bestaande termen, zoals ’conventuelen’ waar ’conventualen’ bedoeld zijn (p. 14). En wat te denken van de op p. 331 vermelde ’geconfeste broeder’? Behalve de auteur zelf mogen ook promotor, uitgever en promotiecommissie zich hierover nog eens achter de oren krabben.

Gelet op de hierboven al geconstateerde ambitieuze aanpak van deze studie stelt het eindresultaat teleur. De verdienste van dit boek is dat het een overzicht biedt van de middeleeuwse kerkelijke instellingen in Zwolle, maar van een proefschrift en ook van een dergelijke synthese zouden meer nieuwe inzichten verwacht mogen worden. De ontwikkelingen in Zwolle lijken in grote lijnen het patroon te hebben gevolgd dat ook van andere steden bekend is. Waar het Zwolse beeld hiervan afwijkt, zoals in het geval van het gildenbestuur, is een scherpere analyse vereist om de situatie in het juiste perspectief te plaatsen. Een meer afgebakende vraagstelling had waarschijnlijker geresulteerd in een spannender en meer vernieuwende studie.