Kritische externe blik op de Thornse kanunnikessen

Kersken - Zwischen Glaube und Welt

Janick Appelmans – Hartwig Kersken, Zwischen Glaube und Welt. Studien zur Geschichte der religiösen Frauengemeinschaft Thorn von der Gründung bis zur Mitte des 14. Jahrhunderts [Maaslandse Monografieën 81] (Hilversum: Verloren, 2016) 264p. ill. 29,00€ ISBN: 978-90-8704-570-8

Veel kleinere thematische studies belichtten deelaspecten van de geschiedenis van Thorn.1 Daarnaast kwam het vrouwenkapittel ook al in het blikveld van enkele belangrijke overzichtsstudies. Toch bleven nog tal van desiderata voor het historisch onderzoek. Bovendien zijn er toch wat opmerkingen te formuleren bij eerdere bevindingen. Zo betreurt Hartwig Kersken bij een aantal publicaties de al te sterke klemtoon op het juridische statuut of de stereotiepe titelkeuze. Veel kleinere studies beperkten hun focus vaak tot de stichtingsperiode en hadden geen aandacht voor de hoge en vooral de late middeleeuwen. Toch zijn er ook enkele belangrijke publicaties verschenen, die hier en daar kunnen bijgesteld worden met nieuwe inzichten. In de afgelopen decennia waren er Esther Kochs Kloosterpoort als sluitpost? (1994)2, Arnoud-Jan Bijstervelds vergelijkend artikel 'De oorsprong van de oudste kapittels (2002)'3 en de impulsen vanuit de memoriastudies4. Voor het leven in het achttiende-eeuwse Thorn wijzen we op het onlangs verschenen boek van Joost Welten.5

In zijn indrukwekkende studie gaat Hartwig Kersken geen netelige thema’s uit de weg, zoals daar zijn: In welk tijdvak werd Thorn gesticht? Wat was de verwantschapsband binnen de familie van stichter Ansfried? Welk was de invloed van diens overleden echtgenote Hereswind op de stichting? Waar lag het machtsgebied van graaf Ansfried? Wanneer kwam Thorn onder de invloed van de Luikse bisschop? Welk steunpunt bouwden bisschop Notger en zijn opvolgers in Thorn uit? Uiteraard kan de klassieke vraag niet ontbreken: Was de Thornse gemeenschap een klooster dan wel een kapittel? Verder stelt Kersken ook tot nog toe nauwelijks behandelde vragen: Wie was Hereswind? Hoe versterkten de conventsgemeenschap en de kanunniken hun invloed in de dertiende eeuw? Vanuit de keuze om op al deze kwesties in te gaan beperkt Kersken zich in de tijd van de stichting tot het midden van de veertiende eeuw.

Graaf Ansfried (†1010), die later de Utrechtse bisschopszetel zou bestijgen, stichtte tussen 972 en 995 op zijn eigengoed in Thorn in het bisdom Luik een klooster voor monialen, Deze instelling, gewijd aan Maria en bedoeld als laatste rustplaats voor zijn familie, stond onder de leiding van zijn eigen dochter als eerste abdis. Zijn voor de stichting overleden echtgenote Hereswind was alleszins niet vreemd aan het initiatief. De bronnen voor de vroegste geschiedenis zijn duidelijk over de stichter, maar laten niet echt toe om diens herkomst en familie eenduidig in kaart te brengen. Een bepaalde redactie van de vroeg elfde-eeuwse kroniek van Thietmar van Merseburg verhaalt in zeven kapittels het leven van Ansfried.6 De dertiende-eeuwse en vaak verguisde Gesta episcoporum Leodiensium van de cisterciënzer Gilles van Orval laten zich ook wat Ansfried betreft op fouten betrappen, zoals zijn laatste rustplaats, te weten de Utrechtse Sint-Maartensdom en niet de door hem op de Hohorst gestichte Paulusabdij. De niet meer in origineel voorhanden zogenaamde stichtingsoorkonde is een vervalsing uit Noord-Brabant uit de periode tussen 1565 en 1610. Alpertus van Metz’ De diversitate temporum tenslotte biedt geen bijkomende informatie.

Kersken behandelt in het licht van Thorns ontstaansgeschiedenis enkele vragen die de historiografie zich al decennia stelt: wat was de herkomst van graaf Ansfried en waar lagen zijn graafschappen? In de genealogie van Ansfried brengt Kersken een opvallende wijziging aan. Lambertus was, zoals tot nu toe aangenomen, de vader van de oude Ansfried en van Ruodbert (†956), die aartsbisschop van Trier werd, en de grootvader van Ansfried, de stichter van Thorn. Maar Kersken ziet in deze jonge oude Ansfried niet de neef of oomzegger van de oude Ansfried, maar diens zoon. Het blijft moeilijk om de hand te leggen op het vijftiental graafschappen dat Ansfried in het midden van de tiende eeuw, volgens het relaas van Thietmar van Merseburg, bezat. In de post-Karolingische tijd waren deze graafschappen zeer dynamische gebieden met wisselende invloedsferen en grenzen Het waren zeker, zoals Egon Boshof stelde, kleine entiteiten. Vast staat wel dat Ansfried een groter territoriaal complex trachtte uit te bouwen. Het graafschap Hoei bezat hij van na 975 tot 985, het jaar dat de keizer het aan de ter plekke al redelijk wat rechten bezittende Luikse bisschop gaf. Kersken maakt geen bemerkingen bij de bestaande visie dat Otto III (983-1002), in ruil voor de afstand van Hoei, aan Ansfried toevertrouwde koninklijke rechten in Medemblik, Friesland en “Inferior Maselant” in eigengoed omzette, zoals een Thorns charter van datzelfde jaar 985 duidelijk maakt. Wellicht lagen andere graafschappen van Ansfried in Teisterbant, Taxandrië en in de tussen Schelde, Dijle en Haine gelegen Brabantgouw, waar hij in keizerlijke opdracht de door Alpertus als rovers weggezette, opstandige edelen, vermoedelijk onder leiding van Lambert, de stamvader van het Leuvense gravenhuis, bestreed. De ligging van Thorn tenslotte doet vermoeden dat hij ook in de Maasgouw grafelijke rechten bezat.

Zowel de gedachtenis aan beide echtelieden in een midden zestiende-eeuwse Thornse processionale en een gebed voor de zielenheil van het echtpaar, als de expliciete vermelding van Thietmar dat de Thornse stichting “communis laboris” van Ansfried en Hereswind was, hebben verrassend genoeg weinig aanleiding gegeven tot de studie van Hereswinds rol, positie en afkomst. Kersken verwerpt de door Hein Jongbloed voorgestelde ontdubbeling van de persoon Hersewind-Hildeswind volledig.7 De naam Hildeswind en alle mogelijke variaties erop stammen uit de nieuwe tijden en gaan terug op de kroniek van Gilles van Orval. In de middeleeuwen wordt te Thorn steeds de naam Hereswind gebruikt om de tot tweede patrones, naast Maria, uitgegroeide medestichteres, die in een afgesloten ruimte, naast de kerk, maar binnen de clausuur begraven was, te gedenken. Haar gebeente werd in 1140 gelicht en enkel het lijkkleed bleef in het oorspronkelijk graf liggen. Hereswinds relieken vonden een nieuwe, indrukwekkende rustplaats in een graftombe in het midden van het koor. Tijdens een bezoek op 3 augustus 1637 tekende de Luikse kanunnik Hendrik Van den Berch de gotische tombe.

De zustergemeenschap werd gesticht in een bestaande parochiekerk, die Ansfried als eigenkerk bezat in Thorn, dat samen met Kessenich en Neeritter, deel uitmaakte van een groter geheel. Tot het stichtingspatrimonium behoorde wellicht de hoeve van Gilze bij Breda, waar Hereswind op de terugtocht naar Thorn en plots door een zware ziekte geveld, overleed. Hetzelfde geldt voor de Gilzense Sint-Pieter-Bandenkerk, die als moederkerk voor Ginneken, Bavel, Princenhage, Etten en Sprundel fungeerde. Kersken is veel minder stellig dan de bestaande historiografie om de in de vervalste stichtingsoorkonde opgenomen bezittingen als Hereswinds stichtingsgoederen te beschouwen. Wel staat vast dat de Thornse gemeenschap in de dertiende eeuw over hoeves, rechten en bezittingen beschikte in veel dorpen in de streek van Breda en noordelijker tot in Geertruidenberg.

Voor het tijdvak van de stichting volgt Kersken de eerdere besluiten van Jean Baerten en Adriaan Monna, namelijk naar de ambtsaantrede van de Luikse bisschop Notger (†1008) in 972 en voor Ansfrieds Utrechts episcopaat dat in 995 begon.8 Voor een nadere precisering ten gevolge van een langer oponthoud van Ansfried als koningsbode in Italië na de keizerskroning van Otto I in 962 zijn geen bewijzen, maar eerder tegenindicaties in de geschiedverhalen van Thietmar en Alpertus. Ongetwijfeld was het stichtingsproces een werk van langere duur, dat niet op één welbepaalde datum vastgepind kan worden. Kerskens uitvoerige vergelijking met andere kapittelstichtingen zoals Elten, Gandersheim, Gernrode en Vilich leert dat noch vroege (omwille van het uitblijven (of overlijden) van een zoon), noch late stichtingsdata (omwille van de geboorte van een dochter) kunnen worden uitgesloten. Deze laatste situatie, waarin het echtpaar Ansfried-Hereswind verkeerde, gecombineerd met twee passages uit Thietmars kroniek, doen Kersken overhellen naar een vroege datering binnen het tijdvak 972-995. Jongbloed wees al op de dotatie van Thorn vanuit het erfgoed van de jonge Ansfried. Ook de relatief snelle opvolging van de passages van Ansfrieds optreden als zwaarddrager bij de keizerskroning in 962 en de Thornse stichting doet Kersken voorstellen om het begin van de stichting in het decennium 960 te plaatsen. Pas na het begin van Notgers episcopaat was de stichting voldoende gevorderd opdat er zich vrome vrouwen konden vestigen. De toen nog minderjarige dochter van het stichterspaar had evenwel nog een bisschoppelijke dispensatie nodig om leiding te mogen geven aan de gemeenschap.

Veel adellijke kapittelstichters zochten het voortbestaan van hun stichting te waarborgen middels keizerlijke bescherming. Doch in de hier bestudeerde casus liep het anders, want op 4 juni 1007 benoemde keizer Hendrik II (1002-1024) Thorn als eigenklooster van de Luikse bisschop. De eigenlijke machtsovername situeert Kersken in de voorgaande maanden, maar alleszins na 10 juni 1006. Stichter Ansfried, inmiddels gepromoveerd tot bisschop van Utrecht, had zijn religieuze belangstelling tijdens zijn laatste levensjaren geconcentreerd in een nieuwe stichting op de Hohorst. Geconfronteerd met toenemende slechtziendheid, had hij voor dit benedictijnenklooster nabij Amersfoort geopteerd als laatste rustplaats en als centrum van de eigen memorie. Kerskens nieuwe, maar goed onderbouwde zienswijze plaatst de overdracht van Thorn aan zijn Luikse ambtsgenoot later dan het vroegere historische onderzoek tot nu toe vooropstelde. De afzijdige houding van Ansfried tijdens de vele conflicten in de Lage Landen, waarin de keizer en zijn belangrijkste Lotharingische vazallen in betrokken waren, zal aan de overdracht, die ongetwijfeld onder vorstelijke druk tot stand kwam, niet vreemd geweest zijn. Zijn collega Notger had zich als de steunpilaar bij uitstek van het keizerlijk gezag en de Rijkskerk getoond. In ruil voor zijn trouw in woord en daad werd de Luikse bisschop met de zeggenschap over tal van religieuze instellingen beloond, tot een eind in het westelijke gelegen Kamerijkse diocees.9 De machtsoverdracht in Thorn betekende een bescheiden Luiks steunpunt in het noorden van het latere prinsbisdom en beoogde de economische ontwikkeling van Texandrië. Het charter van 4 juni 1007, dat niet in de keizerlijke kanselarij tot stand kwam, verleende ook het markt- en tolrecht aan het Thornse klooster. Deze gunst lag in de lijn van de vele marktrechten die Hendriks voorganger keizer Otto III in de tweede helft van de tiende eeuw verleende. De muntslag en de textielproductie in ateliers voor vrouwelijke horigen bewijzen de integratie van het elfde-eeuwse Thorn in het bovenlokale handelsverkeer. De band met Luik bleef minstens 150 jaar bestaan, want in 1155 wordt Thorn een laatste maal bij de Luikse bezittingen vermeld. Dit was niet meer het geval in het overvloedige bronnenmateriaal vanaf 1231, wanneer de Brabantse hertog zich als voogd van het Thornse Fernbesitz bij Ubach, Baarle, Gilze en Breda manifesteerde.

Wat het statuut van Thorn, een klooster of een kapittel, betreft, is de vraagstelling van de historiografie gewijzigd. Vroeger werd vanuit een afgelijnd juridisch perspectief gedacht, in de lijn van Schäfer kiezend voor een kanonikale status of in de lijn van Habets en het recentere onderzoek veeleer voor een benedictijner levenswijze opterend.10 Het hedendaags historisch onderzoek stelt zich de vraag hoe die ordo intern geëvolueerd is. Daarbij speelt vooral de vaagheid van de Thornse bronnen met termen als monasterium of sorores parten, want contemporaine auteurs als Thietmar van Merseburg bewijzen dat zij het onderscheid tussen kanunniken en monniken wel degelijk kennen.

De insteek dat de benedictijnse regel verkozen werd op de onder impuls van pauselijk aartsdiaken Hildebrand, de latere paus Gregorius VII (1075-1085), tijdens de synode van Lateranen van 1059 verworpen Institutiones of regel van Aken, hanteert Kersken bij de bespreking van de gregoriaanse hervorming. Kanunnikessen werden weggezet als minderwaardig en als typerend voor een uithoek van het Duitse rijk. Talrijke kanunnikessenkapittels werden omgezet in reguliere gemeenschappen. Zelfs in het bisdom Luik, onder de kromstaf van de anti-gregoriaanse, keizerlijke partijganger Otbert (1091/92-1119), baadden grote benedictijnse abdijen als Saint-Hubert, Sint-Truiden en Saint-Jacques en Saint-Laurent te Luik in een hervormingsgezinde sfeer en namen de cluniacenzer consuetudines aan. De grotere impact van bisschoppen op (nieuw gestichte) abdijen en de betwisting van abdijvoogdijen in lekenhanden leidde ertoe dat adellijke geslachten de bij rond 1100 opbloeiende beweging van de reguliere kanunniken (met onder andere Kloosterrade en Springiersbach) prefereerden. De invloed van dergelijke hervormingsgezinde gemeenschap liet zich in Thorn gevoelen door de activiteiten van een zuster- en een vier leden tellende kanunnikengemeenschap, het combineren van monastieke en kanonikale liturgische gebruiken en de verheffing van de relieken van medestichteres Hereswind in 1140. De vita mixta die de Thornse gemeenschap leefde, maakt het niet mogelijk om hun levensstijl middels een strikte typologie als monastiek (benedictijns) dan wel als kanonikaal te kenmerken.

Vast staat dat het gemeenschapsleven al in de eerste helft van de dertiende eeuw een flinke knauw kreeg. In 1310 typeerden de Thornse zusters zich in een pauselijke suppliek ten volle als seculiere kanunnikessen. Zij beschikten over twintig prebenden, verbleven overdag in eigen huizen binnen de immuniteit en konden zonder beperking bezit verwerven en aanhouden. Verder bestond de Thornse levenswijze uit het wegvallen van bindende geloften, een adellijke exclusiviteit, de afwezigheid van een gemeenschappelijke maaltijd, de overnachting in een gezamenlijke slaapzaal met de mogelijkheid om bij ziekte of bezoek in de eigen woning te blijven slapen en de dracht van wereldlijke kledij buiten de kerk. Mannelijke clerici waren ter plaatse aanwezig en luisterden samen met de kanunnikessen de koorliturgie op en namen aan de processie deel.

In 1310, aan de vooravond van het Concilie van Vienne en enkele jaren nadat paus Bonifatius VIII (1294-1313) een begripsomschrijving van vrouwenstiften had gemaakt, was de tijd rijp voor erkenning. De kerkvaders erkenden in 1311 wel de bijzondere positie van de seculiere kanunnikessen, zonder hen evenwel kerkrechtelijk volledig te erkennen. Of in dit kerkrechtelijk status quo de Thornse suppliek een rol heeft gespeeld, blijft een open vraag, omdat er geen indicatie is dat de suppliek effectief naar de curie is gezonden. De spreidstand en de verwarrende benaming —de curialen van paus Johannes XXII (1316-1334) slaagden erin om Thorn in 1317 als benedictinessenklooster en het jaar erop als vrouwenstift te benoemen— bleef aanhouden tot de erkenning in 1497, toen paus Alexander VI (1492-1503) de gemeenschap vergunde om zich op eenzelfde wijze als de kanunnikessen te Keulen, Gerresheim en Essen te kleden.

Kerskens bevindingen omtrent de sociale samenstelling van de Thornse kanunnikessengemeenschap liggen in de lijn van Kochs onderzoeksresultaten die een al te exclusief adellijke samenstelling nuanceerde en wees op de vele onvolkomenheden in het bronnenmateriaal. Niet alleen dochters van landsheren en vrije edelen, maar ook telgen uit de ministerialiteit vonden tot het midden van de veertiende eeuw een onderkomen in Thorn. Uit de intussen afzonderlijk door Kerskens bestudeerde suppliek van 7 januari 1310 van de Thornse abdis Margarete van Peterheim en haar stiftsdames aan paus Clemens V (1305-1314) komt het ideaalbeeld van de kanunnikessen, zoals verbeeld in Jacques de Vitry’s Historia occidentalis, naar voor.11 Hiermee wilden de kanunnikessen zich afzetten tegen van de perceptie van de buitenwereld die hen veeleer als benedictinessen beschouwde.

Aan het begin van de veertiende eeuw was het constitutief element van de Institutio Sanctimonialium, de hiërarchie onder leiding van de abdis, die als één geheel naar buiten trad. De abdis gaf leiding aan maximaal twintig kanunnikessen, vier kanunniken en een veelvoud aan dienaars. Ten nadele van hun overste groeiden de kanunnikessen en de kanunniken naar elkaar toe tot een kapittel, dat de eigenlijke regelgevende instantie van de gemeenschap werd. Deze evolutie vond tijdens de dertiende eeuw plaats tegen de achtergrond van een economische neergang, die ook zowat alle andere religieuze instellingen trof, gekoppeld aan de kostelijke gotische kerkbouwactiviteiten. De schuldenberg was de directe aanleiding om goederen te reserveren voor schulddelging, voor de abdis en voor het convent. De versterkte positie van het convent uitte zich ook in formele kenmerken zoals de titulatuur en het zegel. De positie van de kanunniken, die vanaf 1329 over vijf prebenden beschikten, lijkt toch versterkt te zijn, ondanks de onduidelijkheid of zij ook door de omvattende benamingen conventus of capitulum gevat werden.

Bisschoppelijke visitaties gaven in de veertiende eeuw aanleiding tot hervormingsstatuten. De bepalingen van 1336, licht aangepast en vernieuwd in 1338, stipuleerden dat de inkomsten van vacante beneficies het eerste jaar gebruikt werden voor de memorieliturgie van de overledene en voor de delging van eventuele schulden. Zulke clausules bestonden ook in andere kapittels of voor de aan de kapittelkerk verbonden kapelanieën. De dekenes, wiens waardigheid al tot de twaalfde eeuw terugging, beschikte aantoonbaar over een eigen vermogen. Zij nam in de hiërarchie en de oorkonden de tweede plaats in na de abdis. Zij had de eindverantwoordelijkheid voor de koorliturgie, volgde de kloostertucht van alle leden van de gemeenschap op en kon optreden bij kleine inbreuken. De statuten van 1336 bepaalden tevens dat alle belangrijke beslissingen met instemming van zowel de abdis als het convent diende genomen te worden. Praktisch werd bepaald dat zowel het grote als het kleine conventszegel daarom in een stevige kist met drie sloten dienden bewaard te worden. De abdis, de dekenes en een kanunnik beschikten elk over een sleutel. Andere strijdpunten tussen de abdis en de kanunnikessen gaven aanleiding tot een felle strijd. Abdis Margarete van Petersheim zette daarbij haar tegenstandsters, onder wie de thesaurier en de kosteres, een tijd gevangen Zij wist toch een aantal strijdpunten binnen te halen of te behouden, zoals de jurisdictie over de zwaardere misdrijven en het recht om uitgangsverloven toe te kennen. Het financieel beheer over de kapittelgoederen moest zij definitief laten aan een rentmeester, aangeduid door kanunnikessen en de kanunniken.

Over de aanduiding van de abdis bestaat tot de veertiende eeuw geen zekerheid, te meer daar Thorn tijdens de hoge middeleeuwen niet over een kiesprivilege schijnt te hebben beschikt. Het kiesverloop in forma compromissi en de verkiezing van Margarete van Heinsberg op 28 november 1337 zijn vastgelegd in een notarisakte bewaard in het archief van de heerlijkheid Heinsberg. Toch blijkt uit latere klachtenbrieven dat tijdens het kiesverloop de voorbestemde abdis eerst met een eed haar instemming diende te betuigen aan de rechten en gewoontes van het convent. Zij diende deze ook door de bisschop schriftelijk te laten vastleggen, wat resulteerde in de statuten van 1338. Bovendien verraden de klachten dat de oppositie van verschillende, belangrijke kanunnikessen, die niet aanwezig wilden zijn bij de verkiezing, omzeild werd door een getrapte verkiezing door twee mannelijke kiesmannen. De sterk van buitenaf gestuurde verkiezing van de zus van de Loonse pretendent Diederik van Heinsberg (†1361) was immers een duidelijke partijkeuze in de Loonse successiestrijd. Toch zou de bolwassing die de abdis op 13 augustus 1348 kreeg van de Luikse kathedraalkanunnik Levold von Northof, ervoor zorgen dat zij zich de zowat dertig volgende jaren van haar bewind zeer inschikkelijk opstelde naar het convent toe.12 Ook een andere Luiks kanunnik en kroniekschrijver, Jan van Hoksem, toonde zich een tegenstander van de Heinsbergse factie.

In de eerste helft van de twaalfde eeuw kwam er een splitsing van het patrimonium tussen het convent, als eigenlijke grondbezitter, en de abdis. Op basis van de statuten combineerde deze laatste een steeds beperktere leidinggevende rol met de verdediging van de rechten en bezittingen tegen externe bedreigingen. Daarvoor beriep zij zich op haar heerlijke en justitiële rechten. De erkenning van deze privileges door de voormalige eigenkerkheren zorgde voor de geleidelijke ontwikkeling van de landsheerlijkheid Thorn. Deze evolutie was gestart in 1007 met de verlening van de gerechts- en banheerlijkheid door keizer Hendrik II. Toch diende de abdis, als religieuze leidsvrouw aan het hoofd van een geestelijke instelling, zich in wereldlijke zaken te laten bijstaan door een voogd. Precies daarin school een dreiging, omdat adellijke geslachten de bundeling van voogdijen als een beproefde strategie zagen om een eigen territorium te verwerven.

Vanaf 1007 beschikte de abdis van Thorn over rechtsmacht en als geestelijke vrouw, diende zij zich in wereldlijke aangelegenheden te laten vertegenwoordigen door een voogd. De eerste betrouwbare vermeldingen van de uitoefening van de voogdij komen pas in de loop van de dertiende eeuw. In 1230/31 trad de Brabantse hertog als voogd op voor de bezittingen rondom Breda, terwijl in 1244 de graaf van Gelre en de heer van Brempt als Thornse advocati opereerden. De voogdij over de bezittingen rond de Thornse kapittelkerk kwam ten minste van 1273 toe aan de naburige heren van Horne, die deze voogdij vanaf 1282 in leen hielden van de Gelderse graven, die zo hun machtsgebied in het Overkwartier wisten uit te breiden. De invloed van de plaatselijke voogden uit het geslacht van Horne in de rechtspleging te Thorn werd in de loop van de late middeleeuwen sterk beperkt, omdat de uitoefening van de hoge rechtspraak bij een door de abdis aangestelde rechter of meier en bij de schepenen berustte.

Voor de geschiedenis van de Thornse kanunnikessen zijn slechts weinig middeleeuwse bronnen bewaard. Toch slaagt Hartwig Kersken door een nauwgezette studie van de echtheid en de inhoud van de bronnen en uitvoerige vergelijkingen met andere kapittels, kloosters, marktplaatsen een grondig en bijwijlen vernieuwend beeld te schetsen. Daarvoor kan hij bogen op een uitstekende kennis van de literatuur over het kapittel- en kloosterwezen in de post-karolingische periode en de hoge middeleeuwen en over de vele Maaslandse en Rijnlandse kapittels. Daarnaast demonstreert hij zijn grote vertrouwdheid met de Luikse, Gelderse en Brabantse geschiedenis. De gecombineerde kennis van bronnen en literatuur laat hem toe om op alle klassieke, netelige en nieuwe vragen genuanceerde antwoorden te formuleren, soms in lijn met de bestaande zienswijzen, dan weer nieuwe inzichten formulerend. Zo ziet hij in de kapittelstichter Ansfried de zoon (en niet de oomzegger) van de oude Ansfried en kan alvast de overdracht van Thorn aan de Luikse bisschop later in de chronologie, namelijk in de jaren 1006-1007, geplaatst worden.

  • 1. We dragen deze recensie op aan dr. Jan A.E. Kuys, die ons op 26 april 2018 ontviel en die als specialist van de kapittels onmiddellijk bereid was het voorliggend boek te bespreken voor de contactgroep waar hij zo vele jaren lid van was.
  • 2. Esther M.F. Koch, De kloosterpoort als sluitpoort? Adellijke vrouwen langs Maas en Rijn tussen huwelijk en convent. 1200-1600 (Leeuwarden-Mechelen: Eisma, 1994).
  • 3. Arnoud-Jan A. Bijsterveld, ‘De oorsprong van de oudste kapittels in het noorden van het bisdom Luik: een voorlopige synthese’, in: Raoul Bauer e.a. (ed.), In de voetsporen van Jacob van Maerlant. Liber amicorum Raf De Keyser. Verzameling opstellen over middeleeuwse geschiedenis en geschiedenisdidactiek (Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2002), p. 206-221.
  • 4. Rolf de Weijert, Kim Ragetli en Arnoud-Jan A. Bijsterveld (ed.), Living Memoria. Studies in Medieval and Early Modern Memorial Culture in Honour of Truus van Bueren (Hilversum: Verloren, 2011).
  • 5. Joost Welten, De vergeten prinsessen van Thorn (1700-1794) (Gorredijk: Sterck & De Vreese, 2019).
  • 6. In een recente catalogus over bisschop en kroniekschrijver Thietmar van Merseburg wijzen we op de bijdrage van Enno Bünz, ‘Thietmar von Merseburg und das Eigenkirchenwesen’, in: Enno Bünz e.a. (ed.), Thietmars Welt. Ein Merseburger Bischof schreibt Geschichte (Petersberg: Michael Imhof Verlag, 2018), p. 230-243.
  • 7. Hein H. Jongbloed, ‘Listige Immo en Herswind. Een politieke wildebras in het Maasdal (938-960) en zijn in Thorn rustende dochter’, in: Jaarboek van het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap 145 (2009), p. 9-67.
  • 8. Jean Baerten, ‘Les Ansfrid au Xe siècle’, in: Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis 39 (1961), p. 1144-1158; Adriaan D.A. Monna, Zwerftocht met middeleeuwse heiligen (Amsterdam: Rodopi, 1988).
  • 9. Het is onduidelijk waarom Kersken op p. 78 Kamerijk in 889 als “westfränkischen Bistum” bestempelt. De bisdommen Kamerijk en Luik hebben bij elke karolingische rijksdeling tot hetzelfde deel van het Frankische Rijk behoord. Als Lotharingische bisdommen maakten zij oorspronkelijk deel uit van het Middenrijk. Enkel tussen het verdrag van Meerssen (870) en hun verovering door de Oost-Frankische troepen na de slag bij Andernach (876) behoorden zij West-Francië toe. Vanaf de verdragen van Verdun-II (879) en Ribeaumont (880), en dus ook in 889, was Kamerijk, net als Luik, nu ook de jure een Oost-Frankisch bisdom.
  • 10. Karl Heinrich Schäfer, Die Kanonissenstifter im deutschen Mittelalter. Ihre Entwicklung und innere Einrichtung im Zusammenhang mit dem altchristlichen Sanktimonialentum (Stuttgart: Enke, 1907).
  • 11. Hartwig Kersken, '... nos gerentes ad instar canonicarum secularium ... Das Problem der Verfassung religiöser Frauengemeinschaften im Mittelalter am Beispiel des ‘Stifts’ Thorn’, in: The Medieval Low Countries 3 (2016), p. 39-59.
  • 12. Zie over deze kanunnik ook volgende recente publicaties: Stefan Pätzold, ‘Levold konstruiert ein Adelshaus. Die Grafen von der Mark in der Chronik des Levold von Northof’, in: Westfälische Zeitschrift 166 (2016), p. 27-41; Stefan Pätzold, ‘Erinnerung und Identitätskonstruktion. Die Grafen von der Mark in Levolds Chronik’, in: Stefan Pätzold en Felicitas Schmieder (ed.), Die Grafen von der Mark. Neue Forschungen zur Sozial-, Mentalitäts- und Kulturgeschichte. Beiträge der Tagung am 22. April 2016 in Hagen (Münster: Aschendorff, 2018), p. 103-119.