Eindelijk een institutionele geschiedenis van de veel bestudeerde abdij van Lobbes

Verdoot.jpg

Janick Appelmans - Verdoot J., Pour les siècles des siècles. L’abbaye Saint-Pierre de Lobbes au Moyen Âge (VIIe-XVe siècles), Studies in Belgian History 6, Brussel, Algemeen Rijksarchief en Rijksarchief in de Provinciën, 2018. 220p. ill. krtn index ISBN: 978-94-92982834 € 19,95 Bestelnummer: 5939

Jérôme Verdoot bezorgt een institutionele geschiedenis van een in de zevende eeuw gestichte en tijdens de middeleeuwen onafhankelijk gebleven benedictijnenabdij, die beschikte over een uitgebreide rist afhankelijke priorijen en kapittels, zoals het Sint-Ursmaruskapittel te Lobbes zelf, de kapittels van Antoing, Oudenburg en Zegelsem bij Geraardsbergen en de priorijen van Aulne, Moutiers-en Fagne, Herly-Sainte-Erme in de Laonnais, Heigne-sous-Jumet en het pas in de dertiende eeuw door de Luikse bisschop aangeboden Géronsart.

Lobbes was in veel opzichten een grensgeval, Neustrisch, maar het enkele kilometer verder gelegen afhankelijke klooster van Aulne, lag al in Austrasië. Het was een strategische zet van de Neustrische koningen om invloed te verwerven in Austrasië, waar de Pepiniden tijdelijk van de macht verdreven waren. Hoewel geografisch behorend tot het bisdom Kamerijk(-Atrecht), was het vooral de Luikse bisschop die tijdens de Karolingische en Ottoonse periode een zeer aanzienlijke invloed over Lobbes had.

Op een Neustrisch interludium na, waarna zelfs stichter Landelinus (voor 640-na 687) kort voor zijn dood, naar een nieuwe stichting werd verbannen, stond de abdij vele decennia onder de nauwe controle van de Pepiniden. De Austrasische hofmeiers maakten van de abten-bisschoppen een machtsinstrument, tot ze na de staatsgreep van 751, wanneer Pepijn de Korte zelf de Frankische koningskroon verkreeg, zeggenschap kregen over de bisschoppelijke kerk. De tweede abt, Ursmarus (644-713), was de feitelijke grondlegger van Lobbes’ faam en welstand. Volgens de door Jean-Pierre Devroey uitstekend bestudeerde polyptieken beschikte de abdij over meer dan honderd domeinen, zowel in de eigen buurt, langs de Samber, maar evengoed over wijngaarden bij de Noord-Franse bisschopstad Laon en goederen in de Fagnes, aan de bovenloop van de Maas en in Haspengouw, de Dender- en de Zennestreek. Lobbes’ kloosterbezit kwam voor het merendeel tot stand voor de Karolingische machtsovername in 751.

Veel abten die de Karolingers aan het hoofd plaatsten van de abdij, waren rijksgroten, wat tekenend was voor de waarde die de vorsten aan de rijke abdij hechtten. Met de komst van Hubert in 864 startte de rij van de lekenabten, die in Lobbes als uitermate positief voorgesteld werd. Alleszins was de tegenstelling tussen leken- en geestelijke wereld minder afgelijnd en behoorden de rijksgroten in de Karolingische wereldvisie zowel tot de ordo ecclesiasticus als tot de ordo laicalis. Mogelijk werd Hubert met alle zonden van het lekenabbatiaat bedolven, want hij was alvast het slachtoffer van een damnatio memoriae. Als medestander van Karel de Kale was zijn doortocht te Lobbes in 864 een strategische zet om de Lotharingse domeinen in de Cambrésis met een schild van domeinen van Lobbes af te scheiden van het kerngebied van Lotharius II (ca. 835-869). Hubert splitste op een oordeelkundige wijze, met de steun van de 78 monniken die tijdens zijn bewind in Lobbes leefden, een mensa conventualis af. Binnen elke domeingroep verkregen de monniken telkens één goed, zoals Tielrode aan de Schelde, Diesegem te Mortsel bezuiden Antwerpen, Zegelsem in de Vlaamse Ardennen, Aalst aan de benedenloop van de Dender, Duitsenbroeck aan de middenloop van de Dender en Quenestinnes te Saintes (Sint-Renelde) aan de Zenne. Tot het conventsgoed behoorden ook acht domeinen bij de abdij en het wijngoed Herly bij Laon. Als bewijzen van zijn oordeelkundig beleid gelden de start, onder zijn opvolger, Lotharingisch koning Lotharius II (ca. 835-869), van de bouw van een nieuwe abdijkerk die tussen 901 en 911 gewijd werd, en het behoud van zijn verdeling van de goederen in de abdijpolyptiek van 868/869. Deze verdeling werd in 889 door koning Arnulf van Karinthië bevestigd. Bijkomend aan de mensae van de bisschop-abt en de gemeenschap voorzag deze koning ook afzonderlijke goederen voor de koster, de gastenmeester en de portier. Als beloning voor de herinvoering van de reguliere discipline ontvingen de monniken bijkomend de domeinen van Gilly en Biermerée.

Voor het wonderbaarlijke relaas van 2 april 954, toen de monniken, verscholen in de Sint-Ursmaruskerk op de heuveltop aan de Hongaren ontsnapten, volgt Verdoot de klassieke historiografie. Geheel vernieuwend is zijn interpretatie van de brutale nacht van 20 oktober 957, toen drie jonge monniken de ogen van abt Erluinus uitstaken en een deel van zijn tong afsneden. De historiografie heeft deze feiten steeds geïnterpreteerd als het weigeren van een hervormingsgezinde abt. Doch hierbij volgde men slaafs het relaas van de meer dan honderd jaar later schrijvende Sigebert van Gembloers in diens Gesta abbatum Gemblacensium, die een mooier beeld van Erluinis, tevens de eerste abt van Gembloers, wilde schetsen ten opzichte van het wel erg zwarte bladzijden in Folcuinus’ Gesta abbatum Lobbiensium. Erluinus was een zetbaas van de Henegouwse graaf Reinier III (ca. 920-973), die van de chaos van de Hongaarse strooptochten probeerde gebruik te maken om hertog van Lotharingen te worden.

Hoewel veel grote historici recent hun licht lieten schijnen over heel diverse aspecten van de eerste eeuwen van de geschiedenis van Lobbes, draagt Verdoodt enkele nieuwe inzichten aan. Voor het opstellen van de Gesta abbatum Lobbiensium meent Verdoodt bij auteur Folcuinus (ca. 935 of ca. 943-944-990) meer dan alleen wedijver met zijn concurrent Ratherius van Verona (887-974), die zich tevreden moest stellen met Aulne, te onderkennen. Indien Focuinus’ motivatie zich hiertoe beperkte, kon hij zich tevreden stellen met een Fundatio of stichtingsverhaal. Zijn subtiele goed- en afkeuring van het beleid van de vele Luikse bisschoppen die tussen 881 en 957 ook abt van Lobbes waren, toonde zowel zijn goedkeuring van deze band, maat tevens ook zijn weigering om hierin een rechtstreekse afhankelijkheidsrelatie te zien. Alleszins, zo toont Verdoot aan, leidde het bewind van de Luikse bisschoppen zeker niet tot het uiteenvallen van het abdijbezit van Lobbes. De aan de bisschoppen toevertrouwde goederen werden gebruikt om de vazallen van de abdij (en dus niet van de bisschop) te belenen, terwijl de bouw van de abdijkerk resulteerde in de inwijding ervan tussen 901 en 911. Onder hun beleid werden de ambten, zoals die van de obedienciers, die toezicht hielden op de ministerialen verantwoordelijk voor de domeininkomsten, verkocht aan de monniken, die zelf eigendommen hadden en geen gemeenschappelijke eetzaal deelden. De abdijschool kende beroemde leermeesters, zoals Ratherius en Heriger.

Met de benoeming van reguliere abten vanaf 957 brak de gouden eeuw van Lobbes aan. De voornaamste oorzaak hiervan was niet zozeer het statuut van de nog steeds door de Luikse bisschoppen aangeduide overste maar wel de nauwe samenwerking met de prins-bisschoppen, die Lobbes als het belangrijkste bolwerk tegen de opkomende graven van Hengouwen zagen. De bisschoppen hielpen de abdij bij de restitutie van goederen uit de mensa conventualis, zoals Strée, maar schonken ook domeinen die aan hen via de mensa abbatialis toegekomen waren en inmiddels aan leken toevertrouwd waren, zoals Gozée, Jumet en Wallers. De tegenover leken weinig verzoenende teneur van de oorkonde waarmee de Luikse bisschop tussen 960 en 965 Jumet restitueerde, vormde al een verre voorafspiegeling van de Gregoriaanse hervorming. De bevoorrading van de abdij werd, mogelijk al vanaf 972-974, op cluniancenzer leest geschoeid: het patrimonium werd in twaalf entiteiten of villicationes ingedeeld. Elke villicus was zodoende verantwoordelijk om gedurende een kalendermaand de abdij te bevoorraden, zodat het ravitailleringssysteem mensaticum genoemd werd.

De twist om Lobbes tussen de oude, geleerde, maar koppige Ratherius, die zich gesteund wist door een groot deel van de gemeenschap en de jonge, uit de Vlaamse Sint-Bertijnsabdij bij Sint-Omaars afkomstige Folcuinus, wiens familie zich recent stevig had ingeplant aan de oevers van de Samber en de Maas, werd geregeld door de nieuwe Luikse bisschop. Notker wees na onderzoek van de abten van Stavelot en Saint-Hubert Aulne aan Ratherius toe en Lobbes aan Folcuinus. Deze laatste had zijn tegenstander in de Gesta abbatum Lobbiensium afgeschilderd als een leidsman die kloosters opkocht en dan weer ongeïnteresseerd ter zijde schoof. Bisschop Notker beschermde, tot grote voldoening van abt Folcuinus, Lobbes door een nieuwe, sterke burcht te Thuin, waarvan de erfelijke kastelein voortaan als kloostervoogd zou optreden. In tegenstelling tot dom Daniel Misonne en Alain Dierkens meent Verdoot dat het keizerlijke immuniteitsprivilege van 973, dat Lobbes een eigen rijksleen van 15.000 hectare vergunde, niet de stichting, maar wel de regularisatie van een van omstreeks 950 bestaand kapittel van twaalf kanunniken in de Sint-Ursmaruskerk inhield. Onder Folcuinus en zijn opvolger Heriger (ca. 940-1007), Notkers door de monniken verkozen vertrouweling, groeide Lobbes uit tot een toonaangevend literair en onderwijscentrum, met leerlingen als Adelbold van Utrecht, Olbert van Gembloers, Burchard van Worms en Thierry van Saint-Hubert.

In de tweede helft van de elfde eeuw zetten de graven van Henegouwen zich door ten nadele van de Luikse prins-bisschoppen. Ter plaatste was de macht van de kloostervoogd en kastelein van Thuin onvoldoende, en nam de invloed van de door de bisschop aangestelde ondervoogden en van de door de abt begiftigde fiscati, die de milicia abbatis uitmaakten, sterk toe. Bij de grotere invloed die de diocesane bisschop van Kamerijk in die periode verwierf, hadden we naast de schenking van de kerk van Leval-Trahegnies ook wel de vermelding van de schenking door bisschop Gerard II van Lessen (ca. 1020-1092) van het altaar van Merbes-le-Château aan het Sint-Ursmaruskapittel in 1087 verwacht.1 Het slechte beheer in die tijdspanne leidde kort voor 1093 tot de afzetting van abt Arnold (†1094) en zijn proost Olbald, die al te eenzijdig de eigen familie had bevoordeeld bij goederentransacties.2 Motor achter deze personeelswissels was de Luikse bisschop Otbert, die ook afrekende met de machtige kasteleins uit de familie van Thuin.

Onder druk van hervormingsgezinde bisschoppen en benedictijnen verkozen de monniken in 1131 Leonius, een monnik van Anchin met familiebanden in de streek van Lobbes. Nog in zijn verkiezingsjaar ontving hij de uit Rome verdreven Innocentius II aan de oevers van de Samber. De bul die de paus op 26 april 1131 uitvaardigde, was dienstig voor een in 1135 gedateerde vervalsing die de onderschikking van het kapittel aan de abdij bevestigde en de stelselmatige vervanging van kanunniken door monniken afkondigde. Hiermee startte een twist die tot het einde van de middeleeuwen zou aanhouden en waarbij de kanunniken het voordeel zouden halen. Binnen de abdijmuren voerde Leonius een strenge clausuur met stilzwijgen, sluiting van de kloosterschool en desinvestering in het scriptorium in. Hij hervormde de abdijfinanciën, die de afgelopen periode sterk gemonetariseerd waren, niet doortastend door nog meer af te zien van de directe exploitatie van domeinen, maar wist nieuwe inkomsten, vooral onder de vorm van nieuwe altaren, maar ook eenmalige vorstelijke schenkingen uit Engeland, te genereren. Vanaf het midden van de twaalfde eeuw startten de abten met de sanering van de kloosterfinanciën: reductie van een aantal monniken, beperking van de monetarisering (aan inflatie onderhevige vercijnzing tegen geldwaarde van goederen) en terugkeer naar de rechtstreeks domeinuitbating. Aanvullend werden nieuwe schenkingen verwelkomd en geüsurpeerde goederen gerecupereerd. Een dispuut waarover Verdoot omfloerst meldt dat in 1162 de abt van Lobbes “porta juqsu’à Cambrai un conflit l’opposant à Saint-Feuillien” is in de historiografie van de premonstratenzer abdij van Saint-Feuillien gekend als de afstand tegen een cijns van de smalle tienden op de gronden van Lobbes te Péronne bij Binche in 1163. Aan het akkoord was, zoals het cartularium van Saint-Feuillien aantoont, ook een gebedsverbroedering voor overleden religieuzen verbonden.3 Zowel de benedictijnen als de norbertijnen beschikten in Péronne-lez-Binche over een hofgoed en kwamen ook nog in 1237 en 1266 in conflict.

Omdat de bisschop van Luik zijn grip op Lobbes en omgeving verloor, stimuleerde hij sterk de nieuwe cisterciënzerabdij die in 1147 opstartte te Aulne, een goed dat sinds 889 deel uitmaakte van de mensa abbatialis van Lobbes en dus de bisschop ter beschikking stond. De nieuwe abdij overschaduwde al snel de benedictijnenabdij van Lobbes, die steeds meer in de invloedsfeer van de graven van Henegouwen kwam. Toch zouden ook de graven in de dertiende eeuw maar matig geïnteresseerd zijn in de benedictijnenabdij en veeleer het Sint-Ursmaruskapittel van Lobbes begunstigen. Het kapittel werd definitief in zijn bestaan bevestigd middels de vastlegging van de kapittelstatuten door de Kamerijkse bisschop in 1265. De kanunniken konden zich in 1409 met steun van de Henegouwse graaf verplaatsen naar Binche. Voor deze in oorlogstijden als tijdelijk bedoelde transfer wisten zij zich echter gesteund, eerst door de Henegouwse graven uit het Beierse huis en later door de Bourgondische hertogen, zodat zij tot het einde van het ancien régime in Binche, onafhankelijk van de benedictijnenabdij van Lobbes, bleven resideren.

Tijdens de late middeleeuwen bleef Lobbes de speelbal van de dominante Kamerijkse en de meer afwezige Luikse bisschoppen. Enkel de veertiende-eeuwse prins-bisschoppen Adolf en Engelbert van der Marck doorbraken de relatieve Luikse desinteresse.

De financiële crisis bleef de belangrijkste kopzorg van alle prelaten van Lobbes. In de dertiende eeuw nam de verwerving van eenvoudig te innen tienden een belangrijke plaats in het relancebeleid in. Het herstel van de directe exploitatie stokte al vanaf het laatste kwart van de twaalfde eeuw en werd tijdens het tweede kwart van de dertiende eeuw volledig stilgelegd. De door prelaat Thomas, die de abdij van 1229 tot 1246 bestuurde, ingezette economische hervorming zette in op het terugdringen van de macht van de voogden, de reductie van de exploitatiekosten door het uitschakelen van de domeinbeheerders of villici, een goed beheer van de heerlijke rechten en vooral de verpachting van goederen tegen een steeds opnieuw in te stellen pacht. Andere elementen van het herstelbeleid waren de verwerving van nieuwe domeinen met zo veel mogelijk bijhorende rechten, de terugkoop van in leen uitgezette goederen en de organisatie van een wekelijkse markt te Lobbes vanaf 1266. Vooral het rechtendiscours bracht de abdij van Lobbes vaak in dispuut met andere religieuze instellingen.

Toch percipieerden de benedictijnen van Lobbes dit moeizame herstel dat halverwege de veertiende eeuw tot de afbouw van de zware schuldenlast had geleid, nauwelijks. Zij bleven de afgelopen periode en de eigen tijd als minderwaardig ervaren tegenover de bloeiperiode onder hun voorgangers omstreeks het jaar 1000. Met dit lage zelfbeeld zochten zij aan het einde van de middeleeuwen aansluiting bij congregatie van Bursfelde, waarvan zijn de gebruiken overnamen.4

Wat de overlijdensdatum van de laatste middeleeuwse abt van Lobbes betreft, geeft Verdoot zowel 1506 volgens de negentiende-eeuwse geschiedschrijver van Lobbes, Joachim Vos, als 21 juni 1508 volgens de zeventiende-eeuwse maurist dom Luc d’Achéry. Het door wijlen dom Wilfried Verleyen samengestelde necrologium van Affligem baseert zich op de erg betrouwbare monnikencataloog van de achttiende-eeuwse proost Beda Regaeus om 21 juin 1508 als overlijdensdatum vast te stellen.5

Verdoot voegt vier bijlagen aan zijn studie toe: de editie van een vercijnzing uit 1070, een samenvattend stemma van de hagiografische productie te Lobbes, een abtenlijst en enkele afbeeldingen van Lobbes in de nieuwe tijden. Daarna volgt de bibliografie, waarbij de aanzienlijke schade aan de archieffondsen gecompenseerd wordt door de vele uitgegeven bronnen. Veel losse archivalia uit het rijke abdijarchief gingen ten onder in de revolutionaire brand van 1794 en tijdens het Duitse luchtbombardement van het Bergense rijksarchief in 1940. Toch zijn sommige stukken, zoals het cartularium 33 van de Archives de l’État à Mons, tot nu toe maar weinig benut in het onderzoek.6

Bij de aangehaalde literatuur horen slechts enkele kleine kanttekeningen. Als hoofdredacteur van Eigen Schoon en De Brabander kan ik mij ten zeerste verheugen met de referenties inzake de stichting van Affligem (p. 95) naar het themanummer 950 jaar Affligem uit 2012 en de verschillende publicaties van Frans J. Van Droogenbroeck in het regionaal historisch tijdschrift voor Vlaams-Brabant en Brussel, maar mijn rol als recensent verplicht mij erop te wijzen dat Van Droogenbroeck een belangrijk artikel ook publiceerde in het tweede Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis van 1999.7 Tot slot nog aanstippen dat Heriger van Lobbes (ca. 942-† 1007). Een laat-karolinger of een vroeg scholasticus? (p. 209) uit 1997 niet het doctoraats-, maar het licentiaatsonderzoek van Peter Verbist is. Zijn veel ruimer opgezette doctoraatsproefschrift luidde In duel met het verleden en werd uitgegeven in 2010.8

De invloedrijke benedictijnenabdij van Lobbes aan de Samber is de afgelopen decennia door zeer veel vooraanstaande mediëvisten onderzocht. Om over dit onderwerp toch een diepgravende studie te publiceren is niet alleen durf en werkkracht nodig, maar evenzeer inzicht en polyvalentie in de vele subdisciplines van het historisch bedrijf. Met Pour les siècles des siècles weet Jérôme Verdoot niet alleen voor de hoge en late middeleeuwen, maar eveneens voor de al zeer sterk bestudeerde Merovingische, Karolingische en Ottoonse tijdvakken in de geschiedenis van de Henegouwse abdij nieuwe inzichten aan te reiken.

  • 1. Erik Van Mingroot (ed.), Les chartes de Gérard Ier, Liébert et Gérard II, évêques de Cambrai et d’Arras, comtes du Cambrésis (1012-1092/93). Introduction, édition, annotation (Leuven: Leuven University Press, 2005), nr 3.19, p. 242-245.
  • 2. De door Verbesselt gesuggereerde hypothese van de vervreemding van het altaar van Heikruis in deze periode wordt niet besproken: Jan Verbesselt, Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw, 27 (Brussel: Koninklijk geschied- en oudheidkundig genootschap van Vlaams-Brabant, 2001), p. 307.
  • 3. Gabriel Wymans, L’abbaye de Saint-Feuillien du Roeulx, en Hainaut. 1125-1300 (Averbode: Praemonstratensia, 1967), p. 123-124, 136 en 177-178 en tabel IV.
  • 4. Opgemerkt kan worden dat onderaan p. 158 en bovenaan p. 159 Verdoot tweemaal de laatste middeleeuwse abt, de uit Affligem overgekomen Jan van Heften inruilt voor de al in 1472 overleden prelaat Jean Ansiel, wanneer hij het coadjutoraat in 1494 van en de opvolging in 1495 door Guillaume Cordier bespreekt.
  • 5. Wilfried Verleyen, ‘Necrologium van Affligem’, in: Eigen Schoon en De Brabander, 70 (1987), p. 87.
  • 6. Verbesselt, Het parochiewezen, p. 372, noot 77, 373, noot 81 en 375-376 en Wymans, L’abbaye de Saint-Feuillien, p. 10 en 124, noot 153 maakten gebruik van dit cartularium en, wat Wymans betreft, van de achttiende-eeuwse archiefinventaris (cartularium 35 van het Rijksarchief te Bergen).
  • 7. Frans J. Van Droogenbroeck, ‘Paltsgraaf Herman II († 1085) en de stichting van de abdij van Affligem (28 juni 1062)’, in: Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis, 2 (1999), p. 38-95.
  • 8. Peter Verbist, Duelling with the Past. Medieval Authors and the Problem of the Christian Era. c. 990-1135 [Studies in the Early Middle Ages. 21] (Turnhout: Brepols, 2010).