Utrechtse fragmenten als sleutel tot de middeleeuwse cultuurwereld

Perkament in stukken.jpg

Janick Appelmans – Bart Jaski, Marco Mostert en Kaj van Vliet (red.), Perkament in stukken. Teruggevonden middeleeuwse handschriftfragmenten [Middeleeuwse Studies en Bronnen 171] (Hilversum: Verloren, 2018) 280p. ill. € 29,00 ISBN: 978-90-8704-742-9

De rijk geïllustreerde bundel Perkament in stukken vergezelde de gelijknamige tentoonstelling in Het Utrechts Archief die liep van 21 september 2018 tot 6 januari 2019. De tentoonstelling en bijdragen van het boek gaan alle over handschriftfragmenten die als maculatuur een tweede leven kregen. Wanneer een tekst niet meer van belang was, maar het materiaal nog wel dienstig kon zijn, werden perkamenten bladen uit handschriften losgemaakt, waar nodig bijgesneden en opnieuw gebruikt als kaft, schutblad of versteviging van administratieve documenten of nieuwe boeken.

De drie redacteurs bundelden de achtendertig bijdragen van een groot aantal auteurs in thematische secties waartoe de fragmenten behoorden: bijbel, liturgie, muziek, theologie, recht, wetenschap, geneeskunde, historio- en hagiografie en literatuur. In deze bespreking brengen we de besproken fragmenten samen op basis van hun band met de laatmiddeleeuwse bibliotheken van religieuze instellingen of privécollecties waarvan ze onderdeel uitmaakten. De volledige titelbeschrijvingen en auteursnamen zijn te consulteren in de Signumbibliografie.

Over de origine van sommige fragmenten is soms weinig tot niets te achterhalen. Van rechtskundige fragmenten, zoals geglosseerde Digesten uit de late twaalfde eeuw (p. 134-139) en rijkelijk verluchte veertiende-eeuwse decretalen uit Toulouse (p. 140-145), is geen herkomst uit een klooster- of kapittelbibliotheek vast te stellen. Hetzelfde geldt voor drie Brabantse fragmenten van de Natuurkunde van het geheelal die op twee plaatsen gevonden werden (p. 172-179), en een dubbelblad uit het zevende boek van de Etymologiae van Isidorus van Sevilla (p. 168-171). Dit dubbelblad behoorde tot een katern waarbij er nog twee dubbelbladen in het bewaarde bifolium zaten. Voor een fragment van een augustijner leefregel in één van de hypotheses een Leuvense herkomst uit het augustijnenklooster aldaar (p. 146-149).

Als maculatuur werden vaak dezelfde handschriften gebruikt in verschillende boeken, vooral in boeken die oorspronkelijk tot de bibliotheek van de Paulusabdij behoorden (p. 22-33). Zij bieden zo een ander beeld van de bibliotheekcollectie van die instelling. Van een afgedankt twaalfde-eeuws antifonarium uit de Paulusabdij zijn nog twintig bladen bewaard in de Utrechtse universiteitsbibliotheek (p. 88-93). Het zangboek kenmerkt zich door kwarttonen, een tot 1400 geattesteerd relict van de vroegchristelijke, Romeinse liturgie die uit de hellenistische muziekverhandelingen putte. Bladen van een dertiende-eeuws graduale dienden als schutbladen van vier, omstreeks 1485 ingebonden handschriften van de benedictijnenabdij, waarvan er drie in de Utrechtse universiteitsbibliotheek en één in de Kopenhaagse Koninklijke Bibliotheek berusten (p. 80-85). Een fragment in de universiteitsbibliotheek, zo stellen Tom ter Horst en Nike Stam vast, gaat terug op een verkeerd ingebonden afschrift van het Cordiale de quattuor novissimis van Gerard van Vliederhoven, een lid van de Duitse orde (p. 126-131). Het fragment staat in nauw verband met een handschrift van dezelfde tekst uit het kartuizerklooster Nieuwlicht en werd mogelijk afgedankt toen de Utrechtse benedictijnen een incunabel uit 1489 met dezelfde tekst aanschaften. Hoe de twee enig overgebleven halve bladen van een luxueus negende-eeuws sacramentarium ingebonden raakten in een vijftiende-eeuws handschrift van de Paulusabdij is onduidelijk (p. 70-75). Het sacramentarium was een innovatief handschrift, want het was samengesteld met zangteksten uit het Gregorianum en het Gelasianum en had in de marge toegevoegde gezangen. Het lijkt zijn oorsprong in Reims of Tours gehad te hebben. Bart Jaski stelt als hypothese voor dat de efemere bisschop Hunger, de bisschop Odilbald of eerder nog diens opvolger Radboud het naar het Utrechtse diocees meebrachten. Startend van een half uitgewiste en in een band van de Paulusabdij verwerkt geraakte pauselijke bul voor een post als vicaris in Oudmunster ontleedt Bram van den Hoven van Genderen de loopbaan en het netwerk van de laat vijftiende-eeuwse curialist Gerard Dreses van Grollo, die uiteindelijk domscholaster en deken van het kapittel van Deventer werd (p. 158-165). Of een dertiende-eeuws fragment van een martyrologium ook oorspronkelijk voor de Paulusabdij bedoeld was, dan wel in een Reimse ontstaanscontext gesitueerd dient, blijft in nevelen gehuld (p. 262-267).

De rijke boekencollectie die Huybert van Buchell (°1519-†1599), een voormalige kanunnik van het Mariakapittel met reformatorische sympathieën, verzameld had, kwam in 1605 in de Utrechtse stadsbibliotheek en later in de universiteitsbibliotheek terecht. Zowat zeventig procent van de handschriften en boeken van deze collectie bevat maculatuur (p. 34-45). Verschillende binders werkten met de handschriften die Van Buchell hen uit de bibliotheek van Sint-Marie aanleverde. Zo zijn in boeken die tussen 1532 en 1586 gedrukt werden, eenentwintig bladen bewaard uit een omstreeks 1300 in Parijs vervaardigd handschrift van het Liber de natura rerum van de Brabantse dominicaan Thomas van Cantimpré (†ca. 1272). Zes folia uit het middenstuk van Alanus van Rijsels (†1203) Significationes diversorum verborum sanctae Scripturae uit de bibliotheek van Sint-Marie werden ingebonden in Keulen, waar Van Buchell een aantal jaren vertoefde. Eveneens in banden die Van Buchell toebehoorden, zijn fragmenten van een tiende-eeuwse kalender en een tijdrekenkundig werk van Helperic van Auxerre gevonden (p. 180-187). Gelet op de aanwezigheid van de in de Keulse regio vereerde heiligen menen Bastiaan Waagmeester en Jelle Wassenaar dat deze maculatuur pas na 1570, tijdens Van Buchells verblijf te Keulen, in de boekbanden belandde. Een Keulse connectie moet er ook geweest zijn bij een bifolium met een handgeschreven protoversie van Fasciculus temporum van de aldaar zeer actieve kartuizer Werner Rolevinck (p. 204-211). In verschillende boeken, waaronder een protestants psalmencommentaar, zijn fragmenten van een Utrechts brevier teruggevonden (p. 224-229). Voor twee samengebonden bijbelcommentaren van reformatorische theologen werden fragmenten van twee in onbruik geraakte handschriften benut: een vijftiende-eeuws graduale voor de kaft en een Moralia in Job van omstreeks 1100 voor de voor- en achterplat. (p. 254-257). In vier convoluten met handgeschreven teksten en gedrukte werken uit de jaren tussen 1520 en 1530, behorend tot de collectie Van Buchell, bevatten de boekbanden acht halve perkamenten bladen die als dekblad dienen (p. 94-97). De fragmenten, soms met muzieknotatie, zijn in de late elfde, vroege twaalfde eeuw geschreven door een zelfde kopiist en behoorden wellicht tot een brevier.

Eenzelfde weg als Van Buchells collectie ging een groot legaat van de Utrechtse jurist Evert van de Poll (°1565-†1602). In deze verzameling werd beduidend minder maculatuur aangetroffen. In vier drukken uit Van de Polls collectie werden tien bladzijden met schaarse, meerstemmige muzieknotatie van omstreeks 1400 ontdekt (p. 102-107). Deze fragmenten behoorden tot vijf collecties, waarvan er vier een Utrechtse oorsprong hadden. Een blad bevat een fragment uit een driestemmige Gloria Jubilatio, gecomponeerd door Hubert de Salinis. Hierin bejubelt deze Franse componist en lid van de pauselijke kapel de verkiezing van een nieuwe paus tijdens het Concilie van Pisa in de (ijdele) hoop dat aldus een einde zou komen aan het Westers Schisma.

De vijf Utrechtse kapittels wisten hun boeken veel langer dan de kloosters voor inbeslagname te vrijwaren, maar juist daardoor is een veel kleiner deel van hun boekenverzamelingen in de openbare collecties terecht gekomen. Bovendien werden veel banden na 1844 opnieuw ingebonden, met verlies van hun maculatuur. Als schutbladen voor het necrologium van het kapittel van Oudmunster zijn tien perkamenten bladen uit de late twaalfde of vroege dertiende eeuw gebruikt (p. 98-101). Deze bladen uit een brevier met muzieknotatie kenmerken zich door het neumenschrift in de stijl van Utrecht-Stavelot-Trier, de regio waar de kloosterhervormer Poppo van Deinze leiding gaf. Het oudste stuk dat uit het bisschoppelijk archief bewaard is gebleven, is het rechter kwart van een koningsoorkonde uit 1025 (p. 150-157).

Daarnaast zijn er veel fragmenten van handschriften in de archieven van de Utrechtse kapittels gevonden, voornamelijk het domkapittel en het kapittel van Sint-Marie. De fragmenten werden meestal als omslagen in het tweede en derde kwart van de zestiende eeuw hergebruikt, terwijl dat in de Paulusabdij vooral in het derde en vierde kwart van de voorgaande eeuw gebeurde. De oudste fragmenten van de Utrechtse kapittels, in Karolingisch schrift, stamden vooral uit liturgische handschriften, terwijl bij de gotische fragmenten de inhoud ook vaak kerkelijk recht betrof. Deze laatste discipline sloot nauw aan bij de studies van een ruim deel van de kanunniken. In dezelfde periode zijn voor de Paulusabdij vooral fragmenten van liturgische teksten en van brevieren voor persoonlijk gebruik bewaard. Een register van Sint-Marie met statuten, pachten en uitbetalingen aan de kanunniken heeft als eerste blad de brief van Hiëronymus die vaak als inleiding op de Vulgaat dienst deed (p. 50-53). Ook in andere archiefstukken van het kapittel van Sint-Marie en in boeken uit de collectie van Van Buchell bevinden zich fragmenten uit hetzelfde veertiende-eeuwse bijbelhandschrift. In archiefstukken uit verschillende kapittels onderzoekt Els Rose de liturgische fragmenten (p. 56-61). Gaaf bewaarde twaalfde-eeuwse missalen beantwoordden ten gevolge van de permanente evoluties in liturgische praktijk en schrift niet meer aan de laatmiddeleeuwse mode en noden en werden hergebruikt als schutbladen voor het veertiende-eeuwse liber camerae van het domkapittel, het necrologium van het Sint-Pieterskapittel en de rekeningen van Sint-Marie. Gewikkeld om een rekeningenbundel van het domkapittel (p. 62-69) uit 1526-1534 is een perkamenten blad van een Karolingisch missaal van de dom met op de keerzijde nog niet eerder gekende bisschoppelijke schenkingen van antependia, een kroonluchter en twee kerken (Rolde in Drenthe en het Friese Oudemirdum bij Staveren). Het overgeleverde schutblad plaatst het dommissaal binnen de groep van liturgische codices met prachtbanden die in de elfde en twaalfde eeuw beheerd werden door de custos van de dom: de Lebuïnus-, de Ansfridus- en de Bernulfuscodex. Als versteviging van de kaft van een archiefstuk van Sint-Marie werd het meest uitgebreide gekende fragment van De Trinitate van de derde-eeuwse tegenpaus Novatianus gebruikt (p. 110-113). Geschreven tussen 825 en 875 in een Karolingische minuskel is dit het oudst bewaarde fragment van Het Utrechts Archief.

Behalve van het kapittel van Sint-Marie is vooral van het domkapittel heel veel handschriftelijk materiaal als maculatuur bewaard gebleven. Twee tiende- of elfde-eeuwse fragmenten van dezelfde tekst, de Dialogi, werden kort na 1573, in troebele tijden, afgedankt om als kaft voor rekeningen met biertegoeden van het domkapittel te fungeren (p. 120-125). Een andere rekening van dezelfde instelling bevatte verborgen verstevigingsstrookjes met een fragment van het geheel aan diëtetiek gewijde Liber dietarum universalium et particularium van Isaac ben Solomon Israeli, die als arts over de gezondheid van verschillende tiende- en elfde-eeuwse Islamitische heersers waakte (p. 196-201). Als omslag diende bij dezelfde archiefvormer drie aan elkaar genaaide folia, namelijk een vroeg elfde-eeuws florilegium met excerpten uit Augustinus’ De civitate Dei, een door Hiëronymus becommentarieerde passage uit het Mattheusevangelie en de Virtutes apostolorum (p. 218-223). Als schutblad voor een necrologium van het domkapittel werd een lofdicht op de aanstelling van David van Bourgondië als Utrechtse bisschop in 1455-1456 aangewend, waarop naderhand nog boekhoudkundige en andere aantekeningen genoteerd werden (p. 230-234). Een raadsel deed dienst als omslag voor een protocollenboek van het kapittel van Oudmunster (p. 240-243).

In tegenstelling tot de Utrechtse kapittels vonden in 1584 effectieve confiscaties plaats van de kloosterbibliotheken van het Utrechtse regulierenklooster en de kartuizers van Nieuwlicht. Op basis van voornamelijk penwerk en initiaalversieringen situeert Tino Oudesluijs het ontstaan van een fragmentarisch overgeleverd Exordium magnum in één van beide kloosters omstreeks 1450 (p. 212-217). Er zijn veel overeenkomsten met verschillende handschriften uit het regulierenklooster. In 1502 kocht predikheer Johannes Gruntgen te Keulen voor de bibliotheek van zijn klooster te Kalkar een in 1496 te Neurenberg gedrukt exemplaar van de Heksenhamer. Als schutblad deed een met de leer van de vier humoren of lichaamssappen geamendeerd afschrift van het medisch werk Antidotarum Nicolai dienst (p. 190-195). Uit een in de Verenigde Staten bewaard boek dat toebehoorde aan het augustijner klooster van Mariëndaal of Mariënborn bij Arnhem kwam een fragment van Lucanus’ Pharsalia, dat tot dezelfde katern behoorde als een Utrechts fragment, hetgeen wijst op eenzelfde boekbinder (p. 236-239). Folia van antifonaria, mogelijk van franciscaanse oorsprong, werden nog bij de aanvang van de twintigste eeuw hergebruikt als enveloppen voor vaccinatiegetuigschriften (p. 258-261).

Wanneer eenmaal een fragment in of om aan archiefstuk ontdekt werd, werd het uit het archiefbestand verwijderd. Het werd overgebracht naar de universiteitsbibliotheek of het grootseminarie. En zo kwam ten slotte Het Utrechts Archief in het bezit van deze fragmenten. Dat was onder meer het lot van een twaalfde-eeuws fragment van een obituarium van de benedictijnenabdij van Oostbroek met op de achterzijde een unieke overlevering van een Willibrordgezang met muzieknotatie (p. 76-79). Bij het financieel register van de keldermeester van de Paulusabdij uit de jaren 1520-1527 deed een veertiende-eeuwse liturgische tekst dienst als schutblad. De band van het omstreeks 1540 samengestelde cartularium van de cisterciënzer priorij van Mariënberg te IJsselstein bevat een viertal schutbladen, te weten twee missaalbladen van ca. 1500 en evenveel bladen uit de eerste helft van de vijftiende eeuw met een traktaat over de zintuigen. Het op één na oudste westerse handschriftfragment van de Utrechtse universiteitsbibliotheek, een stuk uit de Dialogi van Gregorius de Grote, geschreven in een pre-Karolingische minuskel, deed dienst als achterste schutblad van het derde deel van een zesdelige, te Bazel gedrukte uitgave van het bijbelcommentaar van Nicolaas van Lyra (†1349), dat toebehoorde aan de Sint-Laurentiusabdij in Oostbroek bij De Bilt (p. 114-119).

Perkament in stukken laat de mogelijkheden zien van grondig fragmentenonderzoek. Toch blijft het een terrein waar nog heel veel werk te verzetten valt. Zo blijven overzichten op nationale schaal en de reconstructie van middeleeuwse bibliotheken aan de hand van teruggevonden fragmenten voor de Lage Landen een gesignaleerd werkterrein voor verder onderzoek. Naast de methodologisch belangrijke status quaestionis van Marco Mostert bieden de inleidingen van zijn twee co-editors, Bart Jaski en Kaj van Vliet, het benodigde overzicht van de Utrechtse handschriftencollecties en hun historiek. Zij verhalen de achtergrond van de collectievorming waarbinnen de vele individuele casussen zich situeren. Zelf bevatten veel bijdragen in de bundel goede inleidingen op tal van onderwerpen uit de brede middeleeuwse cultuurgeschiedenis, zoals handboeken en codificaties van Romeins en kerkelijk recht, glossen, tijdrekenkunde, artesliteratuur of middeleeuwse inktsamentellingen (p. 248-253). Het bestuderen van fragmenten uit verschillende collecties leidt tot synergiën, wanneer andere onderzoekers in andere instellingen fragmenten van eenzelfde tekst vinden (zoals op p. 178-179). De mooie en rijkelijk geïllustreerde resultaten voor de Utrechtse collecties in Perkament in stukken tonen de vele mogelijkheden die fragmenten bieden als sleutels voor nieuw onderzoek. Want ook al verhoudt een fragment van een bijgesneden folium zich tot een handschrift als een sleutelgat tot een deur, wie van kortbij goed door het sleutelgat kijkt, ontwaart een soms verrassend, maar altijd breed perspectief op de middeleeuwse cultuur.