De Eifelse premonstratenzer abdij Steinfeld, haar Friese dochterkloosters en haar Loonse abten en koorheren

Äbte und Chorherren des Prämonstratenserstifts Steinfeld

Janick Appelmans – Ingrid Jöster, Äbte und Chorherren des Prämonstratenserstifts Steinfeld, , dl. 1: Äbte und Pröpste en dl. 2: Chorherren [Germania Sacra. Die Kirche des alten Reiches und ihre Institutionen. Supplementband 2,1-2] (Göttingen: Akademie der Wissenschaften zu Göttingen, 2018) 229p. resp. 492p.; 15,69€ resp. 29,90€; ISBN 978-3-946048-14-5 resp. ISBN 978-3-946048-15-2.
Ingrid Jöster, Der Besitz des Prämonstratenserstifts Steinfeld [Germania Sacra. Die Kirche des alten Reiches und ihre Institutionen. Supplementband 3] (Göttingen: Akademie der Wissenschaften zu Göttingen, 2018) 172p. krtn.; 11,85€; ISBN 978-3-946048-16-9

Tussen 1136 en 1142 sloot de Steinfeldse proosdij van augustijner koorheren, die de strikte leefregels van Springiersbach volgden, aan bij de groeiende beweging van de enkele jaren voordien overleden charismatische prediker en kerkleider Norbert (†1134). Binnen de premonstratenzer orde en de Westfaalse circarie zou Steinfeld, dat in 1185 een abdij werd, steeds een bron van hervorming en vitaliteit vormen.

Minstens even bewonderenswaardig is het levenswerk van dr. Ingrid Jöster die alle aspecten van de Steinsfeldse kloostergeschiedenis, van de uitgave van de oorkonden over de economische activiteiten en het leven van alledag tot de religieuze en culturele uitstraling, bestudeerde en beheerst. Met het strategisch terugplooien sinds 2008 van de Germania Sacra op de bisdommen en de domkapittels werden de publicaties inzake seculiere kapittels en benedictijnse, cisterciënzer, franciscaner, premonstratenzer en regulierenkloosters teruggeschroefd en na 2018 finaal stopgezet. Een overzicht van de gepubliceerde en al digitaal te consulteren boekdelen bevindt zich op de website. Gelukkig konden ook nog belangrijke delen van Jösters levenswerk over Steinfeld in 2018 gepubliceerd worden. Naargelang de keuze van de lezer zijn drie studies, over de oversten, de koorheren en het goederenbezit, via print of via gratis pdf op het internet beschikbaar.

Steinfeld bij Kall in de Eifel, behorend tot het aartsbisdom Keulen, was bij aanvang geen klooster van reguliere koorheren. Dat werd het pas in 1121 na de omvorming van het plaatselijke benedictinessenklooster dat daar al van in de elfde, mogelijk zelfs de tiende eeuw bestond. Het is niet zeker of de eerste bij naam gekende overste, Everwin van Helfenstein, proost tot ca. 1152, het klooster al van in 1121 leiding gaf. Alleszins voltrok hij de stichting van het zusterklooster Dünnwald bij Keulen en zette hij de premonstratenzers in Bohemen op de kaart met de stichtingen van Strahov bij Praag (1143/1144) en Želiv (1149) en hun dochterkloosters van Doksany en Louňovice. Hij berichtte aan Bernard van Clairvaux over katharen en zijn memoria werd inmiddels in twaalf bewaarde premonstratenzer necrologia teruggevonden.

Zoals wel meer in de ontluikende premonstratenzer orde was het zaak om ook een krachtige tweede overste te hebben, zoals dat ook het geval was in bijvoorbeeld Bonne-Espérance (met de geleerde literator, hagiograaf, briefschrijver en bestuurder Filips van Harvengt), in Saint-Feuillien (met Nicolaas, die de banbliksems van de bisschoppen van de kerkprovincie Reims en de belangrijkste premonstratenzer en cisterciënzer abten, Bernard van Clairvaux inbegrepen, trotseerde om zijn abdij domaniaal te laten overleven) of in Park (met Philippe, die de opdracht gaf tot de prachtige driedelige Parkbijbel en met Hildegard van Bingen correspondeerde). In Steinfeld diende deze zich aan in de figuur van de Franstalige proost Ulrich (ca. 1152-1170), aan wie Caesarius van Heisterbach een gans kapittel wijdde in de Dialogus miraculorum. In niet minder dan vier exempla spelt Ulrich inhalige lekenbroeders de les.

Een derde verspreidingsgebied van Steinfeldse dochterkloosters, naast de circarieën van Westfalen en van Bohemen en Moravië, was Friesland. Voor Westfalen ontving de abt van Steinfeld regelmatig een aanstelling als visitator. Voor de circarieën Bohemen en Moravië, Ilfeld en Wadgassen was dat eerder uitzonderlijk. Toch trok de abt van Steinfeld regelmatig naar Friesland om dochterkloosters te visiteren of delegeerde hij bijvoorbeeld de abt van Wittewierum daartoe. De door Hans Mol in de Analecta Praemonstratensia van 2005 aangehaalde opdracht om van de abt van Prémontré en het generaal kapittel in 1483 om de Friese kloosters met uitzondering van Mariëngaarde te visiteren en hervormen, kende zijn uitvoering in de door Jöster verhaalde visitatiereis. Kort na de thuiskomst werd de Steinfeldse abt Johan III van Altena ziek en stierf hij in het Keulse abdijrefuge. De verhouding tussen Steinfeld en de premonstratenzer kloosters in Friesland is ruim bestudeerd (door Mol en door Walther Löhnertz in het Emder Jahrbuch für historische Landeskunde Ostfrieslands voor 1993-1994), maar ook voor Jösters prosopografische invalshoek blijft de hoofdbron de bundeling van abtenlevens van Mariëngaarde, de Vitae abbatum Horti Sanctae Mariae. Het is vreemd dat Jöster hiervoor verwijst naar de (weliswaar erg verspreide en online consulteerbare) negentiende-eeuwse uitgaves en niet naar de editie met Nederlandse vertaling van Herman Th.M. Lambooij en Hans Mol uit 2001. Een vergelijkbare opmerking kan gemaakt worden bij het gebruik van de negentiende-eeuwse tekstuitgave van het reisverslag (1792-1802) van de ballingschap van Jean-Baptiste Henry, abt van Ressons bij Beauvais, terwijl er een editie met Duitse vertaling uit 2006 van de hand van Bernward Kröger voorligt. Naast de vele geconsulteerde uitgegeven necrologia kon ook nog het in 2008 uitgegeven necrologium van de abdij van Ninove benut worden voor de melding van zes Steinfeldse memoria.

In de middeleeuwen schommelde het aantal medebroeders rond de 50. Zoveel premonstratenzers waren nodig omwille van de vele extramurale verplichtingen van de abdij. Steinfeld telde slechts twaalf parochies, maar zorgde ook voor priors, kapelanen en andere mannelijk personeel in de zes met norbertinessen bevolkte dochterkloosters. Bovendien voorzag Steinfeld in de spirituele ondersteuning van de ook in de Nederlanden gelegen dépendances van andere abdijen, waaronder de kloosters Heinsberg en Houthem-Sint-Gerlach, gesticht door de heren van Heinsberg-Valkenburg, en hun respectieve parochies Oirsbeek in het land van Valkenburg en Brachelen. Behalve Steinfeld leverden vooral de Rijnlandse kloosters Heinsberg en Knechtsteden, het Brabantse Averbode en de Waalse abdijen Beaurepart en Floreffe proosten voor Houthem. Oirsbeek, de enige kerk waar vanaf 1273 het Sint-Gerlachklooster het patronaatsrecht bezat, werd bediend door de Steinfeldse koorheren Kristiaan van Keulen (1369), Libert van Culembeke (vanaf 1378/1379), Hendrik von Cloeps (1555-1558), Joos Poll (1558-†1579) en Niklaas Klein (vanaf 1589 tot na 1598). Steinfeld bediende eveneens Geleen namens het norbertinessenklooster van Reichenstein, dat er in de tweede helft van de dertiende eeuw de patroonsrechten verwierf. Voor de middeleeuwen zijn vijf Steinfeldse koorheren als pastoor gekend: Willem Gressenich (1369), Gerlach van Antweiler (1387), Nikolaas Weigbart (omstreeks 1430), Bartholomeus Wysshoust (1458) en Adam van Kettenis (1484-†1502). Voor de in 1478 vermelde pastoor “Fredericus medicus” is dat niet zeker.

De recente Nederlandse literatuur over Houthem (in 1995 onder leiding van Anneke B. Mulder-Bakker en in 1999 onder leiding van A.G. Schulte en A.A.M. Warffemius) is niet opgenomen in Jösters bibliografie, maar – het dient gezegd – deze publicaties leren niet veel over de relaties tussen de abdij in de Eifel en het klooster in het land van Valkenburg. Vanuit de Houthemse kloosterhistoriografie is het nog steeds de meer dan 150 jaar oude studie van Joseph Habets in de Publications de la Société Historique et Archéologique dans le Limbourg van 1869 die de meeste aandacht aan de banden met Steinfeld schenkt. Naast de in beide landen gekende Houthemse proosten uit Steinfeld, zoals Hendrik Engelen (†1523), Hendrik de Wever (†1551) en Gillis Bruel (†1555), zijn er na Jösters publicaties wederzijds nog hiaten op te vullen.

Voor de vijftiende eeuw reikt Jöster een Houthemse proost Willem Bruck of Brugh aan, die in 1474 als rector van de Heinsbergse parochie Brachelen werd aangesteld. Hij was wellicht de voorganger, mogelijk de opvolger van Herman Blyoff, proost in de jaren 1465 en 1485. Ook Leonard Panhuysen († 9 maart 1569) uit Opoeteren, een verwant van abt Jakob Panhuysen, wordt in verband gebracht met het Sint-Gerlachklooster, waar hij een beneficium bezat. Alvorens tot de orde toe te treden studeerde hij in de jaren 1549-1551 in Emmerik. Hij legde zijn professie af in 1556 en werd drie jaar later vicaris van de kapel op de Gottesberg te Zülpich 1559. In 1563 werd hij rector van de kapellen Weiler en Sievernich en vier jaar later pastoor te Erp.

Via het norbertinessenklooster Wenau, dat steeds een dochterklooster van Floreffe bleef, kreeg Steinfeld zijn eerste overste uit de Nederlanden: Jan, abt van 1272 tot minstens 1279/1280 en geboren te Leuven, was voordien proost in Wenau tussen Aken en Düren. In de Naamse abdij van Floreffe had deze Brabander voordien de trappen van de kloosterhiërarchie doorlopen als subprior en prior. In tegenstelling tot de Steinfeldse traditie die zijn abbatiaat laat eindigen in 1279/80, kan hij langer aan het hoofd van het klooster gestaan hebben, omdat hij pas na 1282, maar zeker in 1287 een nieuwe waardigheid, die van abt van Rommersdorf op de rechter Rijnoever, bij Koblenz, opgenomen had. Jan van Leuven sloot zijn premonstratenzer curriculum af als abt van Floreffe, alwaar hij in 1291 of 1292 resigneerde. Hij overleed in augustus 1293, maar via het netwerk van de orde was men hem in Brabant niet vergeten, want hij werd in de Parkabdij bij Leuven op 26 juli herdacht.

In de zestiende eeuw volgden drie Loonse abten elkaar op aan het hoofd van de abdij van Steinfeld. Na het korte abbatiaat van Simon van Diepenbeek of van Hasselt (1538-1540) nam Jacob Panhuysen (1540-1582) uit Opoeteren bij Maaseik over. Hij had in Luik en Keulen gestudeerd en was samen met zijn landgenoot Jan van Otteren, die later kapelaan en prior (1543-1565) van het norbertinessenklooster van Meer werd, te Steinfeld ingetreden. Vertrouwensman van abt Johan VI Schuyss van Ahrweiler, werd hij ten laatste in 1536 cellier, een ambt dat in de Nederlanden vaak als provisor betiteld werd. In 1540 kreeg zijn voorganger verlof om te verzaken of een hulpabt aan te stellen, doch zijn spoedig overlijden maakte de weg voor een gewone verkiezing vrij. Als abt was hij sterk geïnteresseerd in de eigen kloostergeschiedenis. Hij stelde twee kronieken op en een overzicht van de Steinfeldse dochterkloosters en hun dochterstichtingen. Hij was een groot bouwheer en een goed bestuurder, die de juridische belangen van zijn instelling sterk verdedigde. Hij stond gekend om zijn persoonlijke vroomheid en zijn hervormingsijver. Hij kreeg van het generaal kapittel in 1549 de opdracht om de circarieën Westfalen, Wadgassen, Ilfeld, Denemarken, Noorwegen, Saksen, Polen, Moravië, Pommeren en Friesland te visiteren en te hervormen. Hij werd opgevolgd door zijn neef Balthasar Panhuysen (1582-1606).

Behalve abten rekruteerde Steinfeld ook andere koorheren uit de Nederlanden of het prinsbisdom Luik, zoals de berouwvolle apostaat Peter uit Eupen (1475), Bertold van Breda, die tot 1479 rector van de parochiekerk van Schleiden was, de al gesignaleerde Geleense pastoor Adam von Kettenis, hulpkoster Frans (†1546) uit Valkenburg, de Maaseikse conventspriester Peter Wenthaus (†1580) en Willem Panhuysen (†1639) uit Opoeteren, prior van het sinds 1487 met koorheren bevolkte klooster Reichenstein.

In legist en canonist Raso Bonusvicinus, die in Parijs studeerde, ziet Jöster in lijn met de Steinfeldse traditie de auteur van de op 1 april 1500 afgesloten Dialogus magistri Rasonis Bonivicini candidi ordinis Praemonstratensis in Vitam fratris Ioseph canonici Steynveldensis eiusdem ordinis. Aangezien deze norbertijn in 1505 naar Arnstein werd gezonden en in 1509 overleed, kan deze niet vereenzelvigd worden met de Drongense abt Raso Goetghebuer (†1490). Deze identificatie, door Joannes Chrysostomus Van der Sterre in 1627 gemaakt, voelde al even zo lang bij vele auteurs ongemakkelijk aan en werd in 2006 niet behouden in het overzichtswerk over de abdij van Drongen.

Iets vroeger situeert zich nog een andere link met de Nederlanden. In 1486 verwierf abt Reinier Hundt van Euskirchen (1484-1492) op kosten van de parochie Steinfeld een schilderij van de Gregoriusmis met afbeeldingen van de heiligen Potentinus en Andreas, dat zich nu in het Catharijneconvent in Utrecht bevindt.

Was Steinfeld relatief laat tegenover de grote abdijen uit de Nederlanden om in de eerste helft van de zestiende eeuw het recht op de pontificalia te verwerven, dan was de aanleg van een tot 1795 bijgehouden ledenregister en van een tot 1763 bijgehouden professieregister vanaf het midden van diezelfde zestiende eeuw, tijdens het bewind van de historisch sterk geïnteresseerde prelaat Jacob Panhuysen, erg vooruitstrevend. In de Parkabdij bij Leuven zou abt Libert de Pape pas rond het midden van de zeventiende eeuw (weliswaar retroactieve) kanunnikencatalogen aanleggen, waarvan één handschrift tot de opheffing in de Franse tijd bijgehouden werd.

Het derde boekdeel presenteert zich als een topografisch overzicht van alle plaatsen waar Steinfeld in en aan de rand van de Eifel gegoed was. De norbertijnen bezaten er veel hoeves, stadshoven, veel wijngaarden, weides, akkers en wouden, een heerlijkheid met hoge justitie, veel molens, cijnsgoederen, cijnzen en tienden. Uitzonderlijk reikte het goederenbezit eens tot in de Nederlanden. De cijns van 10 schellingen die de abdij in 1187 in Heerlen verwierf, is nog geattesteerd in het cijnsregister van omstreeks 1277.

De prosopografische boekdelen bevatten een schat aan uitvoerige biografische notities. Voor de samenstelling van de twee banden over de Äbte und Chorherren bekent Jöster voor de periode tot 1350 erg schatplichtig te zijn aan het in 1997 uitgegeven proefschrift van Ingrid Ehlers-Kisseler. Naar onze mening is dit toch deels een bescheidenheidstopos, omdat Ehlers-Kisseler op haar beurt dankbaar gebruik maakte van het editie- en studiewerk van Jöster. Bovendien willen we erop wijzen dat Jöster voor de oversten nog heel wat bijkomende bronnen en literatuur aandraagt. De notities bij de proosten en de abten zijn minstens zo uitvoerig als in de meest degelijke monastica, zoals het Monasticon belge. Dat daarnaast ook nog alle gekende kanunniken een afzonderlijke biografische notitie krijgen, is iets waar men in België vaak maar van kan dromen. De filiatie en de connecties met Friesland waren, ondanks de bronnenschaarste, al goed bestudeerd. Hetzelfde geldt voor de Loonse prelaten uit het Opoeterse geslacht Panhuysen. Andere interacties met parochies in de landen van Overmaas of met de Waalse abdijen van Beaurepart en Floreffe waren echter veel minder tot helemaal niet gekend.

De verschillende boekdelen van Jösters studie zijn op papieren drager online te bestellen, maar tevens als digitale publicatie gratis af te laden. Dit alles kan via onderstaande URL’s:

Teil 1 (Äbte und Pröpste):
Gratis download als pdf: http://hdl.handle.net/11858/00-001S-0000-002D-B56D-5
Te bestellen als print on demand via: https://www.bod.de/buchshop/aebte-und-
chorherren-des-praemonstratenserstifts-steinfeld-teil-1-ingrid-joester-9783946048145

Teil 2 (Chorherren)
Gratis download als pdf: http://hdl.handle.net/11858/00-001S-0000-002D-B56E-3
Te bestellen als print on demand via: https://www.bod.de/buchshop/aebte-und-
chorherren-des-praemonstratenserstifts-steinfeld-teil-2-ingrid-joester-9783946048152

Der Besitz des Prämonstratenserstifts Steinfeld
Gratis download als pdf: http://hdl.handle.net/11858/00-001S-0000-002D-B56F-1
Te bestellen als print on demand via: https://www.bod.de/buchshop/der-besitz-des-
praemonstratenserstifts-steinfeld-ingrid-joester-9783946048169