Memorie en (kerkelijke) loopbaan van de vijftiende-eeuwse leden van de Raad van Brabant

De kanseliers, raadsleden en secretarissen van de Raad van Brabant

Janick Appelmans – Paul De Win, De kanseliers, raadsleden en secretarissen van de Raad van Brabant (1430-1506). Een prosopografische studie [Studia 167] (Brussel: Algemeen Rijksarchief, 2021) 315p. ill. index; €17,00; ISBN: 978-94-6391-163-4; Bestelnummer: 6168

Wat heeft een prosopografie van Brabantse topfunctionarissen te maken met kerkelijke instellingen? Allereerst hadden redelijk wat ambtenaren een (gedeeltelijke) kerkelijke loopbaan. De Bourgondische hertogen en hun Habsburgse opvolgers rekruteerden graag uit de talentenvijver van het Brusselse Sint-Goedelekapittel of plaatsten er (en elders) hun vertrouwelingen op een rijkelijk gedoteerde prebende. Daarnaast hielden kapittels en kloosters de memorie van de vorstelijke gunstelingen levendig. Naast het Sint-Goedelekapittel waren dit vooral de Brusselse karmelieten, de kartuizers van Scheut en de predikheren in diverse Brabantse steden. Van een aantal raadsheren is de grafzerk bewaard in de plaatselijke parochiekerk waar hun heerlijkheid gevestigd was.

In de afgelopen kwarteeuw nam het onderzoek naar de laatmiddeleeuwse instellingen in Brabant, de adel en de ambtenarij een hoge vlucht. Dit resulteerde in een knappe studie over de Raad van Brabant onder het bewind van Filips de Goede (Godding 1999), inleidende overzichten door het Rijksarchief (Van Uytven e.a. 2000; Aerts e.a. 2011), een prosopografische studie van kanunniken van Sint-Goedele (Van Hofstraeten 2010), de publicatie van het obituarium van de grote kanunniken van datzelfde Brusselse kapittel (Guilardian 2002) en van de convocatielijsten voor de Staten van Brabant (Damen 2016), allemaal te kaderen binnen de veranderende machtsevenwichten waarvan de wijzigende clausules van de opeenvolgende Blijde Inkomsten getuigden (Vrancken 2018). Voor de geschiedenis van de Brabantse adel en de hertogelijke ambtenarij in de vijftiende eeuw zijn de vele studies van rechtshistoricus Paul De Win van belang. Naast de biografieën en studies van families van hertogelijke topambtenaren die hij publiceerde in tijdschriften als Eigen Schoon en De Brabander en de Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen of in vele volumes van het Nationaal Biografisch Woordenboek realiseerde hij op gezette tijdstippen overzichtsstudies van ambtenaren, edelen en schandpalen. Wat die eerste groep betreft gaf hij in 2007 een knappe aanzet met zijn artikel De kanseliers van Brabant in de 15de eeuw, inzonderheid in de periode 1445-1509. Bogend op nog veel meer detailstudies, telkens onderbouwd met tal van verwijzingen naar benoemingsbrieven, bezoldigingen, universiteitsmatrikels, zegels, ondertekende akten en notaristekens, bezorgt hij nu in de Studia-reeks van het Algemeen Rijksarchief een meer synthetische en tevens nauwkeurig geannoteerde prosopografische studie van de kanseliers, raadsleden en secretarissen van de Raad van Brabant van 1430 tot 1506.

Aan het hoofd van deze instelling, die doorgaans als “raidcamere” in de Blijde Inkomsten en andere bronnen vermeld staat, stond een kanselier. Zijn positie was duaal. Enerzijds waakte hij als voorzitter van de tot het einde van het ancien régime soevereine Raad van Brabant mee over de vrijwaring van de voorrechten van het hertogdom, zoals opgenomen in de clausules van de Blijde Inkomsten. Daarnaast was hij de vertegenwoordiger van de vorst die de matrijs van het Brabantse zegel bewaarde en die namens de hertog met de Staten van Brabant onderhandelde. De kanseliers doorliepen vaak een gemengde loopbaan en waren ook ettelijke jaren raadslid. Middels benoemingsbrieven werden de kanseliers en de raadsleden officieel aangesteld. Zij ontvingen hun bezoldiging van de Algemene Ontvangerij van Brabant of de ontvanger van het kwartier van Brussel. Daarnaast waren er de buitengewone, niet-officieel aangestelde, onbezoldigde raadsleden. Een groep die tot nu toe in het onderzoek weinig aandacht wegdroeg zijn de secretarissen. Zij waren meestal met vier en ontvingen hun bezoldiging van de Algemene Ontvangerij van Brabant. Zij vervulden een vertrouwensfunctie en werden meermaals belast met een bijzondere opdracht of een vertrouwelijke missie. Een aantal onder hen heeft een klinkende naam, zoals Emond de Dynter (†1449), Adriaan van der Ee (†1464) en Maarten Steenberch (†1491).

Onder de Brabantse topfunctionarissen waren er verschillende met een briljante kerkelijke loopbaan. Filip de Goedes eerste Brabantse kanselier, Jan Bont (†1454), was een doctor in de beide rechten (Parijs), professor aan de Leuvense universiteit en deken van het Sint-Pieterskapittel aldaar. Deze oudgediende van Filips beide voorgangers en neven, Jan IV en Filips van Saint-Pol, bezat kanunniksprebenden in onder meer Antwerpen, Maastricht, Kamerijk, Nijvel, Luik en Lier. Als ongehuwde clericus zijn van hem twee dochters gekend en een zoon, Pauwel, die in 1470 gelegitimeerd werd en kanunnik van het Sint-Pieterskapittel van Anderlecht was. Raadslid Nicolaas Clopper (†1472), die in Keulen (1423), Heidelberg (1424-1429) en Leuven (1429) gestudeerd had, was kanunnik en cantor van Sint-Goedele (Brussel), Onze-Lieve-Vrouw (Antwerpen) en Saint-Paul (Luik). Een tijdlang cumuleerde hij ook prebenden in Sint-Andries (Keulen) en Sint-Rombout (Mechelen). Hij was titulair pastoor van Poederlee en Welcherderzande en nadien van Buvingen en Borlo. Hij had drie kinderen, onder wie Nicolaas jr. (†1478), windesheimer te Mariënhage bij Eindhoven en auteur van de wereldkroniek Florarium Temporum. In deze context is het interessant om aan te vullen dat beide dochters kloosterzuster werden: Margriet in Sint-Agnesdal in Tienen en de andere in het Brusselse regularissenklooster Onze Lieve Vrouw ter Rosen gheplant in Jericho. De in Leuven als canonist afgestudeerde Jan van Erpe (†1474) verruilde de functie van Leuvens stadssecretaris voor een aanstelling als raadsheer, raadsheer-rekwestmeester en ten slotte lid van de Raad van Brabant. Hij was kanunnik te Anderlecht en Kamerijk (Sainte-Croix) en proost van Sint-Geertrui te Nijvel, alwaar hij begraven werd. Raadslid Walter Gheylaert genaamd Loenys (†1489) werd als kanunnik van Sint-Goedele uiteraard in de eigen kapittelkerk begraven. Kamerijks wijbisschop Jan van Glimes (†1498) was ook raadslid en verzamelaar van prebenden, onder meer als deken te Hilvarenbeek (1472/1473-1479). Hij werd in de Brusselse Sint-Goedelekerk begraven. Jacob van der Horst (†ca. 1446), die in een document “raad in Brabant” wordt genoemd samen met andere leden van de Raadkamer, was deken van het Brusselse Sint-Goedelekapittel en hertogelijk gezant tijdens het Concilie van Bazel.

Verschillende secretarissen van de Raad van Brabant waren kanunnik van Sint-Goedele zoals Jean le Marchant (†1435, scholaster en ook kanunnik te Lier), Willem Bont (†1432, cantor en ook proost van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Geervliet) en uiteraard Maarten Steenberch (deken en ook proost van Sint-Rombout te Mechelen en Sint-Veerle te Gent (door De Win met ontbrekende l als Sint-Pharaï[l]de weergegeven) en Utrecht, deken te ’s-Hertogenbosch en Zierikzee en kanunnik te Brugge, Luik en Maastricht (Sint-Servaas)). Van deze laatste is de uitgebreide privébibliotheek goed bestudeerd (Van Hoorebeeck 2006 en 2014). Deze liet hem in 1475 toe om honderd boeken aan hertog Karel de Stoute te lenen.

Hertogelijk secretaris en kroniekschrijver Emond de Dynter, die begraven werd in de Brusselse kerk van Sint-Jacob op de Koudenberg, begon zijn loopbaan als clericus en werd zelfs prebendehouder in Mézières en Braux (De Win 2020). Nadat hij omstreeks 1440 weduwnaar geworden was, keerde hij terug naar de geestelijke stand en verkreeg hij van Filips de Goede een prebende in het Leuvense Sint-Pieterskapittel.

Heel wat kanseliers en leden van de Raad van Brabant kregen een laatste rustplaats in een voorname kerk, bij voorkeur de Brusselse Sint-Goedelekapittelkerk. De kanseliers Goswin van der Ryt (†1465), Jean l’Orfèvre (†1476), Willem Stradio (†1504) en Jan van der Vorst (†1509), de raadsleden Hendrik Magnus (†1480), Simon van Herbais (†1478), Arnold [II] van Pede (†1456), Arnold van der Beken (†1493), Jan van Coudenberghe (†1504), Lodewijk Roelants (†1504), Peter [II] van der Voort (†1515), Antoon t’Serarts gezegd Haekenshooft (†1533), Frans van Hulst (†1530) en Hendrik Estor (†ca. 1507), de charterbewaarder Adriaan van der Ee en de secretarissen Maarten steenberch, Gijsbrecht Molenpas (†1498), Jacob Hujoel (†1515), Pieter van Middelborch (†1540) en Philippe Haneton (†1522) werden begraven in de Brusselse Sint-Goedelekapittelkerk. Van kanselier Van der Vorst resten enkel nog afbeeldingen van zijn grafzerk, zijn glasraam en zijn memoriedrieluik, die eertijds alle de Sint-Goedele sierden, terwijl het door Bernard van Orley geschilderde Haneton-memoriedrieluik met een centrale bewening van Christus ter nagedachtenis aan secretaris Philippe Haneton zich nu in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van Brussel bevindt. De grafzerk van secretaris-audiëncier Lambrecht van der Ee is nog zichtbaar in de Sint-Romboutskerk te Mechelen. De Brabants-Vlaamse edelman Jan van Horn (†1436), die langs moederszijde van de Vlaamse graaf Lodewijk van Male afstamde, kreeg een laatste rustplaats in de Brugse Sint-Donaaskapittelkerk.

Voor andere leden van de Raad van Brabant werd de memorie in een kloosterkerk levendig gehouden. Occasioneel raadslid, maar toch vooral hertogelijk raadsheer Willem Brant, wiens overlijden in de literatuur steevast op 13 mei 1447 werd geplaatst, leefde volgens De Wins volledige geremodelleerde biografie tot 13 mei 1477. Hij was heer van La Queue te La Hulpe en van Lanenburg in Lasne, gedurende de jaren 1419-1420 onderschout van ’s-Hertogenbosch, één van de begunstigden van hertog Jan IV in diens testament en lid van Filips de Goedes gevolg bij de Vrede van Atrecht (1435). In 1450 ondernam hij met Jan metter Lippen, heer van Bergen op Zoom, een pelgrimstocht naar het Heilig Land. In 1455 schonk hij een glasraam met zijn eigen voorstelling, die van zijn ouders en grootouders, allen met hun wapenkwartieren, aan de Brusselse karmelieten “ter ghedenkenisse van synen ouderen daer hy af comen is”. Aldaar werden eveneens de verwante raadsleden Jan van Edingen-Kestergat (†1478), zijn achter-oomzegger Walter [V] van der Noot (†1499) en diens zoon Jeroom van der Noot (†1541) begraven. Ter gedachtenis van Jan van Edingen-Kestergat en zijn echtgenote, de Brusselse schependochter Maria de Mol (†1464), werd in 1639 een glasraam geplaatst, dat in 1695 vernietigd werd tijdens het bombardement van Brussel. Raadslid Walter [V] van der Noot (†1499) werd eveneens begraven bij de Brusselse karmelieten. Het votiefschilderij dat voor zijn nagedachtenis vervaardigd werd, hangt nu in de Sint-Servaaskerk van Wemmel in de Brusselse noordrand. Van zijn grafsteen en glasraam zijn enkel een tekening bewaard. Ter nagedachtenis aan zijn zoon, raadslid Jeroom en zijn kroost stond eertijds een prachtig retabel opgesteld in de Brusselse karmelietenkerk. Net als van vele andere grafzerken, glasramen en memorietafels is daarvan eveneens een tekening bewaard in de rijke handschriftencollectie van de Brusselse Koninklijke Bibliotheek. Kanselier Van der Ryt was afgebeeld op een eveneens niet bewaard gebleven glasraam in de Brusselse Sint-Goedelekerk.

De Antwerpse patriciër Nicolaas van de Werve “de Oude” (†1431) werd in de predikherenkerk in zijn thuisstad begraven, terwijl het nooit officieel benoemde, maar effectief zetelende raadslid Nicolaas [II] van Sint Goericx (†1478) bij hun Leuvense ordegenoten begraven werd. Bij de Brusselse dominicanen vond raadslid Koenraad van der Meeren (†1483) zijn laatste rustplaats, terwijl zijn collega Filips [II] Vilain dat in dezelfde stad bij de minderbroeders vond. Raadslid Karel de Groote (†1486) werd net als zijn moeder Maria Cotereau (†1506), weduwe van raadslid Jan de Groote en zuster van raadslid Robrecht Cotereau, begraven in het kartuizerklooster van Scheut te Anderlecht.

Een aantal raadsleden werd in de plaatselijke parochiekerk van hun heerlijkheid begraven, zoals Librecht [II] van Meldert (†1484) in de Sint-Ermelindiskerk in Meldert bij Hoegaarden en Hendrik [III] van Witthem (†1515), de enige Vliesridder die in de Raad van Brabant zetelde, in de Sint-Lambertuskerk te Beersel bij Brussel. Kanselier Jan van Houthem (†1504) vond een laatste rustplaats in de parochiekerk van Sint-Margriete-Houtem. Buitengewoon raadslid Gerard [I] van Gronselt (†1515) werd begraven in de Onze-Lieve-Vrouw-over-de-Dijlekerk te Mechelen. Van alle vier is het grafmonument nog bewaard. De grafsteen van raadslid Paul Ooghe (†1531) die in de Chapelle de Notre-Dame in Ittre begraven werd, is niet bewaard. Het prachtige votiefschilderij met de afbeelding van buitengewoon raadslid Filips [III] Hinckaert (†1505) met de Moeder Gods en de heilige Philippus, dat de kerk van Steenokkerzeel sierde, wordt thans in het Fitzwilliam Museum in Cambridge bewaard.

Deze bespreking richtte doelbewust de blik op de relaties van het personeel van de vijftiende-eeuwse Raad van Brabant met de religieuze instellingen. Ook voor dit thema blijkt de schier eindeloze rijkdom van het systematisch verwerkt en middels een uitgebreide inleiding goed geanalyseerd bronnenmateriaal in De kanseliers, raadsleden en secretarissen van de Raad van Brabant. Een meer institutioneel georiënteerde recensie verschijnt in Eigen Schoon en De Brabander.

Met zijn overzichtelijke prosopografie van de kanseliers, raadsleden en secretarissen van de Raad van Brabant ontsluit Paul De Win een groot segment van de Brabantse adel en ambtenarij. De illustraties van zegels en handtekeningen getuigen van zijn decennialange, geduldige, maar plan- en stelselmatig ontsloten opzoekingen die veel ruimer gaan dan alleen de hofordonnanties, de benoemingsbrieven en de rekeningen. De foto’s en tekeningen van (niet meer bewaarde) grafzerken, glasramen en memorietafels doen dromen van een overzichtelijke databank zoals de Nederlandse MeMo-databank (Medieval Memoria Online - https://memo.sites.uu.nl/nl/). Zulk een ontsluiting van het in het Zuiden nog veel rijkere memoria-patrimonium vergt natuurlijk meer mensen en middelen. Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (http://balat.kikirpa.be/intro.php) en het Rijksarchief (http://www.arch.be/) tonen alvast de weg van de digitalisering. In tweede orde komt het erop aan om dit materiaal toegankelijker te maken via meer gerichte overzichten en databanken (in het genre van Diplomata Belgica en Narrative Sources of kleinschaliger).