De Onze-Lieve-Vrouwekerk te Breda uitvoerig maar onoverzichtelijk beschreven

OLV-Kerk Breda

Arie de Groot - G.W.C. van Wezel e.a., De Onze-Lieve-Vrouwekerk en de grafkapel voor Oranje-Nassau te Breda. De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst. Geïllustreerde Beschrijving uitgegeven in opdracht van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (Zeist/Zwolle: Rijksdienst voor de Monumentenzorg/Waanders 2003). 484 p. € 49,95.

Weinig middeleeuwse kerken in Nederland hebben zoveel van hun voorreformatorische inrichting behouden als de Grote of Onze-Lieve-Vrouwekerk in Breda. Met name de rijkdom aan gotische en renaissance grafmonumenten die men er aantreft, is in Nederland onovertroffen. Deze monumenten zijn vooral te danken aan de Nassaus, die vanaf 1403 over Breda regeerden en de kerk tot hun mausoleum maakten. Wat er verder bewaard bleef - koorgestoelte, doopvont, hekwerken, altaarstukken, schilderingen - is misschien minder uniek maar wel van hoge kwaliteit, beantwoordend aan de status van een rijke stadsparochiekerk. Aan deze kerk was bovendien een kapittel van twaalf kanunniken verbonden, opgericht in 1303.

De Onze-Lieve-Vrouwekerk wordt tegenwoordig voornamelijk als ’cultureel historisch monument’ geafficheerd. Het gebouw, dat in 1581 kortstondig, in 1590 voorlopig (tot 1625) en in 1637 definitief in protestantse handen kwam en dat ook bleef na de Franse tijd, ondanks de katholieke meerderheid van de bevolking, wordt thans door een stichting beheerd en geëxploiteerd. Was in 1822 over de toewijzing anders beslist, dan zou de kerk nu ongetwijfeld de kathedraal van het bisdom Breda zijn geweest. In plaats daarvan is het kerkelijke gebruik nu gering. Er vinden vooral manifestaties en tentoonstellingen plaats en het gebouw heeft een museaal karakter gekregen. De authentieke ’religieuze’ sfeer die een kerk meestal oproept is goeddeels verdwenen. Niettemin is er zoveel moois te zien dat een bezoek voor elke lezer van Signum een aanrader is.

In 1912 werd de Onze-Lieve-Vrouwekerk beschreven door Jan Kalf in De monumenten in de voormalige Baronie van Breda, het eerste deel van de van overheidswege uitgegeven reeks geïllustreerde beschrijvingen ’De Nederlands(ch)e Monumenten van Geschiedenis en Kunst’. In dezelfde reeks, waarvan opzet en vormgeving intussen nogal eens zijn veranderd, verscheen in 2003 De Onze-Lieve-Vrouwekerk en de grafkapel voor Oranje-Nassau te Breda, onder hoofdauteurschap van Gerard van Wezel. Deze auteur publiceerde vier jaar eerder een deel over Het paleis van Hendrik III, graaf van Nassau te Breda. Samen vormen zijn boeken een $rsquo;tweeluik$rsquo;, zo meldt het Voorwoord van 2003.

Dat kerk en paleis nu voor de tweede maal in deze reeks zijn beschreven is opmerkelijk maar alleszins gerechtvaardigd. Want behalve dat de beschrijvingen van 1912 beknopt zijn - zo’n 65 pagina’s voor de kerk, nog geen 30 voor het kasteel - hebben beide gebouwen intussen ingrijpende restauraties ondergaan, de kerk recentelijk nog in 1995-1998, en zijn er door onderzoek veel nieuwe gegevens bekend geworden.

Een ander novum voor de reeks is dat het deel over de Onze-Lieve-Vrouwekerk het werk is van een groot aantal schrijvers, ieder specialist op zijn of haar gebied, waarbij hoofdauteur Gerard van Wezel van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg als redacteur optrad samen met de Nijmeegse hoogleraar kunstgeschiedenis Jos Koldeweij. Een studentenwerkgroep onder leiding van laatstgenoemde leverde eveneens bijdragen.

Negen inleidende hoofdstukken van even zoveel auteurs zijn gerangschikt volgens een driedeling in perioden: Middeleeuwen, Renaissance en Nieuwe tijd. Na de hoofdstukken binnen elk deel volgt een ’catalogus’ met beschrijvingen van de tot de betreffende periode behorende objecten, tezamen 128 catalogusnummers. Deze veelzijdige maar gecompliceerde opzet vormt zowel de kracht als de zwakte van het boek en maakt ook een overzichtelijke bespreking tot een lastige taak. Voor de helderheid zal ik, puttend uit de verschillende bijdragen, eerst een indruk geven van de inhoud -met beperking tot de voorreformatorische periode - en daarna een aantal kritische opmerkingen plaatsen.

Na een algemene, samenvattende inleiding van Van Wezel gaat Matthijs Burger in hoofdstuk I nader in op de bouwgeschiedenis. Over de in dertiende- en veertiende-eeuwse documenten vermelde voorgangers van de huidige kerk is niet veel bekend. Van de tegenwoordige kruisbasiliek in Brabantsgotische stijl vormt het koor het oudste deel. Het wordt op basis van dendrochronologisch onderzoek van de houten kappen gedateerd in de eerste helft van de vijftiende eeuw. Hoe men de overlevering dat graaf Engelbrecht I van Nassau het koor in 1410 liet bouwen precies moet opvatten is onzeker. De apsis van het hoogkoor zou - althans volgens Van Wezel in zijn inleiding (pag. 13), Burger is daar niet duidelijk over - nog uit de late veertiende eeuw kunnen stammen, wat mij plausibel voorkomt.

De bouwtijd van het transept sluit aan bij die van het koor. Van het schip met zijn zijbeuken en zijkapellen werd de oostelijke helft in de jaren zestig overkapt, het overige deel volgde pas nadat van 1468 tot 1509 de imposante westtoren was gebouwd. Namen van architecten zijn niet overgeleverd, maar de Onze-Lieve-Vrouwekerk vertoont zo’n sterke gelijkenis met het schip van de St.-Gommaruskerk te Lier, dat betrokkenheid van dezelfde bouwmeester, Jan II Keldermans (1375-1445), aannemelijk lijkt.

Aanvankelijk werd het hoogkoor aan elke zijde geflankeerd door een nevenkoor. Pas vanaf 1526 werd rond de apsis de huidige kooromgang aangelegd, die de nevenkoren met elkaar verbond en tot ’gewone’ koorzijbeuken degradeerde. Tevoren waren twee nieuwe nevenkoren naast de oude opgetrokken.

Die nevenkoren namen een belangrijke plaats in. De noordelijke, respectievelijk het oude en het nieuwe ’Herenkoor’ genaamd, werden in opdracht en op kosten van de heren van Breda gebouwd en ingericht als familiegrafkapel. Zij komen met name in de hoofdstukken (IV, VI) en catalogusbijdragen van Frits Scholten en Gerard van Wezel aan de orde. Ook in de veertiende eeuw lag ter plaatse van het latere oude Herenkoor al zo$rsquo;n kapel, zo blijkt uit de vermelding daarvan in het testament (1372) van Jan II van Polanen (+ 1379), toenmalig heer van Breda. Diens graftombe met de liggende beelden van hemzelf en van zijn beide echtgenotes is nog altijd te zien in de noordelijke koorbeuk. Jan III van Polanen (+ 1394) liet zich begraven op het hoogkoor voor het sacramentshuis. Zijn tombe werd omstreeks 1535 daarvandaan verplaatst naar de noordzijde van de nieuwe kooromgang.

Het opvallendste grafmonument in het oude Herenkoor - de noordelijke koorbeuk - is dat voor Engelbrecht I van Nassau (ca. 1370-1442), Johanna van Polanen (1392-1445), hun zoon Jan IV van Nassau (1410-1475) en diens echtgenote Maria van Loon (1424-1502). Dit indrukwekkende laatgotische praalgraf, het belangrijkste van deze aard in Nederland, werd tot voor kort in de jaren veertig van de vijftiende eeuw gedateerd, maar thans stellen Frits Scholten en Gerard van Wezel (in navolging van de Bossche archivaris Valentijn Paquay) de ontstaansdatum op omstreeks 1511. Het zou dan het begin zijn geweest van het ’ambitieus dynastiek-funerair programma voor de Nassaus’ (Van Wezel, pag. 17) dat graaf Hendrik III van Nassau (1483-1538) voor ogen stond en dat in de volgende decennia zou culmineren in de bouw en inrichting van de ’Prinsenkapel’. De nieuwe datering is echter niet onomstreden. Harry Tummers heeft er inmiddels al op gereageerd en een door hemzelf eerder voorgestelde - en mijns inziens plausibele - datering omstreeks 1480 verdedigd. Bovendien bestrijdt hij de zware kritiek van Scholten (pag. 163-166) op de in 1995 uitgevoerde restauratie van het monument. Waarmee meteen duidelijk is dat met dit boek zeker niet het definitieve woord over de Bredase kerk is gesproken.

In opdracht van Hendrik III ontstond het nieuwe Herenkoor, de ’Prinsenkapel’, nog gotisch van architectuur en gewijd in 1526, maar in renaissancestijl gedecoreerd en ingericht in de jaren dertig. Het ontwerp van de compleet bewaard gebleven gewelfbeschildering wordt door Van Wezel aan de Italiaanse schilder-architect Tommaso Vincidor da Bologna toegeschreven, die in deze jaren ook het oude kasteel herschiep tot een renaissance paleis van allure. Midden in de kapel liet Hendrik het uit marmer en albast gebeeldhouwde praalgraf oprichten voor Engelbrecht II (1451-1504) en Cimburga van Baden (1450-1501), zijn oom en tante van wie hij de Nassause bezittingen had geërfd. De oude kwestie wie de schepper van dit beroemde kunstwerk is geweest - in de achttiende eeuw dacht men zelfs aan Michelangelo - wordt ook hier niet opgelost, al houdt Scholten de beeldhouwer Jan Mone voor de beste kandidaat. Op het altaar, een van de weinige in Nederland die de reformatie hebben overleefd, staat sinds enkele jaren weer het drieluik met De vinding van het Ware Kruis van Jan van Scorel en zijn atelier. Dit stuk wordt door Liesbeth Helmus in hoofdstuk VII besproken. De nieuwe datering omstreeks 1535 die zij daarbij voorstelt wordt wel beargumenteerd maar niet erg consistent en heeft sindsdien ook al tot kritiek geleid. De bestaande en door de critici voorgestane datering - kort na 1540 - impliceert dat niet Hendrik III maar diens zoon René van Chalon (1518-1544) opdrachtgever was. Ook hier zal het laatste woord nog niet gesproken zijn.

De glans van het toenmalige Nassause hof weerspiegelt zich, behalve in de genoemde Herenkoren, ook in de grafzerken, tomben en epitafen voor hovelingen en verwanten of voor andere edelen en regeringspersonen. Men treft ze aan in de kooromgang maar ook in het schip, zoals het grote gebeeldhouwde wandepitaaf voor schout Dirk van Assendelft (+ 1553) en Adriana van Nassau (+ 1558) in een van de noordelijke zijkapellen (cat.nr. 64). Ondanks de huidige incomplete staat vormt dit een voor Nederland uitzonderlijk rijk specimen van een renaissance epitaaf, dat wordt toegeschreven aan de Antwerpenaar Cornelis Floris. In dezelfde kapel bevindt zich ook een laatgotische graftombe met een tot nog toe onbekende transi-figuur - de dode, weergegeven in staat van ontbinding - (cat.nr. 23), die in dit boek eindelijk wordt geïdentificeerd en wel als Jan bastaard van Nassau (1458-1505), buitenechtelijke zoon van graaf Jan IV en grootvader van bovengenoemde Adriana, die niet in aanmerking kwam voor een monument in het Herenkoor.

In de schaduw bij al deze monumenten blijven de grafzerken voor de aan de kerk verbonden kanunniken en kapelaans. Wel manifesteert de status van de eerste groep zich door een voornamere situering: bij voorkeur in het koor. De prachtig gegraveerde koperen grafplaat op de zerk van kapitteldeken Willem van Galen (+ 1539), recht voor de plaats van het vroegere hoogaltaar (cat.nr. 52), is een van de weinige bewaard gebleven voorbeelden van dit type in Nederland.

De opeenvolgende nevenkoren aan de zuidzijde, aangeduid als het oude en het nieuwe ’Pastoorskoor’, met oostelijk daarvan de sacristie, dienden voor de parochie en voor de verering van het Sacrament. In het westelijke vak van het nieuwe Pastoorskoor stond het Sacramentsretabel van Niervaart opgesteld, dat gedeeltelijk bewaard bleef en sinds kort samen met andere uit de kerk afkomstige voorwerpen permanent in de kapel wordt geëxposeerd, als dependance van het Breda’s Museum. De geschiedenis van dit retabel en de huidige reconstructie worden door Liesbeth Helmus in hoofdstuk VII en cat.nr. 39 uitgebreid behandeld. De verering betrof een omstreeks 1300 in het veen van Niervaart (Klundert) gevonden wonderhostie, die in 1449 van het door de Elisabethsvloed van 1421 moeilijk bereikbaar geworden dorp werd overgebracht naar Breda en sindsdien een aanzienlijke stroom pelgrims daarheen trok. De cultus werd bevorderd door een in 1463 opgerichte Sacramentsbroederschap, een jaarlijkse processie en - vermoedelijk vanaf 1500 - een mirakelspel. Op het retabel, dat omstreeks 1535 in opdracht van de broederschap werd geschilderd, is in acht taferelen met toelichtende verzen de historie van het sacrament weergegeven, vanaf de vondst in het veen tot en met de overbrenging naar Breda en de jaarlijkse processie.

Andere bewaard gebleven onderdelen van de kerkinrichting zijn minder specifiek met de geschiedenis van Breda verbonden. Michel Timmermans bespreekt in hoofdstuk II uitvoerig de bouwsculptuur in het interieur, in het bijzonder de sluitstenen van de gewelven. Paul le Blanc gaat in hoofdstuk III kort in op functie en betekenis van de muur- en gewelfschilderingen, die in het catalogusdeel stuk voor stuk nader aan de orde komen. Onder de - overigens sterk gerestaureerde - muurschilderingen treffen vooral een fraaie vijftiende-eeuwse Annunciatievoorstelling in het noordtransept, dat fungeerde als Mariakapel (cat.nr. 9), en een reusachtige St.-Christoffel uit ca. 1535 op de westwand van de zuiderzijbeuk (cat.nr. 41), die geen enkele kerkbezoeker kan ontgaan. De doopkapel pal daarnaast herbergt een monumentale koperen doopvont, in 1540 te Mechelen gegoten (cat.nr. 51), van het type waarvan veel Nederlandse stadskerken er voor de reformatie een hebben gehad maar waarvan de meeste nadien te gelde zijn gemaakt. In Breda liep een plan tot verkoop in 1602 echter op niets uit. Alleen de beeldjes waarmee de doopvont was gedecoreerd zijn verdwenen.

Minder zeldzaam is het rijk gesneden gotische koorgestoelte uit ca. 1460, dat onder cat.nr. 15 uitgebreid wordt beschreven. Het oksaal uit de vijftiende eeuw werd in 1581 door het tegenwoordige koorhek vervangen, maar de oude oksaaldeuren in het midden bleven daarbij gespaard (cat.nrs. 16A en 67).

Het bovenstaande zal duidelijk maken wat voor een schat aan voorreformatorische interieurstukken de Bredase Onze-Lieve-Vrouwekerk nog herbergt en hoezeer een dikke en rijk geïllustreerde monografie hierover op zijn plaats is. We mogen dus blij zijn met dit boek. Toch kan ik deze veelzijdige publicatie niet zonder meer geslaagd noemen.

Mijn grootste bezwaar betreft de gecompliceerde opzet. De indeling in drie perioden met bij elke periode inleidende hoofdstukken en een catalogus (nog een extra catalogus ’Nieuwste Tijd’ in het laatste deel) lijkt op het eerste gezicht helder, maar blijkt bij nadere beschouwing een ongelukkige keuze. Want van sommige auteurs beperkt het onderwerp zich niet tot één periode, zodat hun hoofdstukken moeilijk in de driedeling passen. Dat heeft tot vreemde incongruenties ten opzichte van de catalogi geleid.

Zo staat hoofdstuk IV van Frits Scholten over de graftomben en epitafen in het deel ’Renaissance’, maar vangt het aan met de drie gotische Polanen/Nassau-graven die al in de catalogus van het voorafgaande deel ’Middeleeuwen’ zijn beschreven. Tim Graas en Harry Tummers behandelen in hoofdstuk V, ook in het deel ’Renaissance’, de grafzerken vanaf 1411 tot en met de twintigste eeuw, die in de catalogi over de drie perioden zijn verspreid. Hoofdstuk IX van Jacques Maassen over de beiaard is opgenomen in het deel ’Nieuwe Tijd’, maar het bevat de hele klokkengeschiedenis vanaf de late middeleeuwen. De indeling in drie perioden is in deze hoofdstukken dus geheel genegeerd, en met recht, want de betreffende onderwerpen laten zich niet zomaar opknippen. Een indeling naar thema of objectcategorie, anders gezegd een meer functionele benadering van het kerkgebouw, zou beter zijn geweest.

Dat geldt in nog sterkere mate voor de catalogi. Deze zijn zo veel mogelijk chronologisch gerangschikt en daardoor erg onoverzichtelijk geworden, want categorieën als meubilair, schilderingen of grafzerken zijn over ver uiteen liggende catalogusentries verspreid geraakt. De chronologische volgorde is soms zo rigide doorgevoerd dat de beschrijving van bijvoorbeeld het orgel - dat elementen uit vijf eeuwen bevat - uit elkaar is getrokken en verdeeld over vijf verschillende entries: de renaissance rugwerkkas komt aan bod in nr. 47, de zeventiende-eeuwse beschildering van de luiken in nr. 92, beelden en andere decoraties uit de achttiende en negentiende eeuw in nr. 105 en nr. 114 en de nieuwe hoofdwerkkas (in historiserende stijl) in nr. 115. De fragmenten van de gebrandschilderde glazen in de Prinsenkapel zijn over drie entries verspreid: nr. 29 (ca. 1520), nr. 36 (1533) en nr. 68 (tweede helft zestiende eeuw).

Behalve onoverzichtelijk geplaatst zijn de catalogusentries ook ongelijksoortig van opzet. Zij lopen uiteen van summiere zakelijke beschrijvingen tot uitvoerige verhalen met brede kunsthistorische achtergronden, waarbij men zich afvraagt waarom die verhalen geen hoofdstukken zijn geworden. Waarom over de beiaard een hoofdstuk maar over het orgel vijf losse entries, die samen net zo lang zijn als dat hoofdstuk? Waarom een vijftien pagina$rsquo;s tellende entry (nr. 46) over de renaissance bouwsculptuur aan het exterieur van de kooromgang, wanneer aan de laatmiddeleeuwse bouwplastiek binnen de kerk een apart hoofdstuk is gewijd? In andere gevallen worden objecten zowel in hoofdstukken als in catalogusentries beschreven en met name in de teksten over de graftomben leidt dat tot forse verdubbelingen en soms tot woordelijke herhalingen van hele alinea$rsquo;s. Over de opening in het kruisingsgewelf, het ’Himmelloch’ waardoorheen op Hemelvaartsdag het Christusbeeld omhoog werd getrokken, bevat het boek eveneens twee overlappende verhalen, het ene in hoofdstuk II (pag. 52-55), waar het gezien het ontbreken van sculptuur eigenlijk niet thuishoort, het andere in cat.nr. 13 (pag. 107-110).

Het boek is kortom onoverzichtelijk van opbouw. Dat komt door de veelheid aan auteurs, waardoor een sterke centrale sturing zal zijn bemoeilijkt. Maar het komt ook door de meer op stijl dan op functie gerichte aanpak.

Bij zo’n verbrokkelde opzet vallen er zaken tussen wal en schip. Zo is er geen hoofdstuk over de restauraties van het gebouw sinds 1912. Alleen de restauraties en wijzigingen in het interieur worden behandeld, met name in het lezenswaardige hoofdstuk VIII van Tim Graas over de protestantse inrichting, en verder in sommige catalogusentries. Ook is de kerkelijk-historische kant sterk onderbelicht. Zo is er weinig of niets over de kerkelijke geschiedenis, het kapittel van 1303 en de verdere geestelijkheid, de kerkmeesters, etc. Een bestaand manuscript hierover van Paquay was helaas te groot om op te nemen, leest men in het Ten geleide, maar een korte uiteenzetting op dit gebied was toch wel wenselijk geweest. Nu wordt pas in de entry over het koorgestoelte (cat.nr. 15) een alinea aan het kapittel gewijd en waar de kanunniken verder nog terloops worden genoemd, zoals in hoofdstuk II op pag. 48 e.v., krijgen ze mijns inziens een te belangrijke rol in de kerkinrichting toegedicht.

De interpretatie van het historische bronnenmateriaal roept trouwens vaker vraagtekens op. Een voorbeeld. Blijkens een bepaling in het testament (1372) van Jan II van Polanen, stichtte deze een dagelijkse mis op het altaar ’in oratorio seu capella per nos ad chorum dicte ecclesie constructa et consecrata, in qua tumbas sepulture nostre et dilectarum dominarum dudum conthoralium nostrarum latomico opere construi fecimus’, waarbij ’latomico opere’ door Paquay is vertaald met ’in metselwerk’ (p. 446, noot 4). Hieruit concludeert Burger dat de grafkapel ’uit baksteen was opgetrokken’ (hoofdstuk I, pag. 26). Maar ’latomico opere’ heeft in de tekst en ook in Paquays vertaling betrekking op de graven en niet op de kapel zelf. Bovendien zou het, beter dan met ’in metselwerk’, vertaald kunnen worden met ’in steenhouwwerk’ - ’latomus’ betekent immers allereerst ’steenhouwer’ - zodat het niet om bakstenen maar om natuurstenen tumbas gaat, wat ook het meest voor de hand ligt. De interpretatie als baksteen werkt door in de bijdragen van Scholten, die spreekt over de kapel van Jan van Polanen ’waarin de graftombes van zijn twee overleden vrouwen in baksteen waren opgericht,’ en dan de conclusie trekt: ’Opmerkelijk is dat er van twee tombes sprake is, wat erop kan duiden dat we hier nog te maken hebben met twee voorlopers van het huidige monument’, dat hij daarom pas na Jans dood in 1379 dateert (hoofdstuk IV, pag. 172). Ook hier wordt mijns inziens iets anders in het testament gelezen dan er werkelijk staat.

Een zwak punt vormen de transcripties van de opschriften van de grafzerken, waarin meermaals letters of soms hele woorden verkeerd gelezen zijn en abbreviaties in Latijnse teksten vaak niet zijn aangegeven, noch opgelost. Dat leidt tot verbasteringen als - op de zerk van de kapelaan van de prins van Oranje - ’pr(ice) / Aracnatien (?)’ (cat.nr. 54), waar de bijgeplaatste foto toch onmiskenbaar ’pri(n)ce / va(n) Araengien’ laat lezen, of tot een onbegrijpelijke weergave als ’C’Q3’ in plaats van ’C[UIUS]Q[UE]’ (cat.nr. 52).

Ook op andere plaatsen springen onnauwkeurigheden in het oog. Zo worden twee tekeningen van de beide Polanen-graven in de teksten van Scholten gedateerd in ’het derde kwart van de zeventiende eeuw’ (of ’1650-1675’) (pag. 86, 89, 173-174), maar de bijschriften bij de betreffende afbeeldingen (142 en 143) geven ’ca. 1700’. Er zijn meer van dit soort inconsequenties te noemen. Storend is verder dat in de Bibliografie nogal wat titels ontbreken die in de noten alleen in verkorte vorm worden vermeld.

Zulke slordigheden mogen te wijten zijn aan tijdsdruk bij de auteurs, er is kennelijk ook te weinig tijd voor algehele supervisie geweest. De lezer moet nu zelf op zoek naar lijn en overzicht. Dat in de registers alleen persoons- en plaatsnamen zijn opgenomen en geen zaken maakt dat er niet gemakkelijker op. Er is ook geen plattegrond van de kerk waarop de in de verschillende bijdragen besproken ruimten en objecten met naam en toenaam zijn aangegeven - een onbegrijpelijke omissie. Er staat wel een grote plattegrond in hoofdstuk II maar die dient alleen ter situering van de gewelfsculptuur. Hoofdstuk V bevat vier plattegronden met de ligging van de grafzerken in verschillende perioden, maar de daarin aangegeven nummers zijn vrijwel onleesbaar en bovendien niet gekoppeld aan de in de catalogi beschreven exemplaren. Voorts ontbreken tekeningen als opstanden en doorsneden van het gebouw; daarvoor blijft men aangewezen op de beschrijving uit 1912.

Ondanks al deze kritiek moet het boek als de belangrijkste publicatie over de Onze-Lieve-Vrouwekerk tot nu toe worden beschouwd, het standaardwerk voor de eerstkomende tijd. De uitvoering voldoet zeker aan die kwalificatie: groot formaat, bijna vier centimeter dik en stevig gebonden, zwaar papier en naast de uitvoerige teksten overvloedig en fraai beeldmateriaal, waarvan een klein deel in kleur. Maar de inhoud had toch zoveel beter geordend en verzorgd kunnen zijn.