Abtenkroniek van Aduard

Abtenkroniek Aduard

Pieter-Jan de Grieck - Jaap van Moolenbroek en J.A. (Hans) Mol, m.m.v. Jakob Loer (red.), De abtenkroniek van Aduard. Studies, editie en vertaling. Middeleeuwse Studies en Bronnen 121 (Hilversum: Verloren, 2010) 373p. 32,00€ ISBN 978-90-8704-116-8

Op zich is de abtenkroniek van Aduard geen uitzonderlijke of unieke bron. Uit de vijftiende en zestiende eeuw zijn nog heel wat andere gesta abbatum van vergelijkbare aard bewaard: teksten waarin monastieke auteurs de geschiedenis van hun klooster optekenden volgens het stramien van opeenvolgende abbatiaten. Het feit dat Aduard – één van de grotere Europese cisterciënzerabdijen – vrijwel geen andere schriftelijke bronnen heeft nagelaten, verleent de tekst echter een bijzonder gewicht.

Het vlakbij Groningen gelegen Aduard bekleedde een vooraanstaande plaats in middeleeuws Friesland. Met een domeinoppervlakte van meer dan 5.800 hectare (onvruchtbare veengronden niet meegerekend) en in de dertiende eeuw een kloosterbevolking van zo’n honderd monniken en tweehonderd lekenbroeders, was het veruit de grootste abdij van Friesland en zelfs van Nederland – groter dan de benedictijnenabdij van Egmond of het augustijnenklooster van Rolduc. (Aan het Vlaamse Ten Duinen kon het niet tippen: dat bezat meer dan 10.000 ha gronden en, omstreeks 1300, ongeveer 180 monniken en 350 conversen. Nog ter vergelijking: het Brabantse Villers telde in de dertiende eeuw honderd monniken en driehonderd conversen, en bezat net als Ten Duinen ongeveer 10.000 hectaren grond.)

Het hier besproken boek biedt achterin (p. 258-329) een nieuwe wetenschappelijke editie en vertaling van de laat-vijftiende- en zestiende-eeuwse abtenkroniek van Aduard. De editie is van de hand van Hildo van Engen, tevens de auteur van een overzicht van de beschikbare handschriften en drukken (p. 229-237). Voor de vertaling tekent Jaap van Moolenbroek, die ook de ontstaansgeschiedenis en bronnen van de tekst belicht (p. 239-253). De kroniek vormt de basis voor een reeks van zeven studies die dieper ingaan op de geschiedenis van de abdij, haar architecturale voorkomen en haar inplanting in het geologische, economische, politieke en religieuze landschap van de late twaalfde tot de late zestiende eeuw.

In de eerste van die reeks studies, ‘De abtenkroniek van Aduard: geleerdheid en devotie in een overgangstijd’ (p. 21-52), combineert Jaap van Moolenbroek een ‘oorsprongskritiek’ van de Aduarder abtenkroniek (Welke auteurs kunnen onderscheiden worden? Wanneer waren ze werkzaam?) met een inhoudsoverzicht van de tekst en een uitweiding over de geleerdencultuur in Aduard. De studie overlapt hier en daar met de reeds genoemde bijdrage ‘Ontstaansgeschiedenis en bronnen’ van dezelfde auteur.

Renée Nip en de intussen overleden Folkert Bakker geven een overzicht van de geschiedenis van de abdij, gekaderd in de bredere geschiedenis van de cisterciënzerorde (p. 53-80). Aan bod komen het verschijnen van de cisterciënzers in Friesland, de stichting van Aduard in 1192 als dochterklooster van Klaarkamp, de plaats van de abdij binnen de orde-organisatie met haar generale kapittels en visitaties, de verwoestende doortocht van de pest in 1350 (de kroniek meldt de dood van de abt, de prior, en maar liefst 44 monniken en 120 lekenbroeders), de oorlogsomstandigheden in de late middeleeuwen, de invloed van de hervormingsbeweging van de vijftiende eeuw, en de perikelen tijdens de laatste eeuw van Aduards bestaan.

Op basis van de schaarse gegevens in de abtenkroniek gaat Charles Caspers na welke heiligen er in de abdij werden vereerd (‘Heilig Aduard. De Sint-Bernardusabdij als godsdienstig centrum en cultusoord’, p. 81-106). Hij merkt op dat er voor de veronderstelde rol van Aduard als bedevaartsoord voor Maria geen bewijzen zijn. Bijzondere aandacht besteedt hij aan twee lokale heiligen: de uit Engeland afkomstige geleerde Aduarder monnik Richard (†1266), wiens leven door een medebroeder werd opgetekend, en de Italiaanse oud-bisschop Emanuel van Cremona (†1298) die de laatste jaren van zijn leven in Aduard doorbracht en er ook begraven werd.

In ‘De abtenkroniek en de bouw van de Sint-Bernardusabdij’ (p. 107-142) laat Jakob Loer mooi zien dat bij de inplanting van een klooster zelden de verafgelegen en onherbergzame plaatsen werden opgezocht die volgens de cisterciënzerteksten verkieslijk waren: in de eerste plaats hield men rekening met de nabijheid van verbindingswegen, lokale markten, geschikte landbouwgronden, grondstoffen en water. Afbeeldingen van de abdij zijn helaas niet bewaard. Op basis van de abtenkroniek, maar ook van een beschrijving door Ubbo Emmius uit ca. 1590 en van het verslag van een gedeeltelijke opgraving in de jaren 1939-1941, reconstrueert Loer in de mate van het mogelijke de architecturale constellatie van de abdij. Hij toont aan dat de huidige protestantse kerk van Aduard niet het infirmarium voor de conversen was, zoals vaak wordt gedacht, maar de grote ziekenzaal voor de monniken. Dit infirmarium, uit 1297, is één van de best bewaard gebleven middeleeuwse kloostergebouwen in Nederland.

Na een vrij specialistische studie van Hans Mol en Jan Delvigne over de belangrijke rol van de abdij van Aduard in de waterhuishouding in de streek (p. 153-172), volgt van de eerstgenoemde auteur een interessante bijdrage over ‘Bezitsverwerving en goederenbeheer van de abdij van Aduard’ (p. 173-202). Ondanks de schaarste aan bronnenmateriaal kan het kloosterbezit vrij nauwkeurig gereconstrueerd worden. Aduard bezat twaalf uithoven en één stadshof, de Munnekeholm in Groningen, dat belangrijke economische functies vervulde als stapelplaats en aan- en verkooppunt voor abdijgoederen. Stadshoven waren overigens helemaal geen uitzonderlijk fenomeen bij de cisterciënzers – hoe moeilijk ze ook te rijmen lijken met de oorspronkelijke cisterciënzer ideologie. Aduard bezat ook eigen schepen en nam actief deel aan het handels- en scheepvaartverkeer op Noord-Duitse havensteden als Hamburg. Met dit opstel krijgt de lezer een helder en goed gekaderd chronologisch overzicht van de economische geschiedenis van de abdij.

Over ‘de plaats van de abdij van Aduard in het politieke krachtenveld’ (Oebele Vries, p. 203-225) levert de abtenkroniek weinig informatie. Vries baseert zich dan ook hoofdzakelijk op archiefmateriaal. De geschiedenis van Aduard speelt zich voor ruim driekwart af in het tijdperk van de ‘Friese vrijheid’; pas met de interventie van de Saksische hertog Albrecht (1498) kreeg Aduard met landsheerlijk gezag te maken. De abt van Aduard genoot al in de dertiende eeuw een groot moreel prestige en oefende politieke en juridische invloed uit. Dat Aduard niet enkel op economisch vlak nauw op de omgeving betrokken was, blijkt ook uit het feit dat een legertje van Aduarder lekenbroeders mee strijd leverde tegen externe belagers van de Friese vrijheid. Het einde van de vijftiende en zowat de hele zestiende eeuw brachten zware problemen voor de abdij. De kloostergebouwen werden meermaals bezet en fungeerden als militaire basis. In 1580 staken Staatse troepen de abdij in brand; vijftien jaar later werd de abdij formeel opgeheven.

Is met dit boek alles gezegd wat er op basis van het beperkte bronnenmateriaal over Aduard te zeggen valt? Nee, en daar zijn de auteurs zich van bewust. Een geplande studie over de boeken en handschriften uit de abdij is er door het overlijden van auteur Jos Hermans niet gekomen – een lacune die in de inleiding terecht wordt betreurd. Ook het andere ‘roerende erfgoed’ van de abdij blijft grotendeels buiten beschouwing. Verspreid doorheen het boek treffen we nochtans foto’s en terloopse vermeldingen aan van o.a. een Christustorso, een Mariabeeld, een in 1994 op het kloosterterrein aangetroffen ‘bakstenen afbeelding van een cherubijn’ (p. 123, zonder foto), een misschel en een Mariadoekje, alle afkomstig uit Aduard. Een inventarisatie en studie van deze materiële relicten zou een mooi vervolg vormen op het hier gepresenteerde boek.

De abtenkroniek van Aduard zet een lovenswaardige traditie verder – zie ook de Vitae abbatum Orti Sancte Marie, vijf abtenlevens van het klooster Mariëngaarde in Friesland (2001) – die de schaarse narratieve bronnen van het (Noord-)Nederlandse kloosterleven via moderne edities met parallelle vertaling toegankelijk maakt voor wetenschappers en geïnteresseerden, en ze tegelijk door middel van begeleidende studies van hoog niveau in een breder perspectief plaatst. Een traditie die ook meer naar het zuiden navolging verdient.