Complexe geschiedenis van refuge en huis van Averbode in Diest

Janick Appelmans – Roger Convens, De Refuge en het Huis van Averbode in het Sculenbroeck te Diest (Diest: Vrienden van het stedelijk Museum & Archief Diest, 2022) 216p. geen ISBN € 25,00

In het vierentwintigste deel van de Diestsche Cronycke brengt Roger Convens een uitvoerig dossier met de eigendoms-, bewonings- en bouwgeschiedenis van het Diestse stadshof van Averbode. Cruciaal is zijn bevinding dat het stadshof van Averbode altijd uit twee verschillende panden heeft bestaan: het historische refuge en het zogenaamde huis van Averbode. Beide werden steeds afzonderlijk uitgebaat en verhuurd.

Het eigenlijke stadshof van Averbode is het minder opvallende bouwwerk van beide huizen. Het bevindt zich aan de rechterzijde van de poort. In 1295-1296 deden Jan Alcoy en zijn echtgenote Geertrui drie schenkingen van renten en een huis op de plaats van het latere stadshof aan Averbode. Geertruis verwant, Adam van Loe, was in het klooster ingetreden en Jan Alcoy werd een vertrouwensman van de norbertijnen. In 1427 werd een aanvang genomen met de bouw van een stadshof dat de klassieke functies van een refuge ging vervullen: als opslag- en overslagplaats van vooral landbouwgoederen die vervolgens naar de markt gebracht werden, als toevluchtsoord in tijden van oorlog, als administratief steunpunt voor politiek overleg en als verblijfsplaats voor prelaten. In 1479 stelde de abt Wouter ’s Haze aan als eerst gekende waard van het stadshof. In 1486, 1488, 1505 en voor een lange tijd vanaf 1584 deed de refuge dienst als schuiloord voor het convent dat omwille van krijgsgeweld de abdij ontvluchtte.

Tijdens het abbatiaat van Gerard van der Schaeft (1501-1532) kwamen in verschillende bouwcampagnes een kapel, een zaal en vertrekken tot stand: in 1505 was het dak voltooid; het volgende jaar was de grote noordvleugel afgewerkt en werd de belendende kapel ingewijd; de aan de oostzijde in 1882 deels afgebroken zuidvleugel werd in 1510 opgetrokken en in 1519 afgewerkt met schaliën; in 1514 werd voor de kapel een retabel aangeschaft bij Jacob van Cothem in Antwerpen. Dit altaarstuk, sinds 2015 erkend als Vlaams topstuk, maakt deel uit van de collectie van het MAS. In de jaren 1523, 1527 en 1528 volgden de aankoop van huizen, een grondruil en een toelating voor de bouw van een poortje in de kerkhofmuur van de minderbroeders om binnendoor naar hun kerk te gaan om de liturgische vieringen bij te wonen.

Het zogenaamde huis van Averbode met zijn twintigste-eeuwse achthoekig torentje kwam pas in 1625/1626 in abdijbezit. Dat huis, dat gelegen is aan de Katelijnebrug, deed voordien dienst als stadswoning van de Duitse orde, die een commanderij in Bekkevoort had. Zij kochten het in 1576 van de familie van Renesse die minstens vanaf 1477 het pand ten westen van het refuge van Averbode bezat. Wat de ligging en de volledige herbouw in de jaren 1916-1918 van dit huis betreft brengt Convens heel wat nieuwe gegevens aan die nog onbekend waren aan recente studies, zoals deze van Michel Van der Eycken over de commanderij van Bekkevoort uit 2009.

In zijn boek bezorgt Convens heel wat transcripties en paginavullende afbeeldingen van de belangrijkste documenten. Bij de transcripties willen we onze voorstellen voor enkele overblijvende enigma’s suggereren: op p. 74, regels 3 (afbeelding) dient “Staeft” (p. 75, regels 3 (transcriptie) en 12 (vertaling)) als “Scaeft” gelezen worden; op p. 81, regel 14 (afbeelding) staat “uuttermende” (p. 83, regel 9, transcriptie) voor “vuytcommende”.

Met nieuwe eigenaars sinds 2012 en 2013 gaan beide panden hun toekomst tegemoet. Het door Roger Convens samengestelde dossier effent het pad voor verder onderzoek.