De houten eeuw van Amsterdam
Patrick Vlegels - Gabri van Tussenbroek, De houten eeuw van Amsterdam. Bouwen, werken en wonen in de middeleeuwse stad 1275-1578 (Amsterdam: Prometheus, 2023) 608p. ill. ISBN: 978-90-4465-238-3 €60,-
Het is een duidelijk gegeven: rond 1578, in Amsterdam het jaar van de Alteratie (= de overgang naar het protestantisme), is het aantal nonnen in de Amsterdamse vrouwenkloosters afgenomen naar 311 ten opzichte van 964 nonnen in het jaar 1494. De oorzaken voor deze terugloop in het aantal kloosterbewoners zijn meerledig: de kloosters kregen te maken met financiële problemen en er was een toenemende druk van de markt op de plekken waar huizen gebouwd en verhuurd konden worden. Ook de doorstroming van verkeer in de stad was rond 1500 aanleiding voor het stadsbestuur om een aantal kloosterterreinen te verkleinen. De tabel geeft een overzicht van in totaal zeventien kloosters (van het Sint-Catharinaklooster ontbreekt de informatie). Het Begijnhof (feitelijk geen echt klooster) heeft als enige in de zestiende eeuw behoud en zelfs uitbreiding van het grondbezit gerealiseerd. Dat had alles te maken met het particulier eigendom van dit gebied en de opstallen.
De tabel met de bijbehorende analyse is een illustratief voorbeeld van de werkwijze van Gabri van Tussenbroek bij het reconstrueren van de ontwikkelingen in de middeleeuwse stad Amsterdam. Zijn boek De houten eeuw van Amsterdam beslaat de periode van de eerste bewoners tot het eind van de zestiende eeuw. Hij geeft een boeiend overzicht van het ontstaan van de nederzetting tussen het IJ en de Amstel in de elfde eeuw, waarin het leven met het water en de rol van het ingrijpen van de mens in de beheersing daarvan leidden tot een stelselmatige groei van zowel het aantal inwoners als de handel. De rol van het stadsbestuur komt tot uiting in de maatregelen die worden doorgevoerd voor de bescherming van de inwoners. Zoals bijvoorbeeld het verbannen van brandgevaarlijke ambachten naar een ander stadsdeel en het regelen van voorzieningen als bruggen, steigers of de waag. Maatregelen die boven het individuele belang van de bewoners gaan en dienen om algemene problemen in de stedelijke omgeving beheersbaar te houden. Die kenmerkende voorzieningen komen alle aan bod in de reconstructie van de verschillende gebouwen en bijbehorende infrastructuur. Het middeleeuwse stratenpatroon van Amsterdam-centrum is behoorlijk intact gebleven. De straten, stegen en kades zijn voornamelijk in de zestiende eeuw aangelegd.
Het Houten Huys
Op het Begijnhof bevindt zich nu een bekend houten huis in de stad, gedateerd ca. 1530. Misschien niet het oudste, dat is vooralsnog geïdentificeerd op Warmoesstraat 90 – opgetrokken rond 1485. Maar wel het meest bezochte middeleeuwse woonhuis gelet op de bezoekersstromen naar deze populaire toeristische plek. Van Tussenbroek neemt ons als lezers in zijn boek mee achter de zichtbare gevels. Hij laat veel meer sporen van die oorspronkelijke huizen zien, door te wijzen op bouwconstructies en dat te combineren met informatie van archeologisch, archief- en bouwhistorisch onderzoek. Naast het middeleeuwse stratenpatroon, stenen gebouwen zoals de Oude en de Nieuwe Kerk, houten skeletten aan de binnenkant van huizen en enkele houten buitengevels zijn er tegenwoordig weinig direct zichtbare sporen van de vroege stad. De eeuwen van houtbouw en eerste inrichting zijn door de auteur nauwgezet geduid. Dat doet hij door het boek in drie delen te verdelen.
Als eerste besteedt Van Tussenbroek ruim aandacht aan het ontstaan van de vroege stad en het bestuur. De opeenvolgende hoofdstukken behandelen de stedelijke transformatie, de infrastructuur en functies binnen de stad, de verdediging ervan en het realiseren van kerken, instellingen als bijvoorbeeld scholen en andere voorzieningen. Tot slot komen de verschillende kloosters aan bod.
In het tweede deel volgen uitvoerige hoofdstukken over het bouwen in de stad. Wet- en regelgeving wordt uitgelegd, maar ook hoe het bouwbedrijf was georganiseerd en waar de bouwmaterialen zoal vandaan kwamen. In het laatste deel gaat de auteur specifiek in op de huizen in (laat-)middeleeuws Amsterdam. Het typeert de auteur dat hij m.n. in het laatste deel naast de bouwkundige situatie vooral het gebruik ervan centraal stelt. Wat waren de functies binnen de huizen, naast het wonen? Tegen welke kosten liepen de gebruikers aan? Welke onderverdeling was er van de ruimten, naar gebruik en functie? Als besluit van het boek maakt Van Tussenbroek een vergelijking van de houtskeletbouw in Amsterdam en andere Hollandse steden.
De houtsnedekaart van houtsnijder, schilder en cartograaf Cornelis Anthonisz (1507-1557) uit 1544 voert als een rode draad door het boek. Eerder vervaardigde hij in opdracht van het stadsbestuur het beroemde schilderij ‘Gezicht op Amsterdam in vogelvlucht’ (1538). Het schilderij is aan de binnenzijde van het boekomslag in volle glorie te bewonderen. Op de houtsnedekaart heeft deze kunstenaar de vroege stad Amsterdam vervolgens nader uitgewerkt. Van Tussenbroek maakt er veelvuldig gebruik van om zijn betoog van voorbeelden te voorzien. De detailopnamen van bruggen, publieke gebouwen, kloosters, stadspoorten en natuurlijk van woonhuizen laten de diverse bebouwing goed zien. Ook zijn er verwijzingen naar de handel en nijverheid. Fraai zijn de scheepskranen en windassen die op de kades te onderscheiden zijn. Hiermee werden goederen uit de boten gehesen, zoals scheepsmasten en molenstenen, maar ook kanonnen. De tekeningen ondersteunen de tekst, waar je gelijk ziet over welk gebouw of gebied er geschreven wordt.
Het geloofsleven
De middeleeuwse Amsterdammer kon voor het veiligstellen van zijn zielenheil in het hiernamaals terecht bij tientallen geestelijke instellingen. Het Mirakel van Amsterdam (1345) leidde tot een stroom van pelgrims die vanaf 1360 aan de jaarlijkse processie konden deelnemen. Met twee parochiekerken, vijf mannenkloosters en zestien vrouwenkloosters bepaalde het katholieke geloof een groot deel van het religieuze leven én was ongeveer eenvijfde deel van het stedelijk gebied in gebruik hiervoor. Een relatief groot deel, dat bij de toename van de bevolking spanningen teweegbracht tussen de beschikbare ruimte en de behoefte aan met name nieuwe woningen.
De bouwgeschiedenis van de Oude Kerk en de Nieuwe Kerk, de kapellen en de verschillende kloosters -die tussen 1385 en 1435 letterlijk als paddenstoelen uit de grond schoten – komen uitgebreid aan bod. In de begintijd was ruimte geen enkel probleem, waar sommige kloosters ook buiten de toenmalige stadsgrens werden opgericht. Vooral particulieren stichtten kloosters op het terrein van bijvoorbeeld het Oude Nonnenklooster of van het Regulierenklooster. Een bekende priester was Gijsbert Dou, leerling en biechtvader van Geert Grote, de grondlegger van de Moderne Devotie. Dou ondersteunde de stichting van enkele mannenkloosters en een groot aantal vrouwenkloosters. De banden tussen de families in Amsterdam en de geestelijke instellingen kwamen tot uiting in het doen van schenkingen, in de vorm van glas-in-loodramen of altaren, maar ook donaties in geld of grondbezit. De geldschieters zorgden met de schenkingen ook indirect voor hun eigen zielenheil en in ruil voor de ruimhartige begunstiging wilden ze in het klooster worden begraven. Het kwam daarnaast vaak voor dat jongere zusters binnen het gezin intraden in een klooster, waardoor ook zij gegarandeerd een goed onderkomen kregen.
Bouwhistorie
Voor het overzicht van het particuliere en stedelijke bouwbedrijf in Amsterdam stuit Van Tussenbroek op een gebrek aan bronnen voor de veertiende en vijftiende eeuw. Wel zijn er aanwijzingen dat er net als in andere steden een centrale aansturing door een stadsmeester was van de verschillende timmermannen, smeden en andere vaklieden die voor het bouwen werden ingeschakeld. De stedelijke gebouwen vielen onder de verantwoordelijkheid van de burgemeesters en zij stelden hiervoor een fabrieksmeester aan. Deze bestuurders van de bouworganisatie komen vanaf de zestiende eeuw voor in de archieven en we leren dan ook de namen kennen van de technisch adviseurs, de stadstimmermannen en -metselaars. De ‘bouwhausse’ vanaf 1530 leidde tot meer aanstellingen in vaste dienst, zoals stratenmakers, -leidekkers en -slotenmakers. De laatsten mochten alleen in opdracht van de fabrieksmeester sleutels vervaardigen.
Een prominente plek ruimt de auteur in voor een portret van de ‘beeltsnyder’ Joost Jansz Bilhamer (1521-1590). Deze beeldhouwer, landmeter, architect en steenhandelaar was een vernieuwer op het gebied van architectuur, beeldhouwkunst en cartografie. Een bekend werk van Bilhamer is de poort naar het tot Burgerweeshuis verbouwde voormalige Sint-Luciënklooster aan de Kalverstraat dat hij in opdracht vervaardigde in 1581. Het siert nu een van de entrees van het Amsterdam Museum.
Net als veel andere steden werd Amsterdam een aantal keren getroffen door grote branden, zoals in 1421. Het beleid was gericht op brandpreventie, waarbij speciaal aangestelde brandmeesters en waakmeesters ieder over een eigen toegewezen deel van de stad waakten. In 1452 werd door het stadsbestuur de regelgeving in een nieuwe keur aangescherpt, waarbij zij probeerde het gebruik van alleen steen te stimuleren. De aanleiding was opnieuw een grote stadsbrand, de laatste, waarbij driekwart van Amsterdam werd verwoest. Het verbod op houtbouw bleek in de praktijk lastig te handhaven, want in de volgende decennia zien we dat de inwoners de steeds opnieuw herhaalde regels aan hun laars lappen. Pas met een keizerlijke verordening van Karel V in 1521 waarbij afgekeurde huizen gesloopt moesten worden komt er daadwerkelijk een ingrijpende verandering. De fabrieksmeester geeft voortaan bouwvergunningen af en vanaf 1531 is de bouwverordening van kracht, waarin ook brandpreventie is opgenomen. Voortaan zijn de huizen van steen en voorzien van harde daken.
Het technisch gehalte van het boek is op een aantal onderdelen heel specifiek te noemen, waardoor de lezer veel details krijgt voorgeschoteld over onder meer de verschillende soorten steen die in de stad werden gebruikt. Baksteen moest door het ontbreken van klei in de Amsterdamse bodem worden geïmporteerd. Naast de verschillende baksteenformaten die voorkwamen leren we zo over Leidse, Goudse en Vechtstenen. Vervolgens worden bouwmaterialen zoals daktegels en -pannen, plavuizen en wandtegels, natuursteen, leien, cement en metalen onder de loep genomen. De uitleg hierbij is in begrijpelijke taal; de lezer wordt meegenomen en het voorgeschotelde onderzoek is interessant. Door een combinatie van illustraties en oud beeldmateriaal krijgt die uitleg bovendien een visuele lading, wat de leesbaarheid bevordert. Het maakt het eenvoudiger om het verhaal in deze hoofdstukken te volgen.
In het laatste deel komen de huizen aan bod van de individuele Amsterdammers. Aan de hand van archeologisch onderzoeksmateriaal komen de functies aan de orde. De opsomming hiervan is een lijst met gebouwen voor de opslag van goederen, stallen, schuren, hooibergen, varkenskotten, loodsen en ook andere gebouwen. Het primaire doel van woonhuis wordt vaak gecombineerd met een economische; er wordt geslapen en gegeten, maar zeker ook geproduceerd en gehandeld. Tot een eenduidige karakterisering van het Amsterdamse woonhuis komt het niet, door een gebrek aan geschreven bronnen. Bij het onderwerp fundering komt de kennis van de auteur als bouwhistoricus naar voren. De verschillende constructies van zowel fundament als opbouw van de huizen worden toegelicht aan de hand van een aantal adressen in de stad. De datering van (onderdelen van) de houtskeletten is dankzij dendrochronologisch onderzoek behoorlijk precies bepaald. Hetzelfde geldt voor de aangetroffen telmerken in houten kappen, balken of vloeren. Het systeem maakt duidelijk dat het voorwerk bij het bouwen op de timmerwerf gebeurde, waarna de onderdelen op de bouwplaats eenvoudig konden worden samengevoegd.
Tot slot wordt de indeling, afwerking en gebruik van de huizen behandeld. Als bron worden hier ook boedelinventarissen benut, van de welgestelden. Waardoor informatie over wat er zoal in de ruimten aanwezig was is geanalyseerd. Ook beschrijft Van Tussenbroek het gebruik van vuur en water, met voorbeelden van de stookplaats en het privaat. Zo geeft hij letterlijk een kijkje in de keuken van de individuele bewoners, en zijn de vondsten van houtsnijwerk en schilderingen samen met genoemde inventarissen kenmerkend voor een rijke wooncultuur in de zestiende eeuw.
Besluit
Als student middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam was ik in 1994 één van de vele toeschouwers bij de opgravingen aan de Nieuwezijds Kolk, waar de muren van het vermeende kasteel van de heren van Amstel waren blootgelegd. Het was groot nieuws, de opgravingen in de binnenstad leverden immers niet vaak dergelijke spectaculaire vondsten op. De discussie onder onze universitair docenten, stadsarcheoloog en andere deskundigen werd volop in de media gevoerd. Dertig jaar later is de conclusie dat er eerder een versterking dan een volwaardig kasteel heeft gestaan, in opdracht van graaf Floris V opgericht bij de monding van het IJ. Het rechthoekig bouwwerk van 23 x 28 meter had bakstenen muren die in dikte afliepen van 1,85 meter aan de basis tot ongeveer een meter. Het restant is nu te zien in de parkeergarage ter plekke.
Hoogleraar Gabri van Tussenbroek schetst een veelzijdig beeld van onze hoofdstad. Hij duikt in de eeuwenoude zichtbare en onzichtbare lagen van de stad, van de gebouwde geschiedenis tot de bewoningsgeschiedenis. ‘Amsterdam is gebouwd op houten palen’ en ‘Amsterdam, het Venetië van het Noorden’. Deze citaten behoren tot ons collectieve geheugen. Ze komen beide natuurlijk aan bod en worden voorzien van de historische context en een kritische noot.
Met de komst van de metrolijnen in Amsterdam, de Noord-Zuidlijn als laatste loot aan de stam, werd er veelvuldig archeologisch onderzoek verricht. De komst van nieuwe technieken en het interdisciplinair gebruik van de beschikbare (archief)bronnen maken het samen met ander ‘bewijsmateriaal’ mogelijk het verhaal van middeleeuws Amsterdam steeds nauwkeuriger te vertellen. Zo ook in voorliggend boek, waarvan de fundamenten al aan het begin van de eenentwintigste eeuw werden bepaald en wat de neerslag is van bijna twintig jaar eigen onderzoek. Het eerdere werk van voorgangers en oud-collega’s wordt in samenhang gepresenteerd. Van Tussenbroek was jarenlang werkzaam bij bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam en schreef met De houten eeuw van Amsterdam zijn magnum opus. Een zeer lezenswaardig boek, rijkelijk voorzien van illustraties en met goede uitleg bij de vaak technisch ingewikkelde reconstructies. De titel is een knipoog, waar de houten gebouwen in de loop van de zestiende eeuw vrijwel alle vervangen werden door stenen exemplaren.
Dit kloeke boekwerk over de hoofdstad in de periode vóór de explosieve groei en rol in de wereldhandel vanaf de zeventiende eeuw is een standaardwerk met aandacht voor bestuur, bewoners, bebouwing en ook het dagelijks functioneren van de middeleeuwse stad.
Mei 2025
Naschrift
Middeleeuws Amsterdam
Voor het 750-jarig bestaan van onze hoofdstad dook Gabri van Tussenbroek samen met (stads)archeoloog Ranjith Jayasena in het jaar 1275. Zij reconstrueerden een dag aan de Amstel in dat jaar, onder de titel Amsterdam, het water en de mensen (2024).
Middeleeuws Amsterdam is voor velen relatief onbekend terrein. In de televisieserie Het verhaal van Amsterdam is de eerste aflevering geheel aan deze periode gewijd. Ook viert de hoofdstad een groots jubileumjaar in het kader van het 750-jarig bestaan. Een jaar vol festiviteiten, van grootschalige evenementen als SAIL tot diverse buurtactiviteiten. Met ook een tentoonstelling over De geboorte van de stad bij het Stadsarchief Amsterdam 2025), waar de samenstellers een mix van archeologische vondsten en archiefdocumenten uit de middeleeuwen tonen. Speciaal is daar de gezichtsreconstructie te zien van de oudste Amsterdammer, die is gevonden in een zogenaamd boomstamgraf onder de Oude Kerk. In de bijbehorende catalogus is een aantal recente onderzoeken opgenomen.
Dankzij de inspanningen van onder meer de Stichting Middeleeuwse Archieven Amsterdam en het Stadsarchief Amsterdam worden de oudste archieven van Amsterdam meer en meer toegankelijk gemaakt. Zo is er een succesvol project rond de Gasthuisarchieven die geconserveerd en gedigitaliseerd zijn en nu met behulp van AI integraal doorzoekbaar worden gemaakt. Daarnaast wordt een overzicht opgeleverd van alle middeleeuwse archieven die bij het Stadsarchief te vinden zijn.
