Magistraal repertorium van de Kamerijkse bisschoppen en kanunniken

Janick Appelmans – Monique Maillard-Luypaert, Diocèse de Cambrai [Fasti Ecclesiae Gallicanae 24] (Turnhout: Brepols, 2024) VIII+805 p. ISBN: 978-2-503-60221-9 € 80,00

Het project van de Fasti Ecclesiae Gallicanae beoogt een stevig ingeleid prosopografisch repertorium van de bisschoppen, hun belangrijkste medewerkers en de kanunniken van het kathedraalkapittel van alle laatmiddeleeuwse Franse bisdommen.
Het telt al 24 boekdelen. De recent verschenen volumes zijn sterker uitgewerkt dan de eerste boekdelen die aan het eind van vorige eeuw verschenen. Helaas zijn er, wat de Lage Landen betreft, voor de bisdommen Atrecht en Terwaan nog geen auteurs gevonden en ligt de bisschopszetel van Doornik buiten het huidige Frankrijk. Toch werd de uitdaging aangegaan voor het omvangrijke bisdom Kamerijk, dat zich over vele landsheerlijkheden uitstrekte, hoofdzakelijk Brabant, Mechelen, Vlaanderen, Henegouwen en het Kamerijkse. Monique Maillard-Luypaert, onder meer archivaris en erfgoedverantwoordelijke van het Doornikse Grootseminarie, is via tal van publicaties bijzonder goed op de hoogte laatmiddeleeuwse kerkelijke geschiedenis in Brabant, Henegouwen en de Cambrésis. Baanbrekend voor de kennis van het uitgestrekte bisdom Kamerijk en zijn kapittels in vergelijkend perspectief is haar in 1996 verdedigde en in 2001 verschenen proefschrift over dit bisdom tijdens het Westers Schisma.

Het diocees Kamerijk telde zowat 1029 parochies die ongelijkmatig over het grondgebied verspreid lagen. Het parochiaal netwerk was veel dichter in de aartsdiakonaten Brabant en Brussel, meer bepaald in de valleien van de Schelde, de Dender en de Zenne. De greep van stedelijke kapittels op de stadsparochies was zeer uiteenlopend: in Bergen en Mechelen hadden de kapittels nog maar weinig zeggenschap over de parochies, terwijl het Brusselse Sint-Goedelekapittel en het Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekapittel hardnekkig vasthielden aan hun monopolie op de parochiezorg. In Brussel hadden de kanunniken zelfs alle prerogatieven van de aartsdiaken en de deken naar zich toegehaald. In de meeste parochies bezat een abdij of een kapittel het patronaatsrecht en was de kerk geïncorporeerd in de monastieke of canonicale instelling.

Met 50 prebenden was het kathedraal Onze-Lieve-Vrouwkapittel het grootste van het bisdom voor Sint-Gorik in Kamerijk (48), Sint-Goedele in Brussel (34) en Sint-Vincent in Zinnik (30). Er waren evenwel minder dan 50 kanunniken, omdat voor het levensonderhoud van de deken en sommige aartsdiakens twee prebenden werden samengevoegd. Maillard-Luypaert beschrijft uitgebreid de domeinadministratie om de financiële middelen voor de prebenden te vergaren. Voorwaarden tot toegang tot het kapittel waren een vrije en wettige geboorte. Adellijke afkomst was, zoals in de andere Noord-Franse kapittels, geen vereiste. Als indicatie van de residentieplicht en het cumuleren van beneficies kan gelden dat slechts zelden meer dan de helft van de kanunniken aanwezig was op de kapittelvergaderingen.

Centrum van het bisdom was Sancta Maria Cameracensis, die de ruimte van de huidige Place Fénelon en van de gebouwen aan de west- en oostzijde ervan besloeg. De gotische Onze-Lieve-Vrouwekathedraal van Kamerijk, gebouwd tussen de brand van 1148 en 1472 en afgebroken tussen 1796 en 1809 kende twee of drie voorgangers, waaronder een romaanse kathedraal, gebouwd tussen 1023 en 1030. In 2015 verscheen het met 3D-illustraties vermeerderde proefschrift van Jacques Thiébaut uit 1975 (Thiébaut 2015). Tegen 1500 telde de kathedraal een twintigtal kapellen. Vanaf de veertiende eeuw is de binneninrichting van het koor goed gedocumenteerd, waarbij de bisschoppen en de kanunniken als donateurs en de kunstenaars gekend zijn. Zo schilderde in 1422 een zekere “Johannes de Yeke” de paaskaars en overschilderde miniaturist Simon Marmion in 1465 het grote beeld van Notre-Dame-la-Grande. Opvallend was het grote astronomische uurwerk uit 1347-1348 dat een eerdere horloge uit 1318 verving.

Aan de westzijde van de kathedraal lag het bisschoppelijk paleis, herbouwd onder Nicolas van Fontaines en gerestaureerd onder Hendrik van Bergen. Aan de zuidzijde lagen de gemeenschappelijke gebouwen met de onder Pierre d’Ailly gebouwde bibliotheek. De kanunnikswoningen lagen iets verder, vooral langs de staten bezuiden de kathedraal. Wat verder aan de noordzijde lag de zetel van de bisschoppelijke rechtbank, de officialiteit. Op het noordelijk voorplein van de kathedraal of op een bühne werden passie- en andere mysteriespelen opgevoerd, ook bij de intrede van een nieuwe bisschop. Het feest van de kinderbisschop, verkozen uit de koorknapen op Sint-Niklaasdag, vervolgens bevestigd door het kapittel, culmineerde met de wijding van de kinderbisschop op de feestdag van de Onschuldige Kinderen op 28 december. Pierre d’Ailly fulmineerde tegen dit omkeringsritueel en in 1500 voerden de kanunniken het definitief af.

In een uitgebreid onderdeel lijst Maillard-Luypaert op basis van de goeddeels al uitgegeven middeleeuwse bibliotheekinventarissen, en aan de hand van kapittelbesluiten en testamenten van bisschoppen en kanunniken de belangrijkste en in hoge mate bewaarde manuscripten en incunabelen op. Typisch voor een canonicale omgeving is dat veel boeken van de ene kanunnik aan de andere werden gelegateerd. Op de liturgische werken na, waren vooral de juridische boeken het meest verspreid voor theologische en filosofische werken. Geschiedkundige en literaire werken hadden maar een bescheiden aandeel. Antieke auteurs maakten in de tweede helft van de vijftiende eeuw opgang.

De notities van de bisschoppen zijn zeer goed uitgewerkte biografieën die uitgebreid ingaan op hun sociale achtergrond en kerkelijke loopbaan, hun religieus en wereldlijk beleid, hun laatste rustplaats en memoria, hun bouwactiviteiten, schenkingen en iconografie in munten en zegels. 9 van de 21 bisschoppen waren voorafgaandelijk geen kanunnik in het eigen kathedraal kapittel: Jean de Béthune, Guido van Laon, Guido da Collemezzo, Pierre de Lévis-Mirepoix, Guido van Boulogne, Robert van Genève, Gerard de Dainville, Andreas van Luxemburg en Jan van Gavere.

Een constante in het beleid van elke bisschop was de complexe driehoeksverhouding met stad en kathedraal kapittel. Als graven van het Kamerijkse moesten zij met wisselend succes hun gebied en rechten verdedigen tegen naburige landsheren. Bisschoppen Jean de Béthune (1200-1219) en Godfried van Fontaines (1219-1237) zorgden voor financiering voor de bouw van de gotische kathedraal en waren sterk betrokken op zustergemeenschappen, zoals Beaupré, Groot-Bijgaarden, Leliëndaal, Ter Kameren, Vorst en Zwijveke. Net als zijn voorgangers was Guido van Laon (1238-1248) een hervormer, die nieuwe parochies creëerde en sterk begaan was met cisterciënzers, benedictinessen en begijnen. Hij verplichtte de hertog van Brabant en de norbertijnen van Park om de kerk van Tervuren door een seculiere priester te laten bedienen. Hoewel Nicolas van Fontaines (1248-1273), zoon van Gauthier IV, heer van Fontaine-l’Évêque, in 1248 tot tweemaal toe slechts door een minderheid van het kapittel gesteund werd, bevestigden de pauselijke legaat Hugo van Saint-Cher en paus Innocentius IV zijn verkiezing. Net als zijn opvolger Enguerrand de Créquy (1273-1285) was hij een hervormer, met tal van statuten voor kapittels en kloosters. In 1274 visiteerde de Kamerijkse bisschop het al lang vacante diocees Terwaan. Het episcopaat van de luxueus levende Henegouwse gravenzoon Willem van Avesnes (1286-1296) was conflictrijk. De benoeming van Guido da Collemezzo (1296-1306) uit zuidelijk Lazio was louter ingegeven door de wens van paus Bonifatius VIII om een neutraal figuur te plaatsen op de belangrijkste Kamerijkse bisschopsstoel tussen de Franse koning Filips de Schone en Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre. Voor het korte episcopaat van Philippe de Marigny (1306-1309), een vertrouweling van de Franse koning, maakt Maillard-Luypaert duidelijk dat twee pauselijke bullen zijn verkiezing door het kathedraal kapittel bevestigen, in tegenstelling tot wat in de historiografie steeds herhaald werd. Het steeds meer autoritaire optreden van Pierre de Lévis-Mirepoix (1309-1324, †1330) zorgde voor een volksoproer waarbij de officiaal en vier andere leden van de bisschoppelijke curie op 11 maart 1313 omgebracht werden. Dat historici zijn transfer naar de Normandische bisschopszetel van Bayeux aan een eigen verzoek en een dégout van de twisten met de Kamerijkse stedelingen koppelen, vindt Maillard-Luypaert vreemd: tussen 1313 en 1324 was de rust in de bisschopsstad volledig weergekeerd.

De van Doornik overgekomen Guido van Boulogne (1324-1335) verschool zich het grootste deel van zijn episcopaat in zijn kasteel van Cateau-Cambrésis. Ook van zijn opvolgers, de Bourgondiër Guillaume Baudet (1336-1342), kanselier van de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers, en pauselijk gunsteling Guido van Ventadour (1342-1349), zijn nauwelijks pastorale activiteiten gekend. Dat wijzigde met de aanstelling van Pierre André (1349-1368), getalenteerd onderhandelaar, diplomaat en vertrouweling van de Franse koning, die zich onder andere inliet met het rekruteringsbeleid van het Brusselse Sint-Janshospitaal, de jurisdictie van het Mechelse Sint-Romboutskapittel en de statuten van het kapittel van Valenciennes. Voor de Brusselse Jodenvervolging van 1370, het enige evenement van betekenis tijdens het korte episcopaat van Robert van Genève (1368-1371, †1394), de latere tegenpaus Clemens VII, vermelden we het boek van Luc Dequeker over het Sacrament van Mirakel en de Jodenhaat (Dequeker 2000, p. 21-24). De pastorale acties van zijn opvolger Gerard de Dainville (1371-1378) waren beperkt: toestemming voor Rooklooster om kapel en kerkhof te laten wijden, aflaten voor de pelgrims aan de kartuis van Sint-Maartens-Lierde en beperking van de toestroom aan gelovigen in het klooster van de victorijnse zusters van Blijdenberg te Mechelen.

De Brusselse patriciërszoon Jan t’Serclaes (1378-†1389) was jarenlang de vertrouweling van de Brabantse hertogen en zijn voorgangers als Kamerijkse bisschoppen. Het Westers Schisma, dat uitbrak in het jaar van zijn unanieme verkiezing door het kathedraal kapittel, verscheurde het bisdom op velerlei wijze, zoals Maillard-Luypaert magistraal uiteenzette in haar proefschrift (Maillard-Luypaert 2001). In het overwegend Clementijnse bisdom kon hij niet anders dan enkele Urbanistische kanunniken van het kathedraal kapittel schorsen en hun prebendes afnemen. De abt van Affligem die afwezig bleef op een synode met de pauselijke legaat uit Avignon, diende hij te excommuniceren en vervangen door zijn coadjutor. Hij moest ermee rekening houden dat het Rijks-Vlaamse deel van zijn bisdom en het door de Vlaamse graaf bezette Antwerpen en Mechelen tot de Urbanistische obediëntie behoorden.

Op 12 april 1385 zegende hij het dubbelhuwelijk van Kamerijk in, waarmee de Bourgondische en de Wittelsbachse dynastie op initiatief van Johanna van Brabant met elkaar verstrengeld werden, waardoor verschillende decennia later Brabant, Holland-Zeeland-Henegouwen en Vlaanderen in een hand zouden samenkomen. Dankzij de nieuwe – Bourgondische – graaf van Vlaanderen, Filips de Stoute, kantelden Rijks-Vlaanderen, Antwerpen en Mechelen in 1390 in de obediëntie van de paus van Avignon, waardoor André van Luxemburg (1389-1396) effectief het hele bisdom kon besturen.

De vastberaden Franse intellectueel Pierre d’Ailly (1397-1412, †1420) uit Compiègne slaagde erin zich in het Kamerijks wespennest staande te houden tegenover kapittel, stad en wraakzuchtige Bourgondische hertog. In het noordelijk deel van het bisdom moest hij afrekenen met een Romegezinde officialiteit, in Mechelen gevestigd onder de hoede van de Luikse bisschop-elect fungeerde. Met handige diplomatie en kleine toenaderingen slaagde hij in een verzoening met de Bourgondische en de Brabantse hertogen. Hij trok onvermoeibaar door zijn bisdom en was voorzichtig in het erkennen van de eucharistische mirakels te Brussel en Bois-Seigneur-Isaac. D’Ailly steunde volop de nieuwe gemeenschappen van het kapittel van Groenendaal en de congregatie van Windesheim. Voor ambassades en concilies was hij vaak buiten het bisdom. Zijn inzet voor de eenheid van de Kerk leverde hem een kardinaalshoed op. Van hem zijn 170 werken gekend en tal van boeken uit zijn bibliotheek overgeleverd.

De edelman Jan van Gavere (1412-1439) uit Liedekerke spande zich bijzonder in voor de gemeenschappen van de Moderne Devotie. De lang regerende en nauwelijks in Kamerijk verblijvende Jan van Bourgondië (1439-1480), buitenechtelijke zoon van Jan zonder Vrees, maakte geen geheim van zijn dertien kinderen uit acht relaties. Hij dankte zijn bisschopszetel aan het politiek gemarchandeerd tussen zijn halfbroer Filips de Goede en paus Eugenius IV. Hij verbleef meestal in Mechelen, dichtbij zijn vele maîtresses, en ontbood er regelmatig zijn vicarissen en officialen. Hij richtte in Brussel een bisschoppelijke administratie op voor het noordelijk deel van het bisdom en promoveerde de Brusselse officialiteit tot hetzelfde niveau als die van de bisschopsstad. Hoewel Erasmus zich beklaagde over zijn karige verloning door zijn broodheer Hendrik van Bergen (1480-1502), beoordeelt Maillard-Luypaert het episcopaat van deze handige diplomaat, hervormer van veel kloosters en vrijgevige mecenas positief.

De hulpbisschoppen kwamen traditioneel uit de bedelorden: vaak karmelieten, soms minderbroeders en predikheren, af en toe een cisterciënzer en één johannieter. Opvallend veel onder hen waren verbonden aan het Mechelse karmelietenklooster, zoals Jacobus van Ahrweihler (†1370), Hendrik de Tolnis (†voor 1428), Gillis de Merica (†1505) en Godfried Greveray (†1504) uit Gelre.

Zowel het repertorium van de geprebendeerde kanunniken als de korte overzichten van de geestelijken die mogelijk en die zeker niet tot het kapittel behoorden, bieden per behandelde clericus een schat aan informatie. Waar mogelijk betreft dat vooral levensdata en begraafplaats, kerkelijke wijding en waardigheden binnen het kathedraalkapittel, maatschappelijke status en geografische herkomst, familierelaties, beneficies, studies en andere loopbaanelementen.

Bij het overlopen van het repertorium met ongeveer 1567 geprebendeerde kanunniken valt het internationale en geleerde karakter van het kathedraal kapittel van het laatmiddeleeuwse Kamerijk op. Veel geprebendeerden waren curiemedewerkers en verwanten of kennissen van de heersende Zuid-Franse of Italiaanse (tegen)pausen. Een hoog aantal kanunniken is afkomstig uit de Quercy of andere streken die tot de machtsbasis van de pausen van Avignon
behoorden. Neven van pausen waren Guillaume de la Jugie (†1374), een neef van Clemens VI, die in 1342 zowel aartsdiaken van Brussel als kardinaal werd of de hervormingsgezinde aartsdiaken van Brabant Francesco Piccolomini (†1503), in zijn laatste levensmaand paus Pius III. Sommigen behoorden tot de entourage van kardinalen, zoals kardinaal Francesco Orsini (†1311). Opvallend was ook de voordracht in 1481 van Hiëronymus de Perlytolentis, afkomstig van het Dalmatische eiland Korčula, die uitgekozen was door zijn streekgenoot, de pauselijke nuntius Lucas de Tollentis, bisschop van Šibenik. Verschillende Kamerijkse kanunniken waren topraadgevers van de Bourgondische hertogen. Officiaal en thesaurier Jan Bont (†1453) diende vijf opeenvolgende Brabantse landsvorsten, van Johanna van Brabant tot Filips de Goede, en was kanselier van Brabant van 1428 tot 1445. Zijn neef Willem Bont (†ca. 1454), aartsdiaken van Antwerpen, was secretaris van de hertogelijke raad. Bourgondiër Ferry de Clugny (†1483) was raadgever en ambassadeur voor Filips de Goede en Karel de Stoute, verzamelaar van prebenden, commende-abt van verschillende abdijen en werd bisschop van Doornik en kardinaal. Bij beide voorgaande vorstelijke vertrouwelingen missen we toch wat hun toonaangevende loopbaan in vorstelijke dienst: Willem als hertogelijk secretaris gedurende net geen halve eeuw (zie in het Nationaal biografisch woordenboek: Leynen 1981, kol. 66-72) en Ferry als voorzitter van de hertogelijke grote raad en het Parlement van Mechelen. Ook andere topfiguren uit de inner circle van de Bourgondische macht maakten hun opwachting in het Kamerijkse Onze-Lieve- Vrouwkapittel. Jean Chevrot (†1460) uit de Franche-Comté verruilde zijn prebende al snel voor de bisschopszetel van Doornik, maar was vooral voorzitter van de hertogelijke raad.

Kapitteldeken Philibert Hugonet (†1484) uit Macon, bisschop van zijn geboortestad, kardinaal en commende-abt van Saint-Denis-en-Broqueroie en Tongerlo, was dan weer de broer van Guillaume Hugonet, kanselier van Karel de Stoute. Een andere topambtenaar, die samen met kanselier Hugonet na de val van Karel de Stoute in Gent in 1477 terechtgesteld werd, was Guy de Brimeu, wiens broer Philippe (†1504) aartsdiaken van Henegouwen en proost werd. Tot deze groep behoorde onder andere ook Antoine Haneron (†1490), preceptor van Karel de Stoute, en thesaurier Jean Blanchard (†1391), kanselier van Lodewijk van Male. Het kapittel herbergde verschillende natuurlijke kinderen uit de heersende landsheerlijke dynastieën, zoals Hendrik van Henegouwen (†1303) of Jan van Namen (†1421). Naast de latere bisschop Jan van Bourgondië, zoon van Jan zonder Vrees, stamden uit de Brabantse dynastie een gelijknamige neef (†1499), zoon van Filips de Goede, en Jan van Brabant (†voor 1460), zoon van Filips van Saint-Pol. Leuvenaar en legist Denis Minninck (†1378) was mogelijk een bastaardzoon van Jan III. Buitenechtelijke kinderen uit regionale adellijke geslachten waren Brussels aartsdiaken Jan van Ysche en officiaal Jan van Glymes, uit het huis van Bergen-op-Zoom en oom van bisschop Hendrik van Bergen.
Veel kanunniken bekroonden hun loopbaan met een bisschopszetel. Een eerste, talrijke groep, waren de curiemedewerkers, gunstelingen en (achter)neven van pausen. Zijn waren meestal maar kortstondig in Kamerijk geprebendeerd, maar verwierven vlot een kardinaalshoed of een bisschopzetel. Toch waren er in de groep uitzonderingen, zoals de Romeinse kardinalen Pietro Colonna (†1326) in de jaren 1297-1323 en Giacomo Caetani Stefaneschi (†1341) die van 1295 tot zijn dood zijn Kamerijks beneficie behield, of van 1290 tot zijn overlijden Riccardo Petroni (†voor 1314), kardinaal uit Siena en een van de samenstellers van het Liber Sextus met decretalen. Een tweede, eveneens talrijke groep waren de Kamerijkse kanunniken uit Frankrijk en de Nederlanden die het schopten tot bisschop, zoals Goffredo da Vezzano (†1300) te Parma, Geoffroy de Joinville (†na 1356) te Tarazona, Guillaume Letort (†1403) te Marseille, Kamerijks aartsdiaken Gerard de Montaigu (†1420) te Poitiers en Parijs, Brussels aartsdiaken Jacques du Chastelier (†1438) te Parijs, Nicolas Habart (†1431) te Bayeux of Brussels aartsdiaken Quintin Menard (†1462) te Besançon, en uiteraard veel bisschoppen van Kamerijk, onder wie Godfried en Nicolaas van Fontaines, Enguerrand de Créquy, Willem van Avesnes, Philippe de Marigny, Guillaume Baudet, Guido van Ventadour, Pierre André, Jan t’Serclaes, kardinaal Pierre d’Ailly, Jan van Bourgondië en Hendrik van Bergen. Brussels aartsdiaken en kardinaal Pierre Roger de Beaufort uit de Auvergne verzaakte aan zijn beneficie in 1342 bij zijn promotie tot paus Clemens VI (†1352).

Enkele andere bijzondere kanunniken met een Kamerijkse prebende waren Robert de Sorbon (†1274), stichter van het gelijknamige beroemde Parijse college, musicus, componist, canonist en conciliedeelnemer Guillaume Dufay (†1474), wiens voor een verrijzenis knielend grafbeeld in het Musée des Beaux-Arts van Rijsel bewaard is, Jan Spierinck (†1499), geneeskundeprofessor in Leuven en lijfarts van Filips de Goede, en Frans van Busleyden (†1502), voorzitter van de Hofraad, aartsbisschop van Besançon, kardinaal, correspondent van Erasmus en weldoener van de Leuvense kartuizers (zie ook De Win 2009). Curiemedewerker Anselmus Fabri (†1449) uit Breda, die goed bevriend was met Jan Bont, kreeg van de bisschop d’Ailly het personaat van Halle, stichtte een gasthuis en lag via zijn uitgebreid netwerk aan de basis van verschillende apostelhuizen. Van de Umbrische kanunnik Lodovico de Biaschio (†1401), die in verschillende Zuid-Nederlandse kapittels langdurig geprebendeerd was, ging in 1376 het gerucht dat hij getrouwd was. Van Utrechtenaar Florens van Jutfaes (†voor 1372), tevens aartsdiaken en proost van Oldenzaal, deed tweemaal prematuur het overlijdenbericht de ronde. Toch was het leven van de kanunniken regelmatig risicovoller dan enkel bidden en besturen. Hugo de Gerlini, Jacques Grégoire, Jean Artus en de officialen Jan Roelofs en Johannes de Fine verkeerden respectievelijk in 1255, 1420, 1445, 1456 en 1496 in gevangenschap. De kanunnikswoning van Jean ad Dentes (†voor 1380) werd in 1375 bestormd en geplunderd. Officiaal Henri de Senlis, zegelaar Simon Britton en drie andere leden van de bisschoppelijke curie werden in 1313 in Kamerijk omgebracht tijdens een volksoproer. Zelf waren de kanunniken ook niet altijd doetjes: zo werd Jacobus de Collemedio in 1306 op verdenking van moord aangehouden.

Veel kanunniken cumuleerden prebenden in verschillende kapittels. Voor de curiemedewerkers betrof dat vaak Franse instellingen. De bezitstijd van hun beneficie was meestal beperkt tot enkele maanden of jaren. Dat was anders bij de andere groepen. Een aanzienlijk deel Henegouwse en Vlaamse kanunniken cumuleerde in kapittels in Franstalig gebied. Cumul met prebendes in de kapittels van Sint-Vincent in Zinnik, Sint-Hermes in Ronse, Sint-Geertrui in Nijvel, Sint-Gorik in Haaltert en Sint-Pieter in Anderlecht kwam relatief vaak voor.

Bij het doornemen van het repertorium van dit grote bisdom met een omvangrijk kathedraal kapittel valt de zeer grote hoeveelheid archiefstukken uit departementsarchieven, stadsbibliotheken en de Vaticaanse archieven, gecombineerd met uitgebreide literatuuropgaves op. Hierdoor zijn zowel de aanstellingen en permutaties en de verschillende waardigheden in het kapittel als de prebendes in veel Noord-Franse kapittel zeer goed onderzocht. We namen de proef op de som met twee gekende kanunniken: kapitteldeken Gilles Carlier uit Kamerijk en de Brabantse topambtenaar Paulus de Rota. Aegidius Carlier (in de Kamerijkse spelling en meest voorkomende in de bronnen) of Gilles Charlier (in de Parijse spelling en de laatste jaren de voorkeur van historici genietend) was midden de vijftiende eeuw decennialang kapitteldeken en een veel geraadpleegde autoriteit inzake kerkelijk recht en de praktische toepassing van theologie. Dankzij haar grote belezenheid in de laatmiddeleeuwse Kamerijkse archivalia biedt Maillard-Luypaert een geboortejaar (1391) en neemt de twijfel weg die er in de historische literatuur heerste over zijn aanstelling bij pauselijke provisie tot deken. Dat geschiedde dus in 1431 en niet in 1436.

Via de belangrijkste en nieuwste literatuur zijn de oudere studies van onder meer Doucet makkelijk terug te vinden. De enige mogelijke toevoegingen betreffen zeer recent verschenen bijdragen die nog niet gekend waren bij het ter perse gaan van het repertorium: Fournier 2023 en Fournier 2024, waarbij deze laatste bijdrage, steunend op het repertorium bij Gorochov 1997, erg afwijkende data geeft: 1391 voor de aanvang van de artesstudies in Parijs en 1391 voor de indiensttreding bij Jean de Neuchâtel, kardinaal van de tegenpaus uit Avignon. Voor Carliers activiteiten als lid van verschillende gezantschappen van het Concilie van Bazel in de Hussietische gebieden, kunnen Marin 2020 en Marin 2021 geconsulteerd worden.

Voor de geestelijken die tot zowel het Onze-Lieve-Vrouwekapittel van Kamerijk als het Brusselse Sint-Goedelekapittel behoorden, maakt Maillard-Luypaert voornamelijk gebruik van het uitgegeven obituarium van de grote kanunniken van Sint-Goedele van 1506 (Guilardian 2002). Daarnaast kan ook de Leuvense licentiaatsverhandeling uit 2002 en het syntheseartikel van Bram Van Hofstraeten benut worden, zoals voor thesaurier Paulus de Rota (†1491, Van Hofstraeten 2010, p. 214, 216, 228-229, 234, 243). Daaruit komt aanvullend naar voor dat hij namens Karel de Stoute zetelde in het Parlement van Mechelen en ook van 1465 tot zijn dood kanunnik in Antwerpen en pastoor van Wambeek was (Van Hofstraeten 2002, p. 422; Van Hofstraeten 2010, p. 214 en 243; zie ook de Leuvense licentiaatsverhandeling van Gabriël Colman, De kanunniken van O. L. Vrouwkapittel te Antwerpen (1441-1512) uit 1960, p. 226-227 en de minder betrouwbare Leuvense thesis van Godelieve Louis, De hogere geestelijkheid in het Sint-Romboutskapittel te Mechelen van 1383 tot 1501 uit 1964, p. 218-220). Anderzijds dient opgemerkt dat De Rota’s prebendes in Atrecht, Condé-sur-Escaut en Sainte-Croix te Kamerijk in de Nederlandstalige historiografie ongekend zijn.

Voor twee houders van een Kamerijkse kanunniksdij in Brabantse hertogelijke dienst, verwijzen we naar de prosopografie van de Brabantse kanseliers, raadsleden en secretarissen van Paul De Win: voor Jan Bont: De Win 2021, p. 68-71 (en de notitie in het Nationaal biografisch woordenboek van Paul Leyen: Leynen 1981, kol. 59-66); voor Jan van Glymes (†1498): De Win 2021, p. 151-153.

Voor theoloog en Kamerijks aartsdiaken Jacques d’Arras (†na 1224), die norbertijn en abt van Mont-Saint-Martin werd, verwijzen we naar de postuum uitgegeven monografie over deze Noord-Franse abdij van Eric Woznicki (Woznicki 2014, p. 50-51). Het Kamerijkse boekdeel van de Fasti Ecclesiae Gallicanae van Monique Maillard-Luypaert
is een magistraal en onmisbaar prosopografisch repertorium over de laatmiddeleeuwse bisschoppen en kanunniken van Kamerijk. Het boek biedt een diepgaand inzicht in de complexe organisatie en geschiedenis van het bisdom, met gedetailleerde biografieën van de bisschoppen en een schat aan informatie over de kanunniken. De focus op hun sociale achtergrond, kerkelijke loopbaan en relaties met wereldlijke machten maakt dit tot een uitzonderlijk rijk naslagwerk.