900 jaar Vlierbeek, lijvige synthese van een abdij zonder eigen archief

Janick Appelmans – Bart Van Thielen, Raf Verstegen en Dani Vandepoel (red.), Een plek die Vlierbeek heet. 900 jaar geschiedenis van een Leuvense abdij. 1125-2025 (Leuven: 2025) 415p. ill. ISBN: 978-94-64757-65-1 € 59,50

Onder tekstredactie van Bart Van Thielen en Raf Verstegen en met een beeldredactie van Dani Vandepoel verscheen een lijvige en rijkelijk geïllustreerde geschiedenis van Vlierbeek, waar verschillende eminente (kunst)historici aan meewerkten. Het is een mooi geïllustreerd boek, waarin de abdijgeschiedenis ruim ingebed wordt in de algemene, de religieuze en Leuvense geschiedenis.

In het een eerste hoofdstuk over ‘De stichting (1125-1173)’ (p. 10-66) gaat Bart Van Thielen onmiddellijk naar de essentie van de Vlierbeeksite: het benedictijnenklooster. In 1125 schonk hertog Godfried I zijn eigengoed te Vlierbeek, “locum itaque quemdam Fliderbeka appellatum”, oostelijk van Leuven, aan de benedictijnen van Affligem met de bedoeling er een bijhuis op te richten, “ut […] cellam ibi […] extrueret”. Van Thielen onderwerpt de niet meer in origineel voorhanden stichtingsoorkonde aan een doorgedreven analyse.

Op de kaart op p. 16 valt op dat Affligem ontbreekt (waardoor de afhankelijkheid van de kaart in Van Uytven e.a. 2004, p. 44 onmiskenbaar is) en dat de Luikse bisschopszetel, tot welk bisdom Vlierbeek behoorde, niet als dusdanig aangeduid is. Het was nochtans de bisschoppelijke ordinaris die in de wel in origineel bewaarde bevestigingsoorkonde van de Affligemse bezittingen in 1147 voor het eerst “cellam in Fliderbecca” liet acteren. In 1156 meldde diezelfde Hendrik II van Leez dat op het landgoed een kapel, mogelijk gewijd aan Sint-Medardus, stond, wat doet vermoeden dat het gebied goeddeels bebost was, maar niet gans leeg, gelet op de in 1125 vermelde bijhorigheden, “cum omnibus pertinenciis suis”. Bij de aangehaalde beweegredenen en de stichtingscontext op p. 20 schemert iets te veel de niet meer in zwang zijnde theorie van de grootschalige hertogelijke kloosterstichtingsgolf (Van Uytven 1959) door. In zijn artikel ‘Een nieuwe orde?’ uit 1997 toonde Bijsterveld aan dat de kloosterstichtingen vooral het werk waren van de regionale adel, wat bijvoorbeeld door de (helaas) op andere pagina’s benutte studie van Demets (Demets 2014, p. 22) ook duidelijk onderschreven wordt.

Na de bespreking van de stichting beslaat een breed sociaaleconomisch, cultureel en religieus panorama van hoogmiddeleeuws West-Europa en Brabant en de opgang van de regel van Benedictus de helft van het eerste hoofdstuk (p. 26-48). Zulk ambitieus overzicht, gebaseerd op soms wat oudere literatuur (p. 308-309), kan uiteraard niet alle meer recente ontwikkelingen includeren. Zo kan wat de norbertijnen betreft bij p. 30 gesteld worden dat gedegen onderzoek (Van Mingroot 2013, p. 169-175) een vroegere geboortedatum (ca. 1075) voor Norbertus vooropstelt en dat de premonstratenzers niet onmiddellijk met de bisschopsverkiezing van hun stichter in 1126 pastoraal actief werden, maar pas enkele decennia later eigen religieuzen naar parochiekerken zonden (Roggenburg 1144, Tongerlo 1164, cf. Van Lani 2021, p. 85). Wat betreft de kaart op p. 38 wordt 1195 voor een slag bij Grimbergen best als een inversie voor 1159, het platbranden van de burcht op de Senecaheuvel te Borgt en het einde van de Grimbergse oorlog (Demets 2014, p. 18), gelezen.

Hoewel niet geheel onbetwist (zie Ceustermans 2022, p. 149-151) geldt sinds Croenen 2003 als inzicht dat de Berthouts introuwden in de familie van Grimbergen, maar er niet mee mogen gelijkgesteld worden, zoals op p. 58. Storend is dat de Luikse bisschoppen iets te vaak prins-bisschop genoemd worden, wanneer zij enkel hun kerkelijke bevoegdheden uitoefenden in het Leuvense of te Vlierbeek. Hun territoriale macht, hen door de keizers verleend in het kader van de Ottoonse Rijkskerk, strekte zich immers enkel uit tot een kleiner gebied waar zij als rijksvorsten ook de wereldlijke macht in handen hadden.

Vlierbeek, dat in 1138 voor het eerst als priorij benoemd werd, slaagde er vanaf de eerste decennia van zijn bestaan in heel wat bezittingen voor het klooster middels schenkingen te verwerven. De bisschoppelijke bevestigingsoorkonde van het Vlierbeekse bezit in 1156 getuigt van die eigen aantrekkingskracht, ook al zijn de monniken allen in de moederabdij Affligem geprofest en zijn alle schenkingen juridisch eigendom van die abdij. De verschillende opstelling van de pausgezinde bisschoppen van Kamerijk, waartoe Affligem behoorde, en van hun keizersgezinde ambtsgenoten in Luik, met Vlierbeek in hun ressort, faciliteerde de ontvoogding van de priorij tegenover de moederabdij. De moeizame financiering van de bouw van een romaanse priorijkerk, ten gevolge van te karig hiervoor er beschikking gestelde middelen door de abt van Affligem, vormde de concrete aanleiding: tegen de triade van hertog, bisschop en tegenpaus was Affligem niet opgewassen. Abt Godeschalk abdiceerde in 1163 en Vlierbeek mocht met (tegen)pauselijke zegen een eigen abt kiezen. Dat jaar volgde abt Everard Franco op, de enige prior die Vlierbeek had gekend sinds de vestiging van de monniken in 1127. De dood van abt Everard in 1173 bracht een verzoening teweeg. De Affligemse prelaat Arnulf wist met een subtiel opgestelde brief – indringend geanalyseerd door Van Thielen – de afhankelijkheid van Vlierbeek stevig te herstellen: de Vlierbeekse abt moest in Affligem geprofest zijn, een symbolische cijns was verschuldigd op het feest van Sint-Pieters Banden, maar bovenal kon de abt van Affligem Vlierbeek visiteren, er kapittel bijeenroepen en deze vergadering voorzitten en er zelf de eindbeslissingen nemen.

De onstuitbare verdere ontvoogding ten overstaan van Affligem was een proces dat zich behalve in Vlierbeek ook in andere benedictijnen- (Sint-Andries-Brugge) en benedictinessenkloosters (Groot-Bijgaarden, Vorst) doorzette. In het tweede hoofdstuk, ‘Vlierbeek als zelfstandige abdij (1173-1456)’ (p. 68-141), beargumenteren Paul Trio, Bart Van Thielen en Raf Verstegen uitvoerig dat het compromis van 1173 lang van kracht bleef. Zij verwerpen categoriek de Vlierbeekse kijk in Sanderus’ Chorographia sacra Brabantiae, maar wijzen (wat verstopt op p. 86) ook op de zegening van de derde abt te Luik door een pauselijk legaat, in bijzijn van keizer, hertog en bisschop.

De interessante analyse van de Vlierbeekse abbatiaten van Jan Keynoghe en Theodoor Nagel, twee geestelijken uit de kring van de pauselijke ambtenarij, is een mooie toevoeging bij de feitelijke gegevens die op de notitie in het Monasticon belge teruggrijpen (Smeyers 1964, p. 93-94). Hieraan kan nog de bespreking van Keynoghes abbatiaat in de recente middeleeuwse abdijgeschiedenis van Lobbes toegevoegd worden (Verdoot 2018, p. 153). Tijdens het Westers Schisma lijkt ook de (wellicht volkomen mislukte) abtsaanstelling van Jan, prior van Echarson, een zuiver curiale aangelegenheid. De benoemding van de overste van deze van de Sint-Remigiusabdij van Reims afhankelijke, inmiddels volledig verdwenen priorij bij Virzy in het bisdom Reims, liep volledig buiten Vlierbeek om. Daartegenover staat dat de monniken in Vlierbeek aan het eind van de veertiende eeuw zelf Wouter Cans tot abt verkozen en dat mogelijk aan geen van beide pauselijke administraties, in Avignon of Rome, lieten weten. Het verlies van veel archiefdocumenten in 1532 bij de brand van het refuge in Leuven, de plundering van de abdij in 1572 door muitende soldaten en tijdens de negentiende eeuw belemmert vaak om uitsluitsel te geven. De Vlierbeekse overste Theodoor Nagel werd aangezocht als bemiddelaar tussen de hertog en de Brabantse abten, die weigerden af te dragen voor de betaling van losgeld, nadat hertog Wenceslas samen met veel meer dan enkele edelen in gevangenschap raakte tijdens de Slag bij Baesweiler in 1371. Of dat te maken had met Nagels connecties aan het pauselijk hof in Avignon, is niet geheel zeker: de Brabantse reguliere clerus opteerde in gespannen situaties met het hertogelijk gezag vaak voor buitenstaanders, zoals abten uit omliggende territoria met maar beperkt bezit in het hertogdom, als woordvoerders. Zij konden immers minder onder druk gezet worden bij dreiging (en uitvoering) van hertogelijke vergeldingsacties (zie Avonds 1997, p. 43). Net als de contemporaine Parkabdij had Vlierbeek naast de mannengemeenschap een vrouwengemeenschap als annex. Waar Park zijn zusters naar een tot klooster omgevormd uithof in Vossem verplaatste, zijn voor Vlierbeek enkel de namen van enkele zusters en een laatste vermelding van hun aanwezigheid in 1241 voorhanden.

Van de romaanse abdijkerk en het kloostercomplex zijn nauwelijks bouwkundige relicten over. De stadsresidentie in Leuven, het bij de Vismarkt gelegen “Hof van Vlierbeke”, werd vanaf 1423 door de stad Leuven grondig gerenoveerd en vergroot om de drie jaar eerder uit Brussel gevluchte hertog Jan IV te huisvesten. Diens broer en opvolger Filips van Saint-Pol liet in 1428 het stadshof terug over een de abdij omdat “die vroosc. huysinge die in plaetse zeer nederig en reumatieke en waterachtigh is gelegen en onser naturen en complexien ongesont en contrarie”. De stad liet de nieuw gebouwde zaal afbreken en recupereerde de bouwstenen. Enkele jaren later schreef prior Jan Amoers in opdracht van de stad Leuven tweemaal een toneelstuk. In 1444 werden zijn Drie Hiërarchieën der Engelen en in 1445 zijn Onser Liever Vrouwen Miraculen opgevoerd bij de ommegang in september.

Op p. 84 laat de cartografie het opnieuw afweten: behoudens de tweede, fantasierijke plaatsing van de Münsterse bisschopszetel in Oost-Friesland ligt Münster duidelijk te westelijk op de kaart en staat Osnabrück veel te noordelijk, op de ligging van Oldenburg. Noyon, Laon en Reims liggen ook te noordelijk ten opzichte van de andere bisschopszetels. Met een zeer puike synthese op p. 145 vat Gustaaf Janssens de ‘Moeilijke jaren voor Vlierbeek (1456-1642)’ (p. 142-200) aan. Veel van de middeleeuwse abten stamden uit de families van de Sint-Pietermannen, de bevoorrechte groep van grondbezitters en Leuvense schepengeslachten. Een notoire uitzondering was de laat-vijftiende-eeuwse abt Leonard van Griboval, een monnik uit de Sint-Bertijnsabdij in het Vlaamse Sint-Omaars, die enkele maanden na zijn aanstelling in Leuven promoveerde tot doctor in de rechten. Om zijn bestuur te bestuderen ontbreken de documenten in het Vlierbeekse archief. Toch wordt de wel gekende tijdelijke aanstelling van een externe beheerder, als teken van weinig succesvol bestuur, gestaafd door archiefstukken in andere archieven, zoals dat van de Parkabdij of van de abdij van Sint-Truiden. Zo verloor abt Van Griboval als verwerende partij een proces tegen Jan Boys van Nekkerspoel, norbertijn van Park, bij de Luikse officialiteit in Leuven, nadat de abt geweigerd had een hoeveelheid graan te betalen. De abdij van Park verzekerde zich van de diensten van de topjurist Robert van der Poel of de Lacu, stichter van het Sint-Ivocollege. De officialiteit excommuniceerde Van Griboval en bezorgde Jan Boys open brieven om de wereldlijke macht in te roepen. De hertogin en haar gemaal bevalen de Brabantse gerechtsambtenaren Van Griboval op te sporen en te arresteren. De abt van Vlierbeek werd zelfs “verdacht van heresieën” (Appelmans 2017, p. 143-144).

Een treffender aangelegenheid waarbij Vlierbeek zich, mogelijks node, liet doen, betrof het patronaat en de tienden van Korbeek-Lo, een parochie op minder dan vijf kilometer van de abdij. De abdij van Sint-Truiden bezat er al eeuwenlang het presentatie- en collatierecht, evenals tiendrechten. Vanwege de afstand besteedden de Truiense benedictijnen de zielzorg en de inning van de tienden uit beheer aan hun confraters van Vlierbeek in ruil voor een jaarlijkse rente. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw raakte de goede verstandhouding vertroebeld: de monniken van Sint-Truiden beweerden dat abt Van Griboval de betalingen had stopgezet en zich de tienden wilde toe-eigenen. Een poging tot arbitrage mislukte, omdat de abt en de monniken van Vlierbeek de stelling dat de monniken van Sint-Truiden het patronaatsrecht en de tienden van Korbeek-Lo in blote eigendom bezaten, verwierpen. Als tegenzet wendde Sint-Truiden zich tot de Parkabdij. Het leenhof van de abdij van Sint-Truiden verklaarde de abdij van Vlierbeek vervallen van haar rechten op de tienden van Korbeek-Lo. De officialiteit van Luik sprak een vonnis uit dat de abdij en kerk van Vlierbeek onder interdict plaatste. Abt Van Griboval ging in beroep bij de Heilige Stoel en ondernam waarschijnlijk persoonlijk de reis naar Rome. Vanaf dat moment werd de abdij van Park een volwaardige partij in de gerechtelijke procedure. De Romeinse Rota sprak zich definitief uit ten gunste van Park en Sint-Truiden. Na goedkeuringen van de bisschop van Luik en de vicaris van de abt van Prémontré bekrachtigden de abten en de kloostergemeenschappen van Sint-Truiden en Park op 16 februari 1481 de overeenkomst door de wederzijdse uitwisseling van vier oorkonden. Drie maand later bekrachtigde de paus de transactie en wees drie prelaten als uitvoerders van de overeenkomst aan. Twee maanden na de afkondiging van de pauselijke bul verbond Vlierbeek zich plechtig tot naleving van de transactie (Appelmans 2017, p. 145-146). Na een poging in de jaren 1487-1488 die om onbekende redenen ultiem strandde – de ongezegelde netoorkonden bevinden zich in het archief van de Parkabdij – kocht Park in 1496 de tiende van Korbeek-Lo over van Sint-Truiden. De premonstratenzers kopieerden hun niet uitgevaardigde oorkonden en brachten er slechts kleine wijzigingen in aan: de schrijver verving de naam van de overleden abt van Park door die van zijn neef en opvolger (Appelmans 2017, p. 147).

In de loop van de geschiedenis vond Vlierbeek aansluiting bij de hervormingsbewegingen binnen het benedictijnse kloosterlandschap: in de middeleeuwen was dat het op liturgie gecentreerde cluniacenzer kloosterverband, waarvan moederabdij Affligem in onze gewesten een exponent was. Bij de overgang naar de nieuwe tijden was dat de congregatie van Bursfelde, waarvan de invloed in de Nederlanden via de Luikse Sint-Jacobsabdij ging. In die periode ervaarde ook Vlierbeek de doorgedreven greep van het centrale bestuur op de abtsbenoemingen. Bijkomende belastingen brachten de Brabantse abdijen op ramkoers met de vorst en de landvoogdes. Hoewel de abten van Park en Villers de bezielers van de confederatie van Brabantste prelaten waren, nam de prelaat Vlierbeek een bijzondere positie: hij nam niet alleen actief deel aan het opstellen van de statuten van de confederatie, maar liet haar algemene kapittelvergadering in het Leuvense stadshof van Vlierbeek doorgaan. Wanneer de landvoogdes erachter kwam dat de kapittelvergaderingen een dekmantel waren voor politieke oppositievergaderingen, greep zij in. In 1544 gelastte zij de kanselier van Brabant om de prelatenconfederatie op te doeken.

Zoals in alle andere Brabantse abdijen was de eerste helft van de zestiende eeuw een culturele bloeiperiode. Abt Leonard Vrancx, augustijn bij zijn aanstelling in 1519, was de waarschijnlijke opdrachtgever van De Bewening van Christus, toegeschreven aan Quinten Massijs en pronkstuk van Museum M in Leuven. Zijn opvolger, de voormalige bogaard Jan Panhuys, verwierf het recht op de pontificalia en het recht om de vier lagere wijdingen toe te dienen. Hij was de waarschijnlijke opdrachtgever van de rijkelijk versierde kazuifel, die samen met andere luxueuze liturgische gewaden, alle getuigend van hoogstaand Brabants borduurwerk, bewaard wordt in de parochiekerk van Holsbeek.

Als typische renaissanceprelaat nam abt Jacob Marotel, monnik uit de Sint-Bertijnsabdij, familieleden als novicen aan. Zijn liederlijk leven en zijn quasi permanente afwezigheid in koor en abdij leidden op Palmzondag 1560 tot handgemeen, messentrekkerij en een poging tot doodslag. De subprior en zeven monniken verlieten het klooster. Uit het daaropvolgend onderzoek kwamen de uithuizigheid van abt en prior, de afwezigheid van ontvanger en boekhouding en de aanwezigheid van dames met bedenkelijke reputatie aan het licht. Het sluimerende vergelijk van 1173, dat de verzelfstandiging van Vlierbeek bezegelde, werd geactiveerd, maar resulteerde in eerste instantie niet in een pacificatie of een prelaatwissel. Pas nadat de landvoogdes zich roerde, trad abt Marotel in 1567 af ten gunste van de prior van Affligem.

De plundering van de abdij in 1572 door muitende soldaten uit het leger van Willem van Oranje zorgde samen met de brand van het Leuvense refuge in 1532 voor het verlies van veel archiefstukken. Veel rampspoediger was het besluit van pastoor Victor Van Schaeybroek om kort voor zijn dood in 1858 het hele, nog puik bewaarde archief te vernietigen. Over zijn motieven bestaat geen duidelijkheid, maar vast staat dat hij dagenlang archiefstukken verbrandde in de grote broodoven van de bakkerij in het landbouwcomplex. Het documentaire probleem blijft het grootste pijnpunt bij zowat elke studie over Vlierbeek en uiteraard bij een omvattende synthese als Een plek die Vlierbeek heet. Om het verlies van het eigen archief enigszins te compenseren wordt beroep gedaan op stukken in centrale archieven (zoals de dossiers van de abtsverkiezingen), notarisarchieven, vastleggingen van overeenkomsten in de Leuvense schepenregisters of nog archieven van andere abdijen. Verder wordt zeer sterk en uitgebreid ingezet op veel geschiedkundige context. Deze is gebaseerd op een uitstekende bibliografie met veel flankerende studies. Deze bibliografie, opgenomen achteraan het boek, groepeert per hoofdstuk, naast de onuitgegeven en de uitgegeven bronnen, de literatuur in deelthema’s. Een beetje sneu is dat de Latijnse versie van de titel “locum itaque quemdam Fliderbeka appellatum” enkel voor goede ogen zichtbaar is de zesde regel van het afschrift van de Vlierbeekse stichtingsoorkonde in een Affligems register, afgebeeld op p. 14.

Een plek die Vlierbeek heet bevat nog de hoofdstukken ‘Een tweede start – kloosterleven in het teken van katholieke hervorming en Verlichting (1642-1792)’ (p. 202-241) door Eddy Put, ‘Van abdij naar parochie (1792-1830)’ (p. 242-283) door Raf Verstegen en Geert Robberechts, ‘De abdijhoeve van Diependael’ (p. 284-293) door Raf Verstegen, ‘De parochie van Onze-Lieve-Vrouw van Vlierbeek’ (1830-heden) (p. 294-353) door Denise Dictus en het natuur- en cultuurhistorische ‘Een plek die Vlierbeek heet’ (p. 354-393) met onderdelen door Raf Verstegen, Geert Sterckx en Myriam Kumpen.